Niet meer slapen door Willem Frederik Hermans?

“Wij krijgen niet in onze prille jeugd van Hogerhand een teken welke kant wij op moeten, zodat we, mits van goeden wille, dan ook zonder omwegen het aangewezen doel bereiken.
Pas later, als we, noodzakelijkerwijze door het verstrijken van de jaren, ergens gekomen zijn, waar dan ook, kunnen we achteraf vertellen waar we vandaan en waar we langs zijn gekomen, en ons verbeelden dat het altijd al zo had gemoeten.”
W.F. Hermans (1984) in: Waarom schrijven?

Nooit meer slapen (NMS) van W.F. Hermans is een van die boeken die ik keer op keer herlees en totnogtoe zonder hetzelfde verhaal te lezen. De roman leest als een soort detective. Af en toe maakt Hermans’ brille me ietwat iebelig en dan schakel ik over op een Donald Duck dieet, maar NMS blijft onweerstaanbaar trekken.

Toevallig las ik zo’n drie weken terug het artikel van Max van Duijn (MvD): “Bloed aan de handen van Alfred Issendorf?” in De Gids 2012/4. Ik ben half en half dezelfde mening als Van Duijn toegedaan: Alfred zou Arne best de dieperik in kunnen hebben geduwd. Alleen is dat aan de hand van de tekst (nog?) niet waterdicht door Van Duijn bewezen.
Op 04 oktober 2012 heb ik een artikel van ongeveer 4000 woorden aan De Gids gemailed (c.c. aan Max van Duijn en Willem Otterspeer, die meen ik, met een biografie over W.F.H. bezig is) en ik wacht nog op een reactie. Ik ga daarom hier niet in extenso vertellen wat ik in dat artikel uit de doeken doe, maar een paar puzzelstukjes kan ik wel vast kwijt, want de discussie over NMS kan wat mij aangaat niet rap genoeg worden voortgezet, of zelfs beginnen.

Alfreds geheim

Ten eerste het geheim waarvan in het centrale hoofdstuk 33 sprake is, betreft naar mijn idee iets heel anders de mogelijke moord op Arne door Alfred.

MvD haalt Hella Haasse erbij als getuige à charge, omdat zij in “Doodijs en hemelsteen” oppert dat Alfred zijn vriend Arne van de helling geduwd kan hebben, “Of hem beneden in het ravijn, in de rug aangevallen…?” Het bewijs dat MvD hiervoor aandraagt, vind ik niet overtuigend, maar helemaal uitsluiten doe ik de mogelijkheid niet dat Alfred Arne inderdaad een fataal zetje gegeven kan hebben. De onzekerheid hieromtrent is me bij het lezen dierbaar.

Ik vind het alleen vreemd dat mevrouw Haasse Alfreds nachtmerrie uit hoofdstuk 40 niet noemt. Max van Duijn refereert er in noot 8 aan, maar hij draait volgens mij gevolg en oorzaak om. Alfreds ervaringen in hoofdstuk 33 zijn een herinnering aan de nachtmerrie die hij in hoofdstuk 40 heeft. Dit klinkt cryptisch, maar ik leg het naderhand uit, anders zou ik te veel verklappen uit mijn artikel dat ik naar De Gids stuurde.

In dit verband vind ik het echter aardig dat Van Duijn zich aansluit bij de lezers die NMS als een herinneringsroman kwalificeren, juist omdat Alfred enkele keren beweert dat hij zich belangrijke dingen niet herinnert. In hoofdstuk 17 herinnert Alfred zich zelfs niet zich herinnerd te hebben: “Maar het verhaal dat mijn vader nog een advertentie geplaatst heeft om mij op mijn zevende verjaardag een meteoriet cadeau te kunnen geven, hoor ik werkelijk voor het eerst. Dat ik zo graag een meteoriet wilde hebben eigenlijk ook, want ik herinner mij niet het mij ooit eerder te hebben herinnerd.” Max van Duijn gelooft Alfred voor geen millimeter en helemaal ongelijk heeft hij denk ik niet.

Echter, indien Alfred Arne al gedood zou kunnen hebben, dan volgens mij toch tenminste vanuit een PTS-geestestoestand. Die angstdroom kan namelijk op een in dit kader veelzeggende manier worden uitgelegd. Ik heb dit in mijn stuk aan De Gids al zijdelings getackled, maar zal het verder uitwerken wanneer ik bericht van De Gids ontvangen heb.

definitief uitstappen

Het tweede punt betreft de laatste zin van hoofdstuk 14 die ook MvD opviel als curieus. Wanneer stap je ergens voorgoed uit? Arne verongelukt in het onderzoeksgebied, dus voor hem kan dat “voorgoed” opgaan. Maar Alfred? Inmiddels geloof ik dat Hermans de lezer hier een omineuze waarschuwing geeft: er staat iets ingrijpends te gebeuren dat maakt dat noch deze zelfde Alfred of Arne ooit weer in Skoganvarre uitstappen. Op de keper beschouwd een beetje flauw, want Herakleitos had al opgemerkt dat men niet tweemaal in dezelfde rivier kan stappen. In hoofdstuk 47 bedenkt Alfred dat ook: “Niemand kan tweemaal op hetzelfde punt beginnen. Elk experiment dat niet herhaald kan worden, is helemaal geen experiment.” Hiermee pakt W.F.H. meteen de titel mee: nooit meer slapen betekent immers evengoed: nooit meer wakker worden.

Indien Alfred Issendorf werkelijk als de moordenaar van Arne Jordal vastgepind blijkt te kunnen worden, dan zou hij inderdaad een compleet ander mens zijn dan hij was vóór Arne en hij in Skoganvarre uitstapten.

Voor eind november 2012 is een artikel van mij gepland waarin ik dit element van “definitiefheid” in heel andere context plaats en de roman vanuit een ander paradigma duid.

onbetrouwbare verteller

Indien Alfred zo’n onbetrouwbare verteller is, waarom hem wel geloven als hij vertelt dat zijn moeder een bedriegster is (hoofdstuk 27) en hem niet geloven als hij vertelt dat Arne Jordal is verongelukt zonder dat hij, zijn vriend Alfred, daar de hand in gehad heeft? Wie zegt dat Alfred de waarheid over zijn moeder vertelt, of Arne over diens vader? Alfred beweert dat hij geen boek leest uit angst te ontdekken dat zijn moeder er onzin over heeft geschreven. Dus hij weet niet eens of zijn moeder onzin verkondigt over de boeken die ze bespreekt, want hij leest geen boeken.

Toch is de wereld volgens Alfred vergeven van bedriegers die de kluit in commissie belazeren middels het bedrog van zijn moeder, door haar pseudo-kritieken klakkeloos na te praten en te gebruiken zonder bronvermelding. Alfred erkent weer wel dat zijn moeder openlijk bedrog pleegt door haar bronnen wèl te vermelden. Valt openlijk bedrog plegen onder bedrog? Of jokt Alfred ook hierover en verzwijgt Aglaia haar plagiaat wel degelijk? Zou Hermans hier ondermeer zijn geïnspireerd door Poe’s The Purloined Letter?

Over Nooit meer slapen is kortom het laatste woord nog niet geschreven of gezegd en ik verheug mij op de discussie die naar ik vertrouw, zal losbarsten over Max van Duijns en mijn recente lezingen.

 
Waarom schrijven? verscheen in 1983 bij De Harmonie in Amsterdam en werd 1984 herdrukt. 30 pagina’s; ISBN: 906 169 22 37
Deze blog verscheen eerder vandaag op Nelpunt.nl
Dit bericht is geplaatst in letterkunde met de tags , , , . Bookmark de permalink.