Een-en-twintig


Afgelopen vrijdag hield de taalkundige Geert Booij een afscheidscollege in de aula van de Universiteit Leiden. Hij legde daarbij nog een keer uit hoe hij in de loop van zijn 47-jarige carrière is gaan denken over de manier waarop woorden worden gevormd (de morfologie). Er waren ook allerlei beroemde andere morfologen die lezingen hielden, het was een mooie dag.

Eén bewering van Booij viel me op. Die ging over telwoorden zoals een-en-twintig. Booij (in de gedrukte versie):

Bovendien wordt de klinker van het nevenschikkend voegwoord en in de telwoorden doorgaans gerealiseerd als een schwa ([ə]), niet als de volle vocaal ([ɛ]):
– een-en twintig [eːn-ən-tʋIntəx]

Dit laatste lijkt mij te sterk gezegd. Ik heb Geert Booij altijd bewonderd om zijn opmerkingsgave, om steeds weer kleine details op te merken in het Nederlands. Dat we soms [ən] zeggen in dit soort telwoorden is daar een voorbeeld van, ik had er nooit bij stil gestaan. Maar dat we hem niet zouden uitspreken met een volle vocaal, (de [ɛ] is de klinker in pet), dat wil er bij mij niet in.

Blijkens het bovenstaande filmpje, dat toevallig vorige week op het internet verscheen, is het in ieder geval niet juist. Het is niet altijd duidelijk te horen, maar de dertigers en de meeste tachtigers zeggen bijvoorbeeld vrij duidelijk allemaal [ɛ]. De zeventigers zeggen daarentegen weer bijna allemaal [ə]. Dat lijkt me een aanwijzing dat de variatie niet aan een leeftijd gebonden is en dus waarschijnlijk vrij stabiel.