Klankencyclopedie van het Nederlands (11): de [ŋ]

[ŋ] De [ŋ] (geschreven ) maak je door de achterkant van je tong tegen je verhemelte te houden (op dezelfde plaats waar je een [k] zou maken) zodat de lucht er niet door kan. Door tegelijkertijd de doorgang naar je neusholte open te houden, stroomt de lucht door de neusgaten naar buiten.

De [ŋ] kan van alles niet. Aan het begin van een woord staan bijvoorbeeld: er is geen Nederlands woord dat met die klank begint (ngal of zoiets).

Ook na een lange klinker kan hij niet staan: lang, eng, zong bestaan wel, maar laang, eeng, zoong niet. Sterker nog, die woorden klinken beslist on-Nederlands. (Laang komt nog wel in sommige dialecten voor; daarover een andere keer.) Bovendien kan [ŋ] ook niet voor een klinker staan, behalve voor een sjwa: tango spreek je uit als [tɑŋgo] of eventueel als [tɑŋɣo], maar niet als [tɑŋo]; je hebt wel bengel, angel, wrongel.


De meeste van die eigenaardigheden kun je historisch verklaren. Zoals de spelling al aangeeft, bestond [ŋ] ooit uit twee medeklinkers: een [n] en een [g] (de klank van goal). Een vergelijkbare groep medeklinkers als rg kan nog steeds niet aan het begin van een woord staan (rgal), en wel na een korte klinker (berg) maar niet na een lange (beerg). (Het enige verschil is dat rg wel voor alle soorten klinkers kan staan (ergo, erge), dus waarom [ŋ] dat niet kan, moet dus op een andere manier begrepen worden.)

Op de een of andere manier zijn die eigenschappen van [ŋ] ook in het systeem gekropen. Dat zie je aan de dialecten. In het Antwerps is bijvoorbeeld de [n] aan het eind van het woord na een lange klinker veranderd in een [ŋ]: zoon werd [zoŋ]. Belangrijk daarbij is dat de klinker tegelijk verkortte. Hoewel die Antwerpse [ŋ] niets met ng te maken heeft, kan hij toch niet na een korte klinker staan.