Jürgen Pieters: Weg met de neerlandistiek?

Ik zal mezelf nooit een neerlandicus noemen, al heb ik er eerlijk gezegd ook geen moeite mee wanneer anderen dat in mijn plaats wel doen. Mijn eerste stappen in de wetenschap zette ik op het gebied van de Amerikaanse letterkunde, met een verhandeling over de kortverhalen van Raymond Carver. Daarna ging ik verder in de theoretische literatuurwetenschap, met een bijkomend afstudeerwerk over Paul de Man, een landgenoot die al lang geëmigreerd was toen hij bekend werd als roerganger van de deconstructie. In diezelfde discipline schreef ik mijn proefschrift over het New Historicism van Stephen Greenblatt. Pas sinds een vijftal jaar ben ik in de neerlandistiek terechtgekomen, na meer dan één omweg dus. Ik voel me eerlijk gezegd nog steeds een buitenstaander in de discipline waarvan we in deze reeks bijdragen de toekomst onder de loep nemen. Vanuit dat zijdelingse perspectief wil ik niettemin graag een aantal uitspraken doen over wat ik zie als die toekomst, maar men moet wat ik te zeggen heb nemen voor wat het is: een reeks opmerkingen vanuit de marge.

Het vraagteken in de titel van mijn bijdrage is volkomen ernstig bedoeld. Ik heb zelf geen antwoord op de vraag of ‘ neerlandistiek ’ een categorie is die haar beste tijd heeft gehad. Ik wijs gewoon op een aantal ontwikkelingen die mee bepalen wat we vandaag onder de categorie verstaan. Mogelijk ga ik er in wat volgt te zeer van uit dat het begrip vroeger stond voor een relatief homogene groep vertegenwoordigers, die meer met elkaar gemeen hadden dan vandaag in de neerlandistiek het geval is. De vlag van de neerlandistiek dekt een lading die steeds heterogener wordt. Of dat een probleem is – moet er een nieuwe vlag worden gezocht, of kan de lading maar beter verdeeld worden in verschillende nieuwe disciplinaire entiteiten die vervolgens onder eigen vlag kunnen gaan varen? – is de vraag die mijn bijdrage aan de orde stelt, zonder ze evenwel te beantwoorden. Ik wil in de eerste plaats een stand van zaken schetsen. Het trekken van de grote conclusie die mijn titel lijkt te suggereren, laat ik liever aan anderen over.

Net als de meeste disciplines wordt de naoorlogse neerlandistiek gekenmerkt door een steeds toenemende mate van wetenschappelijke vakspecialisatie. Neerlandici die vandaag promoveren, zijn in de eerste plaats geen neerlandici meer, maar taalkundigen of letterkundigen. De voorbije decennia hebben aangetoond dat deze twee takken van de wetenschap steeds verder uit elkaar groeien, zowel binnen als buiten de neerlandistiek. Taalkundige neerlandici hebben intussen meer gemeen met linguïsten die een andere Europese taal bestuderen, dan met onderzoekers die zich specialiseren in de letterkunde van de taal die hun onderzoeksobject is. In de opleidingen Nederlands die ze samen aanbieden, kunnen taalkundige en letterkundige neerlandici elkaar nog wel ontmoeten, maar meer dan een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor die ene gedeelde opleiding lijkt hen niet langer te binden. Ze gaan niet of nauwelijks naar elkaars lezingen of studiedagen, ze publiceren hoogst zelden in dezelfde tijdschriften en ze spreken niet langer dezelfde wetenschappelijke taal.

Dat dit alles een reden is om deze opleidingen maar meteen af te schaffen, wil ik voor alle duidelijkheid niet gezegd hebben. Wel denk ik dat het steeds verder uit elkaar groeien van taalkunde en letterkunde als wetenschappelijke praktijken een gegeven is waarmee deze opleidingen de komende tijd in toenemende mate rekening zullen moeten houden. Achttienjarigen die een taal willen gaan bestuderen – of het nu een vreemde taal is dan wel de moedertaal – beogen niet noodzakelijk een specialisatie in een van de twee wetenschapsdisciplines die in de traditionele neerlandistiek worden verenigd en waartoe, zeker in Vlaamse universiteiten, de studie van het Nederlands nog al te zeer lijkt te worden beperkt. Wie Nederlands studeert, wil mogelijkerwijze ook een en ander te weten komen over de geschiedenis, de kunst en de cultuur van het bestudeerde taalgebied. Dat zijn onderwerpen die in de huidige opleidingen Nederlandse taal- en letterkunde weliswaar aan bod komen, maar minder centraal dan in het soort opleiding dat ik me voorstel bij een interdisciplinair programma ‘ Dutch studies ’ .

Ook de letterkundige neerlandistiek kent een groeiende mate van specialisering, die haar vertegenwoordigers in de toekomst wel eens zou kunnen gaan verdelen in plaats van verenigen. Naast en soms ook wel tegenover elkaar staan sinds enige tijd specialisten van de moderne Nederlandse letterkunde en van de historische Nederlandse letterkunde. Veel hebben die niet altijd met elkaar gemeen. Zelfs over de vraag welke chronologische grens hen van elkaar scheidt, zullen ze het niet snel eens raken (1800? 1880? 1945?). Af en toe zal er wel eens een eenling zijn die de brug slaat tussen de historische en de moderne letterkunde, maar die eenling zal snel als een amateur worden beschouwd op minstens een van beide gebieden. Ook hier zorgt de cultuur van de specialisatie voor nieuwe scheidslijnen binnen de neerlandistiek. Onderzoekers die actief zijn op het gebied van de studie van de moderne Nederlandse letterkunde zullen zich doorgaans meer verbonden voelen met specialisten van anderstalige auteurs uit dezelfde periode dan met collega ’ s neerlandici die zich specialiseren in een van de eeuwen die de historische letterkunde uit hun taalgebied omvat. Zo ook zullen neerlandici die op het gebied van de Middeleeuwen of de vroegmoderne letterkunde actief zijn, meer gemeen hebben met mediëvisten uit de Franse of de Duitse letteren of met Engelse of Italiaanse Renaissancisten dan met neerlandici die zich met modernistische en postmodernistische auteurs bezighouden. Initiatieven op het gebied van het transhistorisch onderzoek naar de Nederlandse letterkunde zijn uiterst zeldzaam geworden en de weinige voorbeelden die er nog zijn, leveren zelden de gewenste resultaten op. De Cross-Over -conferenties die een paar jaar geleden werden opgestart, zijn een caseinpoint : op deze studiedagen staan modernisten en historisten wel broederlijk en zusterlijk naast elkaar geprogrammeerd, maar slechts heel af en toe is er een onderzoeker die de transhistorische oversteek waagt die in de titel van deze conferenties hoog wordt gehouden.

Op het gebied van de historische letterkunde is het nationalistische of monolinguïstische model dat in het ideaal van de neerlandistiek vervat zit (de ene ‘ nationale ’ taal definieert het onderzoeksobject) historisch gesproken een aberratie. Wie de literatuur wil bestuderen die in de Gouden Eeuw in de Republiek werd geproduceerd, kan zich maar beter niet beperken tot teksten die in het Nederlands werden geschreven: de lokale tekstenmarkt was in meer dan een opzicht meertalig, met drukken in het Latijn, pamfletten in het Engels en emblemen in het Frans. Wie het wezen en het functioneren van de Nederlandstalige literatuur uit de Gouden Eeuw wil doorgronden, doet er daarnaast ook goed aan teksten van Vondel, Huygens en Hooft te lezen naast en samen met teksten van Vergilius, Donne en Petrarca. Bij het naast elkaar zien staan van deze zes namen, zal menig neerlandicus de gedachte bekruipen dat ‘ onze ’ auteurs lang niet het niveau halen van de drie internationale grootheden waarmee ik ze in een adem vernoemde. Die gedachte moeten we in de toekomst maar wat meer onderdrukken, vind ik, in de overtuiging dat Hooft en Huygens juist aan gewicht kunnen winnen in een confrontatie met Petrarca en Donne. Ze worden interessanter door de confrontatie, niet vlakker of saaier. Neerlandici moeten zich om die reden naar mijn gevoel ook niet beperken tot het bestuderen van teksten die in het Nederlands zijn geschreven. Neerlandici mogen best ook wat meer vergelijkend werken, met een oog op de internationale omgeving waarbinnen ons taalgebied zich bevindt en met een ander op de al even internationale academische gemeenschap waarbinnen ons werk steeds meer wordt gedefinieerd.

Moet wat ik in deze korte bijdrage aan de orde stelde worden gezien als een reeks argumenten om de neerlandistiek dood te verklaren? Ik zou zelf denken van niet. Hoogstens wordt de discipline door de ontwikkelingen die ik aanstipte gevarieerder, een huis met meer kamers dan voordien het geval was, een huis in elk geval waar ik niet noodzakelijk mijn enige, vaste stek wil hebben, maar waar ik me niettemin toch ook wel thuis voel.