Linguïstisch Miniatuurtje CLVII: Het is meer lezers dat een tijdschrift kan redden

Mooie kop in de Volkskrant van afgelopen zaterdag: Het was yoghurt dat Misrata redde. Ik dacht meteen: Waarom staat daar niet die? Want het is toch de yoghurt? Waarom dan niet Het was yoghurt die Misrata redde? Maar bij nader inzien is dat een veel slechtere zin, althans, mij klinkt hij slechter in de oren. Wat is hier aan de hand? Het zal toch niet zo zijn dat dit een geval is van geslachtsverwildering, zoals je dat tegenwoordig zo vaak ziet, zoals in het boek die ik gelezen heb. Dat lijkt me alleen al vanuit mijn persoonlijk taalgevoel onwaarschijnlijk, want ik heb geen enkele neiging om iets te zeggen als De yoghurt dat op tafel staat is bedorven. En toch vind ik in de voorbeeldzin dat veel beter dan die.

Ik herken de constructie natuurlijk wel: het gaat om een zin met voorlopig onderwerp het, en de bijzin is het eigenlijke onderwerp. Het klassieke voorbeeld is het spreekwoord Het zijn niet allen koks die lange messen dragen. De betekenis is dan te omschrijven als Degenen die lange messen dragen zijn niet allen koks.

Die betekenisweergave suggereert meteen al de ontleding: de bijzin is een betrekkelijke bijzin met ingesloten antecedent. In de variant zonder voorlopig onderwerp het, met de bijzin vooraan, zou je ook kunnen zeggen: Wie lange messen dragen, zijn niet allen koks. En als dit juist is, zou in de oorspronkelijke zin ook mogelijk moeten zijn: Het zijn niet allen koks wie lange messen dragen. Maar of het nou is omdat het spreekwoord nu eenmaal anders is, of omdat dit een beetje aan Johan Cruijff doet denken, helemaal lekker klinkt die variant niet.

Het spreekwoord is misschien een geval van ouderwets taalgebruik, maar de constructie komt nog veelvuldig voor, bijvoorbeeld in: Het zijn niet allemaal bobo’s die daar op de tribune zitten. De betekenis is ook hier Degenen die daar op de tribune zitten zijn niet allemaal bobo’s.

Je zou die analyse ter discussie kunnen stellen. Het is natuurlijk best mogelijk om een bijvoeglijke bijzin bij bobo’s te zetten, dus waarom zou dat hier ook niet het geval kunnen zijn? Alleen die betekenis is misschien een wankele basis voor de ontleding. Toch is er ook een syntactisch argument. Want stel dat je een ondubbelzinnige bijzin zet bij bobo’s, dan kun je nog de oorspronkelijke bijzin handhaven: Het zijn niet allemaal bobo’s die teveel geld hebben, die daar op de tribune zitten. Nu is meteen duidelijk (ook al aan de intonatie) dat de eerste bijzin een bijvoeglijke bijzin bij bobo’s is, en de tweede bijzin niet. De tweede bijzin is dus inderdaad een ander zinsdeel, en dat kan alleen maar het onderwerp zijn.

Terug naar de yoghurt. Omzetting van de woordvolgorde bevestigt de analyse: Datgene wat Misrata redde, was yoghurt, of Wat Misrata redde, was yoghurt. In ieder geval niet *Dat Misrata redde, was yoghurt. Net zoals bij de bobo’s en de koks is de variant met die/dat op de eerste zinsplaats slecht. Hier nog slechter eigenlijk.

In de generatieve literatuur is er flink wat discussie geweest over de analyse van dit soort zinnen, die ook wel gekloofde zinnen worden genoemd (op de eerste zinsplaats, met wie/wat heten ze pseudogekloofde zinnen). Het is natuurlijk heel verleidelijk om de zin Het was yoghurt dat Misrata redde op de een of andere manier af te leiden uit de eenvoudige zin Yoghurt redde Misrata. Daar moet je dan echter wel heel wat voor doen: dummy koppelwerkwoord erbij, dummy voornaamwoord het, en de zin in bijzinsvolgorde zetten (houden, om precies te zijn). Automatisch komt dan de gedachte op dat dat ook wel eens het voegwoord zou kunnen zijn. Eventueel met een lege operator erbij om het ontbrekende zinsdeel in de bijzin te verantwoorden, als generativist schrik je niet gauw ergens voor terug.

In de meeste generatieve analyses wordt een relatie gelegd tussen het ontbrekende zinsdeel in de bijzin en het naamwoordelijk deel van de hoofdzin (yoghurt en datgene wat Misrata redde). En natuurlijk is er zeker een betekenisrelatie. Maar de syntaxis is problematisch. Je kunt namelijk ook een meervoud hebben, als in Het is alleen meer lezers dat dit tijdschrift kan redden. Zelfde structuur, maar hoe leg je nu een relatie tussen meer lezers en het onderwerp van de bijzin? Nu is er niet alleen een geslachtsverschil, maar ook een getalsverschil. Want het onderwerp van de bijzin is enkelvoud.

Voor een gewoon voornaamwoord is dit allemaal niet zo problematisch. Je kunt best met voornaamwoorden als het, dat en dit verwijzen naar abstracte zaken, ook als die door meervoudige woordgroepen worden aangeduid. Wat je dan denk ik doet is die meervoudige woordgroepen als een zin interpreteren. Neem bijvoorbeeld een geval als Meer lezers? Ja, dat zou ons kunnen redden! In deze structuur verwijst dat niet zozeer naar de woordgroep meer lezers, maar naar een soort zin waar die woordgroep een onderdeel van is. Dat kun je zelfs beargumenteren met varianten als: Binnen een jaar meer lezers? Ja, dat zou ons kunnen redden! Zo is ook het betrekkelijk voornaamwoord met ingesloten antecedent te verklaren: dat bestaat dan uit een gewoon voornaamwoord dat(gene), en een betrekkelijk voornaamwoord dat daarop aansluit.

Doorgetrokken naar het oorspronkelijke voorbeeld lijkt me dit te betekenen dat je Het was yoghurt dat Misrata redde moet zien als Het was dat er yoghurt was wat Misrata redde. Waarbij yoghurt niet zozeer staat voor het witte slijmerige goedje, maar voor de hele industrie die daaraan gerelateerd is.

Waar komt dan de voorkeur vandaan voor dat, als de bijzin achteraan staat? Ik weet niet zeker of het een voorkeur is, maar misschien is het eerder een afkeer van wat/wie. Misschien dat de constructie eerder schrijftalig is (dat wordt tenminste overal beweerd), terwijl de w-vormen met spreektaal geassocieerd worden.

Peter-Arno Coppen