Herinneringen aan mijn moedertaal

Wat is het mooiste essay over het Nederlands uit de vorige eeuw over het Nederlands? Voor mij is dat Herinneringen aan mijn moedertaal van Cornelis Verhoeven. Zowel het boekje als de auteur zijn, ben ik bang, bezig om snel weg te zakken in de vergetelheid, maar daar horen ze niet.

Verhoeven was een filosoof en een classicus die stukjes schreef voor onder andere de krant De Tijd. Uit zijn werk komt hij naar voren als een beminnelijk mens die tegelijk eigenzinnig genoeg is om zijn eigen weg te gaan. Een mijmeraar die de wereld tegelijk heel precies ziet.

Die kwaliteiten zitten ook allemaal in Herinneringen.

De ‘moedertaal’ was voor Verhoeven in de eerste plaats het Middenbrabants dialect, zoals hij dat in de jaren dertig in Udenhout geleerd had. Aan de hand van allerlei woorden die hij zich uit die tijd herinnert, reconstrueert hij het wereldbeeld dat in die jaren zijn deel van de wereld moet hebben gedomineerd. Hij analyseert bijvoorbeeld hoeveel woorden er gebruikt werden voor eten, en hoeveel daarvan vooral gingen over afkeurenswaardig geachte vormen van eten (nirken ‘te langzaam kauwen’, bratsen ‘aardappels prakken’, brassen ‘knoeien met vaste spijzen’). Uit het feit dat het dialect eigenlijk nauwelijks eigen woorden voor religieuze belevingen kende, leidt hij af dat we misschien wel vraagtekens moeten stellen bij de veelbesproken religiositeit van de Brabantse boeren aan het begin van de twintigste eeuw.
Verhoeven geloofde niet in kosmopolitisme. Hij vond dat je de wereld alleen kon bezien vanuit een bepaald eigen kader – dat ieder mens noodzakelijkerwijs provinciaals is. Kosmopolitisme is alleen een soort provincialiteit die gelooft dat zoals jij de dingen ziet en doet de enige juiste is.

Verhoeven had zelf niet alleen een zeer fijn taalgevoel, maar verrast de lezer ook op bijna iedere bladzijde met een interessant inzicht. Bijvoorbeeld hoe gelaagd eigenlijk een zinnetje van één woord is, uitgesproken door een kind:

Wanneer ik mij verdiep in de taal van onze kinderen (…) valt het mij steeds weer op hoe belangrijk daarin het aandeel van ‘de taal over de taal’ is. Zij zeggen niet alleen wat zij zeggen, maar ze zeggen ook dat zij het zeggen. Toen mijn zoontje alleen nog maar ‘poes’ kon zeggen, bedoelde hij daar kennelijk niet alleen een aanwijsbare kat mee of een hond of een ander dier, maar wilde hij ook te kennen geven dat hij met ons praatte. Als hij ‘poes’ zei, zei hij soms ‘dat is een poes’, maar veel vaker ‘ik zeg poes’, ‘ik praat met jou’.

Om deze reden, zegt Verhoeven, is het onzin om sommige taal ‘primitief’ te noemen. Vanaf de dag dat we kunnen praten is onze taal, onmetelijk ingewikkeld.