Raar

De r en de l vormen samen de groep van de liquidae, de vloeiklanken, die zo heten omdat  de lucht vrijelijk langs de tong kan uitstromen. Hun articulatieplaats is dezelfde, maar bij de ene, de l, ligt de tong stil, bij de andere ratelt die r. Dat ratelen is trouwens maar betrekkelijk: er zijn heftige ratelaars, de tongpunt r bijvoorbeeld, en er zijn r’s waarbij de tong nauwelijks of niet beweegt. Door hun identieke articulatieplaats zijn ze sterk verwant. Dat blijkt bijvoorbeeld doordat ze in sommige talen in elkaars plaats kunnen komen.  Dat is mooi te zien bij de leenwoorden in ’t Surinaams,  ’t Sranan.

Als de gevende taal een r heeft, heeft ’t Sranan daar vaak een l van gemaakt. In  ’t Latijn heet de witte rijst oryza (‘rijst’), ’t Sranan heeft aleisi. Nog een paar voorbeelden:  ’n randis ’n lanki; recht is leti; rijp is lepi. Maar ’t omgekeerde, van een l een r maken komt ook voor,  misschien nog wel meer dan ’t eerste: een pijl is een peiri; een bloem een bromki; kill (Engels ‘doden’) werd kiri; tellen is teri en place (Engels ‘plaats’) presie.  Een blanke  is een bakra, met een afstandsmetathesis van de r naar de tweede lettergreep. Alle twee de veranderingen hebben we in rijstmolen, Sranan: aleisimiri en in krullen dat kloru werd.

De verwisselbaarheid van r en l  geeft aan dat ze fonologisch gezien gelijkwaardig zijn. In het Nederlands blijkt de gelijkwaardigheid van l en r onder andere hieruit dat ze alle twee met dezelfde medeklinkers tot een cluster gecombineerd kunnen worden. Wat voorbeelden: bries/ bles; fris/fles; gras/glas; kras/klas; praat/plaat. Met meer medeklinkers ook: spriet/spleet. En op ’t woordeinde: werp/welp; werk/welk; scherps/wulps, kwarts/wilds, enzovoorts.

Die gelijkwaardigheid heeft z’n grenzen want naast trees bestaat niet *tlees  (vandaar dat sterretje); evenmin *wleed naast wreed. En bij de drieledige clusters kan stroop wel, maar *stloop niet. Maar omgekeerd, dat wil zeggen na de klinker, en in omgekeerde volgorde, kunnen ze weer alle twee:  erts/olts.

Maar als we kijken naar combinatiemogelijkheden van r en l met een klinkers dan blijken er opeens curieuze verschillen te bestaan. Zo kan een woord dat zowel met een rbegint als met een r eindigt alleen een lange klinker hebben: raar, reer (verkort uit reder, net als leer uit leder), reur ‘beweging,  rier (Friese benaming voor jonge koe), roer, roor (verkorting van tressoor ‘schotel’), Ruurlo (plaatsnaam). Maar de combinatie R-korte klinker-R komt in ’t Nederlands niet voor:  *rar*, *rer,  *rir, *ror, De combinatie L-korte klinker-L is daarentegen weer heel gewoon: lal, lel, lil, lol, lul.  Maar combinaties met een lange klinker en tweemaal een l zijn nu juist onmogelijk: *laal, *leel, *leul, *liel, *loel, *lool, *luul.

Woorden met een l aan het begin kennen geen beperkingen:  laaf/laf, laak/lak, lam/leem, lek/leen, las/lees, lat/laat, lor/leer, lot/laat,  enzovoorts en ook woorden met een l aan het eind van de lettergreep zijn met alle klinkers mogelijk: bal/ baal, dal/dool, fel/faal, gal/geel, enzovoorts.
Bij de r precies hetzelfde verhaal, alles kan: rad/raad; red/reed; rot/rood; rit/riet, enzovoorts. En op ’t eind: kar/maar; per/peer; por/voor; kir/kier, enzovoorts.  Maar gedubbeld zijn de mogelijkheden van l en r beperkt.

Dat de combinatie R-korte klinker-R op zich niet onmogelijk is voor Nederlanders bewijst de formatie Rur  Dat is wel een verzonnen naam (van een voormalig TV-programma), maar we kunnen ’m moeiteloos uitspreken.  Maar ’t Nederlands heeft van deze combinatie verder geen gebruik gemaakt.

L en r zijn dus wat hun mogelijkheden bij klinkers betreft perfect complementair. Wat ze gemeen hebben is dat ze maar met één type klinker gecombineerd kunnen worden, of een lange of een korte. Bij de meeste andere medeklinkers bestaat die beperking niet:  pap/paap, non/neen, tot/tiet, kik/keek, sas/soos.

Wat is er zo bijzonder aan die r en die l dat ze ieder maar één van die mogelijkheden kennen?  Of liever dat ’t Nederlands bij ieder maar één van de twee mogelijkheden benut heeft.