Hetzelfde anders zeggen

Je kunt nooit het ene woord straffeloos vervangen door het andere. Zelfs wanneer ze precies hetzelfde betekenen – fiets en rijwiel –, zijn er nog verschillen: het een is deftiger, of platter, of dichterlijker, of ouderwetser, dan het ander. Zodra twee vormen samen dreigen te vallen, gaan mensen ze verschillende connotaties geven, of een van de twee reserveren voor bijzondere omstandigheden.

Dat geldt niet alleen voor woorden, maar ook voor uitspraakvormen, zinsconstructies en alles wat we hebben in taal. Je kunt nooit ongestraft de een voor de ander uitwisselen. (Al zijn er een paar voorbeelden te bedenken waar het heel moeilijk is om te zien wat het verschil is: Ik denk dat hij mij gezien heeft tegenover Ik denk dat hij mij heeft gezien. Daar was vroeger nog wel een regionaal verschil tussen, maar tegenwoordig lijkt de keuze volgens sommig onderzoek volkomen willekeurig.)

Wonderlijk is wel dat mensen zich nooit iets letterlijk herinneren. Wat heb ik in de eerste alinea van dit stukje gezegd? Niet terugkijken! De strekking weet u nog wel, maar u kunt het alleen in uw eigen woorden navertellen. Ik weet zeker dat er niemand is die het woord voor woord kan herhalen. Ik kan het zelf niet eens; mocht de stroom nu uitvallen zodat ik het opnieuw moest typen, dan zou ik iets anders typen. Maar hoe kan dat nu? Die eigen woorden zijn toch anders en betekenen dan toch iets anders?

Het is nog wonderlijker omdat we eigenlijk wel degelijk allerlei details lijken te onthouden. Wanneer twee mensen met elkaar praten hebben ze na afloop heel subtiele details in hun uitspraak op elkaar afgestemd. Sommige taalkundigen gaan ervan uit dat dit komt doordat we alles opslaan. Iedere keer als je een woord uitspreekt, oriënteer je je op alle eerdere keren dat je dat woord gehoord hebt, en zoekt een soort gemiddelde. Maar tegelijkertijd onthoud je dus de inhoud van het gezegd op een abstracte en onvolmaakte manier – zodat je het wanneer je het bewust probeert te reproduceren alleen kunt reconstrueren.