Hoe kort mag een verhaal zijn?

De nieuwjaarsgeschenken van het Meertens Instituut zijn altijd de moeite waard. Het zijn kleine boekjes waarin een onderzoek iets uitlegt over zijn werk voor een wat breder publiek. Ja, dat mag ik natuurlijk eigenlijk niet zeggen, omdat ik zelf op het instituut werk. Maar er gebeurt daar van alles dat ik ook niet allemaal precies kan bijhouden — zodat ik zelf ook regelmatig tot het bredere publiek behoor.

Dit jaar legt mijn collega Theo Meder uit hoe hij een nieuwe kant wil opgaan met het onderzoek naar volksverhalen zoals sprookjes en moppen: hij wil bekijken of je een ‘grammatica’ kunt opbouwen voor dat soort verhalen — een structuur waar ze allemaal aan moeten voldoen, of in ieder geval een set structuren waaruit je kunt kiezen wanneer je een nieuw verhaal vertelt. (Er moet een held zijn, die wordt tegengewerkt maar uiteindelijk wint. Dat lijkt me een structuur voor een sprookje, maar je kunt het nog eerder verfijnen.)

Meder legt uit hoe hij mensen in experimenten verhalen laat vertellen op basis van een paar willekeurig gekozen tarotkaarten. Vrijwel altijd leggen die mensen de kaarten dan in een wat andere volgorde dan ze in eerste instantie hebben gekregen, zodat ze het verhaal beter kunnen structureren (en de held niet helemaal op het eind pas binnen komt vallen).
Het onderzoek naar dit soort motieven is eigenlijk al heel oud: enkele decennia geleden hebben Meders voorgangers al omvangrijke catalogi van verhaalmotieven vastgelegd, waarmee je ieder verhaal kunt classificeren.

Terwijl ik het las, begon ik me wel af te vragen wat eigenlijk de minimale omvang van een verhaal is. Is de zin ‘Beth gaf Harry een bloem’ bijvoorbeeld ook al een verhaal? Hij past bijvoorbeeld best in sommige van Meders schema’s: er is een held, Harry, en een helper van die held, Beth, die ervoor zorgt dat Harry een object in zijn bezit komt.

Ik dacht eraan doordat ik vorige maand de wereldberoemde taalkundige Ray Jackendoff mocht interviewen (het stuk staat deze maand in Onze Taal) en die probeert de betekenis van werkwoorden als geven te doorgronden. Geven is een lid van de klasse van zogenoemde causatieve (oorzakelijke) werkwoorden, die allemaal een handeling beschrijven waar persoon A ervoor zorgt dat er iets verandert aan persoon of voorwerp B. In het geval van onze zin is A dus Beth en B is Harry (en de verandering is dat Harry een bloem heeft die hij eerder niet had). Andere voorbeelden van causatieve werkwoorden zijn breken, vermoorden en ontmoedigen.

Volgens Jackendoff horen die causatieve werkwoorden weer tot een grotere klasse van werkwoorden waarin er iets gebeurt met een of andere B, en A iets met die gebeurtenis te maken heeft. Laten Is een voorbeeld: wanneer ik jou laat uithuilen, onderga jij weliswaar een verandering (na afloop van de zin heb je lekker een potje gejankt) en ik heb daarmee te maken, maar ik ben niet noodzakelijkerwijs de oorzaak van jouw tranen. De causatieve werkwoorden vormen samen met laten dus een abstractere klasse van mogelijke menselijke relaties die kunnen worden uitgedrukt met een werkwoord: een waarop A een rol speelt bij een verandering die B ondergaat,

Maar dat laat zien dat iedere zin eigenlijk een miniverhaaltje is en dat de schema’s die Meder probeert te vinden in zijn ‘grote verhalen’ best eens dezelfde zouden kunnen zijn als die lexicale semantici (die zich zoals Jackendoff houden met de analyse van woordbetekenis) weleens op hetzelfde spoor zouden kunnen zitten. Mijn collega Theo Meder is eigenlijk een taalkundige! Dat had ik zonder nieuwjaarsgeschenk misschien nooit geweten.

De nieuwsbrief van het Meertens Instituut heeft ook een interviewtje met Theo Meder.