Het vogelmotief in ‘De Binocle’ van Louis Couperus

In 1920 publiceerde Louis Couperus het verhaal ‘De binocle’ in De Haagse Post. Het werd een klassieker en wordt tot op de dag van vandaag in het onderwijs veel gebruikt. (1) Vooral omdat de naturalistische noodlotsgedachte erin terug te lezen is en omdat de docent het fenomeen Leitmotiv er goed mee kan behandelen. Het Leitmotiv is de vogel; de vraag is waarom Couperus voor de vogel gekozen heeft en niet voor – bijvoorbeeld – de clown, de deurklink of de ingescheurde teennagel? Nou, daar had hij zo zijn redenen voor.

Eerst een korte samenvatting van het verhaal. Een jonge Indo-Nederlander is als toerist in Dresden en besluit om een opera te bezoeken: de Walküre van Wagner. Hij is in zijn schik, aangezien hij een goedkope, maar volgens hemzelf goede plek voor de opera heeft kunnen bemachtigen: de eerste rij op de vierde rang. Net voor het sluiten van de winkels besluit hij een binocle te kopen om optimaal te kunnen genieten van de opera. Hij komt hij terecht in een donkere winkel, waar hij geholpen wordt door een opticien met een vogelgezicht. De jongeman voelt zich niet op zijn gemak, maar koopt toch een binocle, een zwaar model, op aanraden van de opticien. ’s Avonds bezoekt de jongeman de opera. Zijn oog valt door een ‘fladderdalend’ programma op een kale man. De vrouw naast hem, een vrouw met duivegrijs haar, vangt het programma uit de lucht. Naarmate de avond vordert, krijgt de jongeman de onweerstaanbare neiging zijn binocle naar het kale hoofd te slingeren. Nog voor de eerste acte uitgezongen is, vlucht de jongen van het balkon om tot bedaren te komen. Hij probeert zijn gevoelens te rationaliseren, maar kijkt voor de zekerheid de rest van het stuk in de doorgang af. De jongeman neemt zich voor nooit meer op die plek te zitten en verlaat het pand zonder zijn binocle. Vijf jaar later is de jongeman bij toeval voor de tweede maal in Dresden: hij heeft inmiddels succes in het leven verworven. Ook nu is er een uitvoering van de Walküre, maar als de jongeman besluit te gaan, is deze al uitverkocht. Wanneer de journalist weg wil gaan, komt er iemand naar het loket en annuleert zijn plaats: de jongeman kan de opera bezoeken. In een flits herkent hij een vogelgezicht, maar besteedt er verder geen aandacht aan. De plek is op de vierde rang, eerste rij. Voor aanvang van de opera vraagt een ouvreuse de jongeman of hij een kijker wil huren: hij herkent zijn eigen binocle! Tijdens de opera slingert hij zijn kijker naar beneden, naar de plaats van de kaalschedelige man. Doch een andere bezoeker krijgt hem op zijn hoofd, diens hersens spatten uiteen. (2)
Het noodlot is een veelvoorkomend thema in het werk van Couperus, één van zijn boeken is zelfs getiteld Noodlot. (3). Het Couperiaanse noodlot hangt samen met de deterministische factoren die we terugzien in de naturalistische literatuur van het eind van de negentiende eeuw. Hippolyte Taine was de Franse denker die voor een groot deel verantwoordelijk was voor de deterministische filosofie: een vrije wil bestaat niet, het menselijke lot wordt bepaald door die deterministische factoren. Franse schrijvers als Emile Zola en Guy de Maupassant omarmden deze levensopvatting in hun literaire werk; Couperus is in Nederland de belangrijkste vertegenwoordiger. (4)
De noodlotsgedachte in ‘De binocle’ wordt aangekondigd door de titel van de opera: Die Walküre. De Walkuren zijn in de Noordse mythologie de godinnen die op het slagveld op zoek zijn naar gesneuvelde helden om hen te begeleiden naar het Walhalla. Strijd en dood zijn twee belangrijke associaties die horen bij de Walkuren. Dat de Indische toerist juist naar Die Walküregaat, is een vooruitwijzing naar de strijd en dood die geleverd gaat worden in de schouwburg.  (5)
En strijd levert de hoofdpersoon! Zijn strijd zal hopeloos zijn en eindigen met de dood, want het noodlot is dat de jongeman de kijker móet gooien, hij kan niet anders. De eerste keer in Dresden weet hij nog te ontsnappen aan het lot, maar de tweede keer kan hij er niet onderuit. Dit noodlot zit ingebakken in de afkomst van de man, omdat hij een ‘Indo-Nederlander, journalist, een fijne jongen, enigszins nerveus aangelegd, zeer zachtzinnig trots zijn tropisch bloed’ is. Met andere woorden: hij is een man van gemengd bloed. Dit gemengde bloed, deze erfelijkheid volgens het determinisme van Taine, impliceert veel meer dan we zouden denken. Halfbloeden zijn onevenwichtige personen, juist omdát hun bloed gemengd is, gemengd is namelijk gelijk aan onevenwichtig. Halfbloeden zijn niet zuiver en tobben hun hele leven met dit besef. Zo’n labiele Indo met neurasthenische aanleg moet natuurlijk ook helemaal niet bovenin een operagebouw gaan zitten: de afgrond en de kale schedel maken hem labiel. Tel daarbij op de heftige emoties die een opera oproepen en alles wordt (volgens het determisme) te veel. Dit klinkt nu ronduit racistisch, maar aan het eind van de negentiende eeuw was het de normaalste zaak van de wereld om dat te vinden. (6)
Dat de jongeman beter niet naar de opera was gegaan, had hij kunnen weten, de tekenen wezen hem daarop. Dat de man overal vogels ervaart, had voor hem de aanwijzing moeten zijn dat hij op de verkeerde weg was, sterker nog, de man wist het zelf: ‘En nauwlijks was de toerist binnen of het doorflitste hem, dat hij verkeerd deed en beter zou doen de winkel te verlaten (…).’ Er zijn in dit korte verhaal zoveel vogeltekenen dat we zeker van een Leitmotiv kunnen spreken, een inventarisatie:
– De man koopt een kaartje voor de vierde rang, hoog bovenin het operagebouw, zodat hij als het ware de opera in vogelperspectief te zien krijgt.
– ‘(…) omdat het gezicht van die winkelier een onbehaaglijke vogeltronie geleek.’
– ‘Plotseling bedacht hij, dat hij dat vogelgezicht van die opticien werkelijk onbehaaglijk had gevonden.’
– ‘(…) hij zag het programma fladderdalen (…).’ ‘Fladderdalen’ is een typisch Couperiaans neologisme waarin we de bewegingen van een vogel proeven.
– ‘(…) wier hand het programma als een vogel nu greep.’
– ‘(…) de reeds opgemerkte duivegrijze dame (…)’
– ‘(…) dit onbehaaglijke vogelgezicht (…)’
– ‘(…) een duivegrijze dame (…)’
Terug naar de vraag waarom Couperus voor de vogel als Leitmotiv gekozen heeft. De sleutel hiertoe ligt in het feit dat de jonge toerist van Indische afkomst is. Met zijn Indische culturele bagage interpreteert de man de vogels die hij ziet, hij interpreteert hen als negatief: de onbehaaglijke vogeltronie – tegelijk wil zijn Europese achtergrond de interpretatie ongedaan maken. De Europeaan in hem is rationeel, Europeanen geloven niet in tekenen. Het gevoel dat hij ‘verkeerd deed’ door de verrekijker te kopen was ‘ongemotiveerd en vaag’ en werd ‘geen logisch bewustzijn’.
De man had de logisch denkende Europeaan in hem moeten laten varen, hij had er beter aan gedaan zijn Indische achtergrond en milieu voorrang te geven. In de Indische mythologie komt de vogel als angstaanjagend wezen voor. De bekendste vertegenwoordiger van de Indische vogel is Garoeda, het nationale symbool van Indonesië en Thailand. Garoeda wordt dikwijls afgebeeld als een wezen met kop, bek, vleugels en staart van een arend, maar met de romp en de ledematen van een mens. Hij heeft een wit gezicht, rode vleugels en een goudkleurig lichaam. Bij de Garoeda-beelden van Oost-Java is de vooruitgestoken snavel langer en scherper voorgesteld. Ook de voeten zijn veelal in klauwen omgezet, terwijl de haardos herinnert aan die van de Balinese mensenetende reuzen met hun uitpuilende ogen en slagtanden (vaak worden deze beelden als tempelwachter gebruikt). Kortom, we hebben te maken met een angstaanjagende verschijning. Toch vormt Garoeda geen direct gevaar voor de mens, hij is een slangeneter. (7)
Garoeda is niet de enige vogel die ertoe doet, ook andere vogels grijpen in in je leven. De Batak op Sumatra versieren hun huizen met vogels en slangen, om zich te beschermen tegen vijanden en kwaadaardige geesten. Ook op Borneo spelen vogels een rol, en wel als boodschapper, vooral de havik, de specht, de gestreepte ijsvogel, de gekuifde gaai en de dwergspecht. Volgens een mythe van de Iban op Borneo bezocht Siu (een leidsman) de godheid Singalang Burong in de hemel. Hij kreeg de volgende boodschap van de god:
‘Ik ben het hoofd van de geestenwereld en ik heb de macht om alles wat de mens onderneemt succesvol te laten verlopen. Je kunt mijn hulp inroepen wanneer je maar wenst. Bied me dan offers aan, vooral voordat je de strijd met je vijanden aangaat. In het dagelijks leven zullen mijn schoonzonen je vertellen of wat je doet goed is, of slecht. Bij het werk dat je onderneemt, moet je letten op de stemmen van de heilige vogels. Deze vogels vertegenwoordigen mijn schoonzonen en via hen maak ik mijn wil bekend aan de mensen. Als je hen hoort, bedenk dan dat ik het ben die spreekt. Wat je ook doet, of je werkt op het land, een huis bouwt, vist, of jaagt, waar je ook bent, doe altijd wat deze vogels je aangeven. Als je een feest geeft moet je mij een offer brengen en mijn schoonzonen vragen deel te nemen aan het feest. Als je je niet houdt aan al hetgeen ik je gezegd hebt, zal er zeker iets onaangenaams met je gebeuren. Ik ben bereid jullie te helpen en welvaart te geven maar ik verwacht daarvoor respect en tolereer niet dat men mij niet gehoorzaamt.’ (8)
De functie van de vogels is in ‘De binocle’ is dus een waarschuwende: de jonge toerist ziet overal vogels. Vanuit zijn Indische achtergrond had hij deze vogeltekenen serieus moeten nemen: ga niet naar de opera. Dat hij deze waarschuwingen in de wind sloeg, is zijn noodlot. Aan de vogels heeft het niet gelegen.
Bas Jongenelen
Rudie Verbunt
Noten
1) Het verhaal wordt al jaren gebruikt in de methode Literatuur, geschiedenis en theorie van J.A. Dautzenberg, uitgeverij Malmberg te Den Bosch. Een lesbrief over dit verhaal is Véronique Damoiseaux, ‘‘De binocle’ van Couperus in de klas: intertextualiteit als uitgangspunt voor vakoverstijging’, in: Tsjip, afl. 2 (1996), pp. 63-75.
2) Dat de kaalschedelige heer niet het slachtoffer is, wordt aannemelijk gemaakt in Diana van Dijk, ‘Wie is de ‘noodlottige getroffene’ in het verhaal ‘De binocle’ van Couperus?, in: Revisor, afl. 4 (1984), pp. 81-83.
3) P. Kralt, ‘Het noodlot, de extase en de eenvoud: over een thema in het werk van Louis Couperus’, in: Literatuur, afl. 3, (1997) pp. 146-153. J. Fontijn, ‘In de greep van het noodlot: over ‘De binocle’’, in: Revisor, afl. 2 (1975), pp. 32-39.
4) Over het naturalisme in het algemeen en de verwerking ervan in de Nederlandse literatuur, zie Ton Anbeek, De naturalistische roman in Nederland, Amsterdam 1982.
5) Damoiseaux, pp.65-68. Edda, vertaald door Marcel Otten, Baarn 1994, pp. XX et passim.
6) Basil D. Kingstone, ‘Couperus’ “De Binocle”, its antecedents and its meaning’, in: Canadian Journal for Netherlandic Netherlandic Studies, vol. 19 (1998), afl. 2 (fall), p. 4. Mary Kemperink, ‘Louis Couperus en de temperamentenleer’, in: Literatuur, afl. 1 (1992), pp. 2-7. Leo Ross, ‘Van oude mensen als Indische roman’, in: Literatuur, afl. 1 (1985), pag. 18-24.
7) M. Bossenbroek (ed.), Weerzien met Indië – deel 4: Stille krachten, Zwolle 1994, p.95
8) M. Bossenbroek (ed.), Weerzien met Indië – deel 4: Stille krachten, Zwolle 1994, p.96.