De Gebroeders Grimm en de atomen van de taal

Het heeft bijna tweehonderd jaar geduurd, maar deze maand besteedt het tijdschrift Onze Taal dan toch aandacht aan de Wet van Grimm. De gebroeders Jacob en Wilhelm Grimm werden beroemd door hun sprookjesverzameling, maar ze hadden meer in hun mars. Met name Jacob zou een van de belangrijkste taalwetenschappelijke ontdekkingen op zijn naam schrijven: die Wet.

De Wet van Grimm beschreef hoe de Germaanse talen op zeker moment systematisch van de andere Indo-Europese talen waren gaan verschillen in hun medeklinkersysteem. Het Latijn zegt pater en pes, het Klassieke Grieks patèr en pous, de Germaanse talen hebben daar van oorsprong een f (father, foot, soms tot v geworden, vandaar vader, voet). Aan de andere kant komen Germaanse p’s (bijvoorbeeld die in het Nederlandse werpen) vaak weer overeen met b’s in, bijvoorbeeld het Latijn (verber).

Jacob Grimm ontdekte dat al die veranderingen niet willekeurig waren maar onderdeel uitmaakten van een groots systeem:

stemhebbende stemloze wrijfklank
plofklank plofklank
lip b p ɸ
tand d t θ
tong g k x

Alle b’s veranderden dus in p’s, die weer veranderden in ɸ (dat is een soort f, maar een die je maakt door de lucht tussen je lippen te blazen). Zo veranderden ook d’s in t’s in θ’s (de beginklank van thing) en g in k in x (de beginklank van chaos).

Eén reden waarom dit zo’n grote prestatie was van Grimm was dat het liet zien dat woorden niet zomaar van uitspraak veranderen: het zijn individuele klanken die dat doen. Je ziet dat nu ook nog steeds. De uitspraak van de r verandert onder allerlei groepen Nederlanders; maar zo’n Nederlander begint dan niet alleen pakweg de woorden haar en snaar anders uit te spreken, maar álle woorden die op een r eindigen.

Maar eigenlijk gaat het inzicht van Grimm nog iets dieper. Het zijn zelfs niet alleen individuele klanken die veranderen – het zijn groepen van klanken. Niet alleen de b verandert in een p, maar álle stemhebbende medeklinkers veranderen in een stemloze tegenhanger. Daar ligt de kiem van een inzicht dat in de twintigste eeuw heel belangrijk zou worden: dat medeklinkers als b, t en ch (en klinkers als a, i, e) niet de ultieme bouwstenen van de taal zijn, maar dat je die klanken verder kunt ophakken in kleinere deeltjes.

Die kleinere deeltjes kun je bijvoorbeeld zien als instructies aan de individuele spraakorganen. Wat we benoemen als een b bestaat uit een instructie aan de stembanden om te trillen (daarom is die klank stemhebbend), en een instructie aan de lippen om een plofklank te maken. Die mini-instructies kunnen dus los van elkaar veranderen (je kunt de stembandtrilling weglaten en dan toch bij de lippen een plofklank maken). Dat zijn de ware atomen van de taal.

Om moeilijk te begrijpen redenen zet de webredactie van Onze Taal van ieder artikel de eerste pagina online. Hier is dat over Grimm.