Verdediging van de d/t-fout

Af en toe komt er per ongeluk iemand hier op Neder-L terecht, ziet in de linkerhoek ‘tijdschrift voor neerlandistiek’ staan en ziet daarin een aanleiding om zich vreselijk op te winden over een zogenoemde ‘dt-fout’ die hij ergens op deze pagina’s aantreft. Ik wil niet zeggen dat zulke mensen allemaal dom zijn. Veel van hen zijn ook eenvoudig te goedgelovig en accepteren te kritiekloos wat de cultuur hun aanreiktt als belangrijk. Er bestaat geen enkel, geen enkel (geen enkel) argument waarom iemand ik vind zou moeten schrijven in plaats van ik vindt.

Het is waar: iemand heeft dit systeem ooit bedacht, of beter, het is in een aantal stapjes door tussenkomst van allerlei personen ontstaan.

Mensen zeggen soms: het is een afspraak. Maar het is dan alleen een eenzijdig soort afspraak zoals een schooljuffrouw vroeger maakte met haar klas (‘we spreken af dat we nu stil zijn’). Ik heb in ieder geval nooit ingestemd met dat soort afspraken.

Maar kun je datzelfde niet zeggen over verkeersregels? Jawel, maar in de eerste plaats bestaat daar een autoriteit die de regels afdwingt, de politie, terwijl die autoriteit in het geval van taal alleen bestaat uit allerlei onbevoegden: niemand is bevoegd in dezen. In de tweede plaats dienen veel verkeersregels het hogere doel — de veiligheid. Maar wat voor hoger doel dienen de spellingregels?

Ik ken twee antwoorden op die vraag. De eerste is dat er verwarring ontstaat als iedereen maar doet wat hij wil; enig bewijs bestaat er niet voor die stelling. Wie raakt er precies hopeloos in de war wanneer hij ik vindt ziet staan? Het tweede antwoord is dat het zo onbeleefd is om spelfouten te maken, onbeleefd tegen de lezer. Maar waarom die lezer het recht heeft om zich aan zoiets te storen, in een tijd waarin een mens zoveel te lezen heeft, wordt er nooit bij gezegd.

(Een derde, verborgen, argument is dat het zo dom is om fouten te maken. Maar dat gaat ervanuit dat het dom is om je te houden aan een willekeurige afspraak waar jij geen zeggenschap in hebt gehad en waar niemand mee gebaat is. Dan verklaar ik het vanaf nu ‘dom’ als mensen zich niet aan de afspraak houden dat we elkaar twee zoenen geven als we elkaar ontmoeten en dat drie zoenen een belediging zijn. Behalve op dinsdagen en, in maanden als de r in de maand zit op donderdagen: dan is het juist dom om twee zoenen te geven in plaats van drie, zoals het hoort. En trouwens ook onbeleefd. En verwarrend.)

Maar waarom spel ik dan de meeste werkwoorden goed? Waarom niet helemaal willekeurig of overal een t? Helaas, ook ik heb op school gezeten en daar zijn allerlei vormen erin gesleten. Het altijd precies ‘verkeerd’ doen kost me ook meer moeite dan nodig is.