Verwantschapstermen in het Huizer dialect

door Viorica Van der Roest

Vorige week vertelde ik over dieren- en plantennamen in het Huizer dialect. Een andere interessante categorie woorden uit dit dialect wordt gevormd door de verwantschapstermen en de woorden voor man en vrouw. Een getrouwde man is in Huizen een ‘taatje’, en een getrouwde vrouw een ‘nenne’. Een tante is een ‘meutjen’ (maar een oom gewoon ‘oom’), een oudtante een ‘peutjen’, en grootvader en grootmoeder worden ‘ôta’ en ‘ôëtjen’ genoemd. Op het eerste gezicht een verzameling vreemde woorden, maar de meeste blijken wijdverbreid in Holland en zelfs (ver) daaromheen, zij het soms in een iets andere betekenis.

Om te beginnen ‘taatje’. Het WNT noemt ‘taat’, maar dan in de betekenis van grootvader. In een bijzonder boekje dat integraal herdrukt werd in TNTL 57 (in een artikel van G. Kloeke), staat een lange lijst met woorden uit het Haagse dialect van rond 1730. Hier betekende ‘taat’ blijkbaar vader. In TNTL 48 wordt, in een artikel van J.W. Muller, melding gemaakt van ‘teuta’ in de betekenis van vader. Ook al zo vroeg opgetekend, namelijk in het begin van de 17e eeuw, door de humanist Aernout van Buchel. Het woord heeft dus vooral vader betekend, maar heeft in Huizen blijkbaar gaandeweg de betekenis gekregen van getrouwde man . En het woord voor vader is in het Huizer dialect gewoon ‘vader’.

Over de etymologie van ‘taat’ geeft een artikel van H. Scholtmeijer (over het Vlielands) duidelijkheid. Het is verwant aan ‘atta’, een oud woord voor vader dat ooit in heel Europa gebruikt moet zijn, en dat al vroeg door de vormen ‘pater/vader/etc.’ werd verdrongen. Zoals Scholtmeijer vertelt, is het woord vooral aan de randen van het Europese continent bewaard gebleven. Naast Huizen en Vlieland is dat bijvoorbeeld ook in Albanië zo…

In TNTL 48 staat ook een stukje (wederom van de hand van Muller) over ‘nennen/ninnen’, dat drinken betekent, en daarvan afgeleide woorden. Muller meldt dat ‘nenne’ in het Westvlaams moeder betekent (althans in Roeselare), en ziet ook verwantschap met in de romaanse talen voorkomende vormen als ‘nonna/nanna/etc.’ (vaak in de betekenis van (groot)moeder).  Maar in Huizen heeft ‘nenne’ de betekenis van getrouwde vrouw, ongeacht of deze vrouw kinderen heeft, en heet een moeder gewoon ‘moeder’ of ‘moe’.

‘Meutjen’ is een vorm van het vroeger in de Nederlanden algemeen gangbare ‘moei(e)’, dat langzaamaan vanuit het Franse taalgebied door ‘tante’ verdreven werd. ‘Peutjen’ zou misschien iets te maken kunnen hebben met het zelfstandig naamwoord ‘pete’: peetmoeder (MNW, 15e eeuw).

Blijven nog over ‘ôta’ en ‘ôëtjen’. Zijn dit misschien net als ‘taat/teuta’ (afstammelingen van) oudere Germaanse woorden? De woordenboeken geven niet veel duidelijkheid: Het WNT noemt ‘oota/otepa’: grootvader, en ‘ootemoe/otema’: grootmoeder. Etymologische uitleg over deze woorden heb ik niet kunnen vinden. Nieuwsgierig als ik ben, tikte ik ‘oota’ natuurlijk in in Google, in de hoop er een handig taalkundig artikel over te vinden. Dat leverde helaas niets bruikbaars op, of het moet zijn dat ‘oota goota’ in een verre uithoek van het heelal Huts is voor: waar ga je heen? Aldus de website Woekieepedia, the Star Wars Wiki…