Over de uitspraak [konijɪn]

Door Marc van Oostendorp

Hoe spreek je het woord koningin uit? Dat schijnen alle radiomakers van Nederland te willen weten. Er is een nieuwsfeit dat in één zin tot in alle details kan worden uitgelegd en desalniettemin moest er gisteren een hele dag aan worden gewijd. Nou, dan krijgen mensen wel ineens belangstelling voor taal!

Ik heb gisteren alle verzoeken tot interviews beleefd afgewimpeld want ik wilde Neder-L de primeur geven. Hier komt hij:
Ik geloof niet dat er veel verwarring is over de uitspraak het mannelijke woord koning. Je kunt eventueel wat variatie vinden in de uitspraak van de lettergreep: je hoort zowel [konɪŋ] (koning) als [konəŋ] (koneng, de laatste vorm is wat zuidelijker, is mijn indruk, maar ik ken geen onderzoek naar deze kwestie). Er is ook geen verwarring over het vrouwelijk achtervoegsel wanneer het opduikt in boerin of bazin: dat is [ɪn] (in), met de klemtoon.

Hoe kan er dan zoveel variatie bestaan rondom de uitspraak van koningin? Behalve [konɪŋɪn] (wat dan de ‘correcte’ vorm moet zijn, al kan niemand vertellen waarom dat zo is), hoor je minstens twee andere vormen: [konəxɪn] (konegin, ‘bekakt’) en [konijɪn] (konie-jin, modern). Vooral de laatste vorm is een steen des aanstoots.

Het probleem met [konɪŋɪn] (koningin) is dat het een [ŋ]-klank heeft gevolgd door een volle, zelfs beklemtoonde klinker. Het Nederlands probeert die sequentie doorgaans te vermijden. De enige klinker die op een [ŋ] (ng) kan volgen is een sjwa: tenger, bungel, jongen zijn welgevormde woorden, maar tango en bingo spreek je niet uit met [ŋo] (ngo) op het eind, maar met [ŋgo] of [ŋxo] (tang-go, bing-go). En daar is die o nog niet eens beklemtoond.

Het enige woord in onze taal waar die combinatie van ng en een beklemtoonde klinker dus dreigt te ontstaan is in koningin. Sprekers proberen dat dus kennelijk te vermijden. Je zou kunnen zeggen dat het een teken is van taalgevoel: men heeft kennelijk uit het taalsysteem opgepikt dat die combinatie van klanken on-Nederlands is.

Een mogelijkheid is om de [ŋ] te veranderen in een klank die er dicht in de buurt ligt: de [x] (ch) wordt op min of meer dezelfde plaats in de mond gemaakt, met de achterkant van de tong bij het zachte verhemelte. Zo krijg je met een minimale wijziging alsnog een acceptabel woord: [konəxɪn].

Een andere mogelijkheid is om de [ŋ] helemaal weg te laten. Er treden dan twee wijzigingen op. In de eerste plaats komt er nu een [ɪ] (de klinker van pit) aan het eind van een lettergreep te staan. Maar Nederlandse woorden die eindigen op [ɪ] bestaan net zo min als Nederlandse woorden met [ŋɪ]: je hebt wel pi, maar dat rijmt op mie, en spreek je dus uit met een [i]-klank (ie), niet met een [ɪ].

Die oplossing wordt ook in dit geval gekozen: de laatste klinker van koning wordt een [i]. Het volgende probleem is dan klinkerbotsing: na de [i] komt een klinker [ɪ]. Ook dat komt in het Nederlands niet voor: wanneer op een [i] een andere klinker volgt, voegen we een [j] in (ti[j]ara, pi[j]ano).

Die regel wordt ook nu weer opgevolgd, en dus hebben we als eindresultaat kon[ijɪ]n, die de regels van het Nederlands dus perfect volgt. Als er een instantie was voor officiële uitspraak, zou ik pleiten voor acceptatie van deze mooie vorm.