Wij en de buitenstaander

Heeft u een idee waarom we ‘we’ zeggen?’ vroeg de journaliste Nicole Carlier me het afgelopen weekeinde. Ze schreef er ook een leuke blogpost over (haar weblog is sowieso heel prettig om te lezen):

Ik hoor mijzelf vaak iets tegen mijn zoon zeggen als: ‘Gaan we lekker even in bad?’. Terwijl hij dan de enige is die in bad gaat. Ik help wel, maar ik ga er niet in zitten.

Er zijn van die andere verwisselingen. De beroemdste is je zeggen in plaats van ik of eventueel we, een verschijnsel dat wel voetballers-je genoemd wordt (‘dan heb je net gescoord en dan doe je zonder erbij na te denken je shirt uit’) – al hebben we het de afgelopen dagen ook vaak kunnen horen uit de mond van de vorige week overleden Gerrit Komrij, die het zelfs in gedichten gebruikte:

Vanmiddag gaf je je kat een kopje en likte haar
Staart schoon, toen ze plotseling naar je opkeek
Zoals je daar op je knieën zat, en merkbaar
Aangedaan zei ze: ‘Jongen, wat zie je bleek.’

Wat is hier aan de hand?
Zijn alle persoonlijk voornaamwoorden aan het verschuiven? Mag je ineens ieder woord voor een ander gebruiken? Dat zit wel wat ingewikkelder in elkaar. Je kunt natuurlijk niet ik of hij gebruiken in plaats van jij:

– Ik moet nu je bord leegeten. 

– Hij moet nu je bord leegeten.

Hoe zit dat in elkaar? Vaak worden de persoonlijk voornaamwoorden in een tabel gezet zoals het volgende:

Enkelvoud Meervoud
1e persoon Ik Wij
2e persoon Jij Jullie
3e persoon Hij/zij/het Zij

Die tabel is in veel opzichten te simpel. In de eerste plaats zijn er duidelijke verschillen tussen de eerste en de tweede persoon enerzijds en de derde anderzijds. De eerste twee zijn deelnemers aan het gesprek, maar de derde persoon staat daar buiten: er is voor iedere zin een ik nodig die hem zegt (ook al komt dat woord er verder niet in voor) en ook een jij die ernaar luistert (als mensen tegen zichzelf praten stellen ze zich toch nog een gesprekspartner voor). Ook gaat iedere zin op een bepaalde manier over ik en jij maar niet per se over hij. Wanneer ik zeg:

– Het regent buiten.

betekent dat onder andere ook:

– Ik wil dat jij weet dat het buiten regent.

Maar wanneer ik zeg:

– Ik houd van jou.

komt daar geen derde persoon aan te pas. We noemen de eerste en de tweede persoon daarom nu even eerste deelnemer en tweede deelnemer, afgekort D1 en D2, en de derde persoon buitenstaander (B). Die nummers geven bovendien een rangorde aan: de eerste persoon is noodzakelijker dan de tweede, want zonder spreker is er echt geen zin.

Er is nog iets met de tabel hierboven: het is eigenlijk onzin om wij “eerste persoon (D1) meervoud” te noemen: er wordt zelden mee bedoeld dat er meer dan één persoon tegelijkertijd de zin uitspreekt – zoals in de koren van klassieke toneelstukken gebeurt. ‘Wij’ betekent dan ook iets anders, namelijk ‘ik en iemand anders’. Die iemand anders kan ‘jij’ zijn (‘We gaan nu gezellig samen naar de kerk’) of een derde (‘Wij willen liever niet dat jij nog op bezoek komt’). En in die zin betekent wij dus eigenlijk D1+D2 of D1+B (of eventueel D1+D2+B). Er zijn ook talen die verschillende woorden gebruiken: in het Ojibwa, een Canadese indianentaal, zeg je jing voor ‘wij, jij ook’ en jaang voor ‘wij, jij niet’. (In dit artikel op Kennislink wordt het allemaal nog een keer uitgelegd.)

Voor de ‘tweede persoon meervoud’ geldt iets soortgelijks. Het is weliswaar mogelijk dat meerdere mensen naar een zin luisteren, maar eigenlijk doet dat er niet toe: je zegt net zo goed jullie tegen een groep waarvan er maar een luistert (‘Ga jij eens even tegen je vrienden zeggen dat jullie stil moeten zijn’). En jullie betekent dus zoveel als D2+X. Alleen zij (derde persoon meervoud) is dus een echt meervoud.

De veranderingen in het Nederlands blijven steeds binnen de verzameling deelnemers, maar gaan als het ware van binnen naar buiten in de betrokkenheid: ik (D1) wordt je (D2, wel een deelnemer aan het gesprek, maar niet ‘ik’), jij (D2) wordt we (D1+D2). De derde persoon, de buitenstaander, blijft er vooralsnog buiten.