Neder-L, no. 0205.c (tijdschriftenoverzicht)

Subject: Neder-L, no. 0205.c (tijdschriftenoverzicht)
From: BJP Salemans
Reply-To:Elektronisch tijdschrift voor de neerlandistiek
Date:Fri, 31 May 2002 16:11:16 +0200
Content-Type:TEXT/PLAIN
                           *********************
*-Tiende-jaargang---------- Neder-L, no. 0205.c -----------ISSN-0929-6514-*
|                                                                         |
|      ************************************************************       |
|      * Neder-L, elektronisch tijdschrift voor de neerlandistiek *       |
|      ************************************************************       |
|                                                                         |
| Maandelijks tijdschriftenoverzicht                                      |
| ==================================                                      |
| (1) Tyd: 0205.28: Moer, jrg. 34, no. 2, 2002                            |
| (2) Tyd: 0205.29: Onze Taal, jrg. 71, no. 4, april 2002                 |
| (3) Tyd: 0205.30: Onze Taal, jrg. 71, no. 5, mei 2002                   |
| (4) Tyd: 0205.31: Vaktaal, jrg. 14, no. 3/4, 2001                       |
| (5) Tyd: 0205.32: De Zeventiende Eeuw, jrg. 17, no. 2, november 2001    |
| (6) Tyd: 0205.33: ZL, jrg. 1, no. 3, mei 2002                           |
| (7) Tyd: 0205.34: Lijst redacteurs tijdschriftenoverzicht Neder-L       |
| (8) Informatie over Neder-L                                             |
|                                                                         |
*--------------------------                     -------------31-mei-2002-*
                           *********************

(1)-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-Neder-L-bericht, no. 0205.28=-=
MOER, TIJDSCHRIFT VOOR HET ONDERWIJS IN HET NEDERLANDS, jaargang 34, nummer 2, 2002.
ISSN 0166-3755.
Door: Herman Giesbers, Bedrijfscommunicatie Letteren, KUN.
Nijmegen, 18 mei 2002.

  • Eva Tol-Verkuyl.
    Youp van ’t Hek taalkundig bekeken. Een taalkundige motivering voor taalbeschouwingsonderwijs. Blz. 50-60.
    (Taalkundige kennis is van wezenlijk belang voor goed en juist taalgebruik, maar het is niet altijd even duidelijk hoe we taalkundige kennis, vanuit het taalgebruik bezien, moeten interpreteren. Volgens Eva Tol-Verkuyl geeft het concept van de taalgebruiksgrammatica aanwijzingen voor een taalbeschouwingscurriculum dat kan voorzien in deze behoefte. Aan de hand van de column ‘Supporter’ van Youp van ’t Hek toont zij overtuigend aan hoe vanuit een taalkundige invalshoek de samenhang tussen uitingen kan worden verantwoord.)
  • Carry van de Guchte.
    Trucs om taal te leren. Taalleerstrategieen in ‘Zin in Taal’. Blz. 61-69.
    (Mensen gebruiken allerlei trucs om taal te leren. Op vakantie in Italie bijvoorbeeld raden ze dat het woord ristorante op een ruimte met tafeltjes en een bar wel restaurant zal betekenen. Eenmaal daar gezeten vragen ze aan de ober wat voor gerecht er met een bepaald woord op de menukaart wordt bedoeld of raadplegen ze hun reiswoordenboekje. Vaak onbewust wordt zo gebruik gemaakt van taalleerstrategieen: de betekenis van een woord raden uit de vorm van het woord of uit de context, hulp vragen om achter de betekenis van een woord te komen of het woord opzoeken in het woordenboek. In ‘Zin in taal’, een taalmethode voor de basisschool, hebben taalleerstrategieen een plaats gekregen in de leerlijn woordenschat. Carry van de Guchte beschrijft de speelse wijze waarop kinderen bewust gebruik kunnen maken van deze strategieen om hun woordenschat uit te breiden.)
  • Joyce Vermeeren.
    Doelbewust inburgeren. Verslag van de presentatie van de ‘Visietekst inburgering NT2’. Blz. 70-72.
    (De resultaten van de inburgercursus voor nieuwkomers zijn zorgwekkend. Ondanks 500 lesuren Nederlands beheerst 60 procent van de cursisten amper de Nederlandse taal. In de onlangs gepresenteerde ‘Visietekst inburgering NT2’ wordt de conclusie getrokken dat het roer drastisch om moet. De inburgercursus dient onderdeel te zijn van een individueel gericht loopbaantraject. Het leren van de taal moet in de maatschappij plaatsvinden. Het onderwijs dient slechts ter ondersteuning van praktijksituaties. Joyce Vermeeren geeft een verslag van de presentatie.)
  • Joyce Vermeeren.
    Het huis van mijn grootmoeder. Ontmoet langs de digitale snelweg 18.000 grootmoeders … Blz. 73-75.
    (Wie ‘Het huis van mijn grootmoeder’ bezoekt, ziet eeuwen, landen, culturen aan zich voorbij trekken. Generatiekloven worden moeiteloos overbrugd. ‘Het huis van mijn grootmoeder’ is een gigantisch intercultureel uitwisselingsproject langs de digitale snelweg. Naast de interculturele insteek blijken alle taalvaardigheden multimediaal aan bod te komen.)
  • Recensie, blz. 76-79.
    <Door: Charles Kalkhoven:> M. Verhallen & R. Walst, Taalontwikkeling op school. Handboek voor interactief taalonderwijs. Coutinho, Bussum, 2001.
  • Leesvoer, blz. 40-42:
    . Michel C. Vrisekoop, Grammaticale termen. Het gereedschap voor elke taal. Coutinho, Bussum, 2001.
    . Ton den Boon, Stijlfiguren. Sdu Uitgevers, Den Haag, 2001.
    . Genootschap Onze Taal, Pierewaaien. Wat weet u van de herkomst van onze woorden? Sdu Uitgevers, Den Haag, 2001.
    . Peter van der Geer, De kunst van het debat. Sdu Uitgevers, Den Haag, 2001.

(2)-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-Neder-L-bericht, no. 0205.29=-=
ONZE TAAL, jaargang 71, nummer 4, april 2002.
ISSN 0165-7828.
Door: Jac Aarts, m.m.v. Jacques Bennis
Arnhem, mei 2002.

  • Peter Burger.
    Van aanschaafschaaf tot zuurkoolzaad. Fopdrachten als aprilgrap en ontgroening. Blz. 80-83.
    (Vorig jaar riep Burger z’n lezers op voorbeelden te geven van ‘fopopdrachten’. Inmiddels telt zijn verzameling honderden fictieve gereedschappen, drogisterijartikelen en andere boodschappen waarmee onnozele halzen op pad werden (en soms nog worden) gestuurd. De aprilgrap blijkt een kwijnend cultuurgoed. Alleen in hierarchische organisaties als bijvoorbeeld ziekenhuizen en het leger gedijen de grappen nog. Ondanks hun populariteit is slechts een handvol van deze woorden opgenomen in Van Dale en het WNT.)
  • Taaladviesdienst.
    Vraag en antwoord. Blz. 87.
    (Wanneer schrijft en zegt men “stagiair” en “stagiaire”? Waarom wordt de “u” in “crux” en “buxus” als een korte [u] uitgesproken en in “luxaflex” en “Benelux” als een lange [uu]? Is de tekst op het verkeersbordje “dit fietspad wordt niet gestrooid” een juiste formulering? Waarom wordt er een meervoud gebruikt in tijdsaanduidingen als “tegen zessen” en “bij achten”? Lees deze rubriek en u weet het.)
  • Taaladviesdienst.
    211 Andere woorden voor “prime time” / Ander woord voor “backslash”. Blz. 88.
    (Gekozen is voor “kluistertijd”; gevraagd: alternatieven voor het computerwoord “backslash”.)
  • Harry Cohen.
    Hoe leggen we de oude Adam af? Het probleem van de vrouwelijke functiebenamingen. Blz. 90- 92.
    (De taalkundigen Johan de Caluwe en Ariane van Santen hebben op verzoek van de Nederlandse Taalunie het boekje “Gezocht: Functiebenamingen (M/V)” geschreven. Het Engels schuift op naar een stelsel van sekseneutrale termen. Het Frans en het Duits daarentegen willen zo veel mogelijk de vrouwelijke nevenvormen handhaven. Het Nederlands zit daar tussen in en kan zich in principe ontwikkelen tot neutralisering (Engels) of tot differentiering (Frans en Duits). De auteurs hebben geen voorkeur, maar vinden wel dat de overheid niets moet voorschrijven. Ze geven een analyse van de Nederlandse functieaanduidingspraktijk. Zij onderscheiden de functiebenamingen niet in vrouwelijke en mannelijke, maar liever in vrouwelijke en niet-vrouwelijke, of – nog preciezer – in gemarkeerde en ongemarkeerde.)
  • Frank Jansen.
    Hom of kuit. Beledigen moet kunnen. Blz. 93.
    (In de rubriek “Hom of kuit” verwijst Jansen naar een Turkse Nederlander die denigrerende zegswijzen met “Turk” uit de Van Dale geschrapt wil zien. Een Surinaamse stichting wil hetzelfde met “neger”. Zoals bekend, zijn woordenboekenmakers daar mordicus tegen. De stelling waarop de lezers met “eens” of “oneens” kunnen reageren luidt: “De passage over beledigen moet uit het Wetboek van Strafrecht”. De vorige stelling (leerlingen krijgen bij het schoolvak Nederlands genoeg vaderlandse literatuur en grammatica) werd door 70 procent van de 141 stemmers afgewezen, wat dus een overwinning is voor de petitie van Jan Stroop.)
  • Henk van den Heuvel en Catia Cucchiarini.
    R was eens?. Over verdwijning, verkwijning en verschijning van de r’. Blz. 94-95.
    (Het valt op dat de “r” na een klinker en voor een medeklinker vaak niet wordt uitgesproken: [amsedam] voor Amsterdam en [teigetje] voor tijgertje. Aan dertien fonetici werd gevraagd precies te noteren wat hun opviel bij de uitspraak van 450 woorden die uit geluidsopnamen van spontane dialogen waren geknipt. Een resultaat: na een lange beklemtoonde klinker, zoals in “vermoord”, werd in 6 procent van de gevallen de “r” niet genoteerd. Na een lange onbeklemtoonde klinker was dat 9 procent. En na een korte klinker was de “r” in 13 procent van de woorden niet waarneembaar. Maar na een sjwa, zoals in “honderd” liep dat percentage op tot 34. Als de “r” verdwijnt, blijft toch vaak een spoortje daarvan achter. In bijvoorbeeld “zweert” klinkt de “ee” namelijk anders dan in “zweet”. Dit verschijnsel kan worden aangeduid als ‘verkwijning’. De “oo”, “ee” en “eu” staan bekend als klinkers die sterk verkleuren wanneer er een “r” volgt. Bij de “aa’ is die verkleuring veel minder. Na de sjwa blijken mensen soms een “r” te horen waar die helemaal niet werd uitgesproken. We noemen dit de “r-verschijning”. Men hoort bijvoorbeeld het reisinformatiesysteem van de NS zeggen “Spijkenisse” en men schrijft op “Spijkernisse”.)
  • Ton den Boon.
    Verse woorden. Kaaslullen en turkenbakken. Blz. 96-97.
    (Sommige woorden en uitdrukkingen hebben een uitgesproken ongunstige betekenis of bijklank. Een aantal daarvan wordt standaard als scheldwoord gebruikt, andere krijgen alleen in een bepaalde context een ongunstige, denigrerende of beledigende bijklank (troetelallochtoon, turkenbak). Woorden en uitdrukkingen kunnen ook indirect beledigend zijn. Als van Jan gezegd wordt dat hij zo krenterig is als een Zeeuw, kunnen de Zeeuwen zich beledigd voelen. Deze ongunstige lading van een op zichzelf gewoon woord of gewone uitdrukking moet deel uitmaken van de beschrijving in het woordenboek.)
  • Redactie Onze Taal.
    Loos alarm. Blz. 97.
    (Na zo’n driehonderd voorbeelden koddige spellingsuggesties van de spellingchecker van Word 2000 zijn er niet zo veel verrassingen meer te melden. Daarom wordt de rubriek besloten met een laatste reeks.)
  • M.A. van Rees.
    Het is goed dat u dit meldt. Klantvriendelijk reageren op klachten. Blz. 98-99.
    (Bij de behandeling van een klacht is het verstandig uit te gaan van de goede trouw van de klager en zich te verplaatsen in zijn vervelende situatie. Voorts is het van belang je woorden goed te kiezen en beleefdheid in acht te nemen.)
  • Marc van Oostendorp.
    Jaloers op woordenboekmakers. Over het werken aan de omvangrijkste grammatica. Blz. 100-101.
    (De Tilburgse taalkundige Hans Broekhuis werkt sinds enkele jaren met een groep collega’s aan een duizenden pagina’s dikke Engelstalige grammatica van het Nederlands (A Modern Grammar of Dutch). Het eerste deel zal uiteindelijk ongeveer drieduizend pagina’s beslaan, waarvan nu al een deel op internet te vinden is (http://mgd.niwi.knaw.nl/). Dat deel gaat over de vier belangrijkste woordcategorieen: het zelfstandig naamwoord, het bijvoeglijk naamwoord, het werkwoord en het voorzetsel. Daarna komt er een deel over de onderdelen van de zinsbouw die meer met de betekenis te maken hebben, zoals het gebruik van wederkerende en wederkerige voornaamwoorden, werkwoordstijden en ontkenningen. Met die twee delen is de syntaxis af. Ten slotte zouden er nog delen moeten worden geschreven over klankleer, woordvorming, betekenisleer en de structuur van teksten. Of het werk ooit af zal komen, hangt af van de bereidheid van de overheid subsidie te verstrekken. Wat dat betreft is Broekhuis jaloers op de makers van het WNT.)
  • Alex Manassen.
    Gat in de taal. Blz. 101.
    (Voor sommige begrippen kent het Nederlands geen woorden. We kennen het woord “handtastelijk”, maar hoe zou je aanraken zonder die negatieve connotatie moeten benoemen? “Tactiel”, “aanrakerig”, “aanraakgraag” zijn het allemaal net niet.)
  • Nicoline van der Sijs.
    Etymologica. Uitbreiding van de woordenschat: van ‘lang’ tot ‘lengte’. Blz. 102-103.
    (Nieuwe woorden kunnen worden gemaakt door samenstelling, uit werkwoordstammen en door middel van voor- en achtervoegsels. Vanuit etymologisch oogpunt is het de moeite waard na te gaan wanneer afleidingen zijn ontstaan en welke vorm- en betekenisontwikkeling ze hebben doorgemaakt. Minstens zo interessant is het om hetzelfde te doen met voor- en achtervoegsels. Vooralsnog is daar weinig over bekend. Nieuwe woorden kunnen ook ontstaan door umlaut.)
  • Riemer Reinsma.
    Geschiedenis op straat. Huttenweg. Blz. 104.
    (Straatnamen met het woord “hut” erin herinneren ons aan nog niet zo heel lang vervlogen armoedige tijden dat mensen nog in hutten woonden. Het woord “hut” sloeg vroeger ook op ijzergieterij. In het Duits is een van de betekenissen van “Huette” nog steeds ijzergieterij.)
  • Ingmar Heytze.
    Raptus. Foute woorden. Blz. 105.
    (Wie veel gedichten leest krijgt vanzelf het vermogen goede gedichten van slechte te onderscheiden. Een van de helderste indicaties voor een goed gedicht is de geringe concentratie van foute woorden daarin. Een duidelijke definitie daarvan is niet te geven, maar de geroutineerde poezieconsument herkent ze onmiddellijk. Ze zijn te overdreven, te plechtig, te weids, te hol, gewoon versleten. Foute woorden zijn: afstand, ademen, conclusie, contouren, dansend, individu, inhoud, interbellum, leegte, nimmer, onrust, ontstaan, ontwaken, onzichtbaar, oppervlak, rusteloos, sneeuw, stilte, vergetelheid, verlangen, verscheuren, verstenen, verwijderen, wanhoop en werkelijkheid. Wie kent er nog meer? Wie mailt naar foutewoorden@heytze.nl krijgt de laatste versie van zijn volledige lijst teruggemaild.)
  • C. Kostelijk – Alkmaar.
    Zevenboom en doodliggen. Blz. 105.
    (De neerlandicus en genealoog L.F.W. Adriaenssen ontdekte dat er vroeger, toen abortus nog niet bekend was, er wel “postnatale abortus” bestond. Men kende het giftige kruid zevenboom, maar dat was een paardenmiddel. Beter – zo werd geoordeeld – was het om het ongewenste kind “dood te liggen”. In het WNT komt dit niet voor; Van Dale kent “doodliggen” enkel in de betekenis van ‘op de biggen gaan liggen zodat ze doodgaan (zeugen)’. En bij “zevenboom” vermeldt dat woordenboek niet de giftigheid van die plant noch zijn vroegere toepassing (vruchtafdrijving). Deze woorden zullen in een volgende editie van Van Dale waarschijnlijk een wat langer lemma krijgen, aangezien Thomas Rosenboom de zevenboom in zijn “Publieke werken” zijn historische rol heeft laten spelen en Adriaenssen zelf wil promoveren op een dissertatie over zuigelingenmoord.)
  • Marc van Oostendorp.
    Het proefschrift van … Els van der Kooij: De bouwstenen van gebarentaal. Blz. 106.
    (Taal is als lego. Met een beperkt assortiment aan steentjes kun je talloze vormen (autootjes, huisjes) maken. Zo kun je met een beperkt aantal klanken oneindig veel verschillende dingen zeggen. Ook gebarentalen hebben hun “legosteentjes”. In haar proefschrift (Phonological Categories in Sign Language of the Netherlands. The Role of Phonetic Implementation and Iconicity, Utrecht, LOT) geeft Van der Kooij inzicht in de soorten “gebarenlegosteentjes”. Het onderzoek van al deze mogelijke gebaren is nuttig voor het ontwikkelen van een schriftsysteem voor gebarentaal. Om dat te kunnen moeten we weten welke onderdelen van een gebaar essentieel zijn.)
  • Guus Middag.
    Woordenboek van de poezie. veulenmilt. Blz. 108-109.
    (In Aeneis (Vergilius) wordt beschreven hoe een door liefdesverdriet verteerde Dido een eind aan haar leven wil maken. Zij neemt daartoe plaats op een brandstapel. De priesteres “grijpt naar veulenmilt, dat bloed van liefde dat de merrie na de geboorte van haar jong weglikt van zijn kop”. Wat is dat ‘veulenmilt'(Lat. hippomanes)? Van Dale heeft het over “een vleesachtig koekje dat een veulen bij de geboorte in de bek heeft”. Dat blijkt inderdaad te kloppen. Het is dus “een zeker vlezig koekje, in of bij een pasgeboren paard aangetroffen, door allerlei dichters en hun vertalers in de loop der eeuwen ten onrechte beschouwd als voorhoofdsaanwas met het effect van liefdesverwekker of wonderbrood voor allerlei kwalen”.)
  • Raymond No”e.
    InZicht. Met informatie over nieuwe boeken, congressen en lezingen in letterkundig Nederland. Blz. 110-111.
    (Korte bespreking van 12 boeken, 1 aankondiging en 1 website:
    . Bridget McDermott, “Egyptische hierogliefen” (behalve op de historische, culturele en taalkundige aspecten, gaat dit boek vooral in op de schrijfwijze van bepaalde woorden)
    . Guus Extra en Jaap de Ruiter (red.), “Babylon aan de Noordzee”
    (overzicht van de talen van de belangrijkste allochtone bevolkingsgroepen, met onder meer aandacht voor de rol die iedere taal speelt in het Nederlands onderwijs en in de (massa)media)
    . Ewoud Sanders, “De taal van het jaar. Tweehonderdvijftig woorden die het aanzien van 2001 bepaalden”
    . Wim Dani”els, “Liefdeslexicon. Taal van haar zachtste kant”
    . Richard Woolfson, “Babytaal. Hoe kleine kinderen communiceren met gebaren en spraak”
    . J. Kruijsen, “Woordenboek van de Limburgse dialecten. Deel III, sectie 4, aflevering 1 (vogels) en 2 (overige dieren)
    . J. Swanenberg, “Woordenboek van de Brabantse dialecten. Deel III, sectie 4, aflevering 1 (vogels) en 2. (overige dieren)
    . Marc De Coster, “Woordenboek van populaire uitdrukkingen, cliche’s, kreten en slogans” (goedkope heruitgave met honderd nieuwe lemma’s
    . Susanne Gerritsen, “Schrijfgids voor economen” (geactualiseerde heruitgave)
    . Willy Penninckx, Paul Buyse en Willy Smedts, “Correct taalgebruik” (zevende, bijgewerkte druk van dit in Belgie gezaghebbende werk)
    . Peter Burger en Jaap de Jong, “Handboek stijl. Adviezen over aantrekkelijk schrijven” (ongewijzigde maar goedkopere editie)
    . Marcel Grauls, “Mijn naam is haas. Hoe historische figuren in het woordenboek belandden”
    . Kiliaan-lezing (Els Ruijsendaal) (over “Het onderwerp van het gezegde: grammaticale termen als cultureel erfgoed”; 25/04)
    . Website. Besproken wordt die van Van Dale (http://www.vandale.nl/). Je kunt er woorden in opzoeken, er zijn lijsten met jargon, rubrieken over leenwoorden, synoniemen, spreekwoorden en idioom. Er is een tamelijk uitgebreid zakenwoordenboek. Op de taaladviespagina is antwoord te vinden op allerlei vragen.)

(3)-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-Neder-L-bericht, no. 0205.30=-=
ONZE TAAL, jaargang 71, nummer 5, mei 2002.
ISSN 0165-7828.
Door: Jac Aarts, m.m.v. Jacques Bennis
Arnhem, mei 2002.

  • Jan Erik Grezel.
    Spreken in tongen: trance of techniek? Achtergrond en praktijk van ‘tongentaal’ in de pinksterbeweging. Blz. 116-119.
    (Volgens het Nieuwe Testament begonnen de apostelen, nadat de Heilige Geest op hen was neergedaald, in tongen te spreken. Ook nu nog spreken de leden van de pinksterbeweging in tongen. Een ervaringsdeskundige zegt dat dit aan te leren is en dat men er niet voor in trance behoeft te zijn. De linguistische antropoloog Samarin heeft de tongentaal (glossolalie) onderzocht en er patronen en klankwisselingen met een min of meer vaste herhaling van consonanten in ontdekt.)
  • Taaladviesdienst.
    Vraag en antwoord. Blz. 121.
    (Is er een benaming voor een vrouwelijke jarige job? Wat is nu precies ‘gogme’? Hoe schrijf je ‘Havo(-)/vwo-niveau’? En hebben de namen van de muzieknoten een betekenis?)
  • Raymond No”e en Marc van Oostendorp.
    Het besmettelijkste accent van Nederland. Interview met Marnix Rueb, de schepper van Haagse Harry. Blz. 122-123.
    (Van Ruebs in heel Nederland populair geworden strip ‘Haagse Harry’ zijn inmiddels drie albums verschenen. Samen met de Haagse cabaretier Sjaak Bral en zijn broer R.J. Rueb publiceerde hij onder meer ‘Ut groen-geile boekie’ over de spelling van het Haags (met ‘Scheldwezah’) en een talencursus (‘Haags. De kugsus’). Om Harry op een realistische manier te laten praten houdt Rueb een database bij van Haagse uitdrukkingen die hij op straat of in het cafe hoort.)
  • Nicoline van der Sijs.
    Taal in stad en land. Hoe staat het met het dialect? Blz. 124-125.
    (Onlangs zijn bij Sdu uitgevers de eerste dertien delen verschenen van de reeks Taal in stad en land. Ter gelegenheid hiervan blikt Van der Sijs terug op de geschiedenis van het Standaardnederlands. Een van haar conclusies stemt dialectliefhebbers somber: terwijl de belangstelling voor streektalen nog steeds toeneemt, neemt het daadwerkelijk spreken van het dialect vrijwel overal gestaag af.)
  • Peter Burger.
    Van ankernetje tot zielasvet. Fopdrachten [2]: in leger, marine en koopvaardij. Blz. 126-128.
    (De oproep aan lezers van Onze Taal om nieuwe voorbeelden van ‘fopopdrachten’ in te sturen, heeft een rijke oogst opgeleverd. De aardigste voorbeelden (42 stuks) worden besproken. “Het populairst bleek deze ontgroeningshumor bij de marine en in de koopvaardij, met de landmacht als goede tweede”, aldus de auteur. “Waarom de luchtmacht hierin zo achterblijft, is nog een vraag”.)
  • Frank Joosten.
    Hij heeft heel mijn koffie opgedronken. Het verschil tussen ‘heel’ en ‘al’. Blz. 129.
    (Iedere moedertaalspreker weet dat het niet ‘heel het zand’ is, maar ‘al het zand’. Wanneer er sprake is van een telbaar woord, kan dat door ‘heel’ worden voorafgegaan. Is het woord niet telbaar, dan kan het alleen met ‘al’ worden gecombineerd. Wie iemand hoort zeggen: “Hij heeft heel mijn koffie opgedronken”, krijgt een (telbaar) kopje koffie voor zijn geestesoog. ‘Al mijn koffie’ zou worden verstaan als de hele (ontelbare) voorraad. Deze regel gaat ook op voor abstracte woorden: ‘al de moeite’, ‘heel de dag’.)
  • Erik van der Spek.
    Fortuyn, de musical. Mooie verpakking, maar waar blijft het cadeautje? Blz. 130-132. (Dit artikel werd gepubliceerd voordat het nieuws over Fortuyns dood bekend was. J.A.)
    (De kracht van Fortuyn ligt in zijn presentatie, die bovendien naadloos aansluit bij zijn persoonlijkheid. De Engelsen zouden zeggen: hij is een ‘character’. Zijn geschriften vallen niet op door aantrekkelijke taal, maar als hij spreekt, blijkt zijn trukendoos vol te zitten met debattechnieken. Hij heeft weinig woorden nodig om to the point te komen. Hij spreekt helder en trefzeker, weliswaar vaak met platitudes. Met zijn stemtechniek kan hij veel effecten sorteren.)
  • Ingmar Heytze.
    Raptus. Steenkolennederlands. Blz. 132.
    (De laatste vijf jaar is het Nederlandse lied ten prooi gevallen aan wartaal. Nog nooit hebben zo veel grammaticaal verdachte liedjes door de hitlijsten gewaard. Tekstschrijvers hebben eer blijkbaar moeite mee hun teksten in een ritme te brengen waarvoor het beknoptere Engels zich beter leent. Dichters als Jacques Hamelink kunnen ongestraft geleuter schrijven. We zien nu dat nietszeggend orakelen niet langer het privilege is van dichters. Dus laten we Jacques Hamelink en consorten op cd-single lanceren en Acda en de Munnik nomineren voor de Herman Gorterprijs.)
  • Jacomine Nortier.
    ‘Ik was me verslapen, weet je’. De jongerentaal Murks. Blz. 134-136.
    (Autochtone Utrechtse scholieren spreken soms onderling een taal (Murks) die op het eerste gehoor lijkt op de Amsterdamse straattaal die Ren’e Appel in Onze Taal van juni 1999 besprak. Nader onderzoek leert echter dat de woordenschat van dit ‘Murks’ (anders dan de Amsterdamse straattaal) niet veel afwijkt van de Nederlandse. Alleen de grammatica is afwijkend, want deze wordt gekenmerkt door de fouten die Nederlands sprekende Turken en Marokkanen maken (‘geef me hand’, ‘die meisje’). De (autochtone!) sprekers ervan, vaak scholieren, weten dat hun Murks als beledigend ervaren wordt.)
  • Kees van der Zwan.
    ‘Oke’ breidt uit. Blz. 137.
    (Het woord “ok’e” wordt steeds meer gebruikt om te reageren op wat een ander gezegd heeft, zonder dat er sprake is van instemming. Aldus gebruikt klinkt het ook anders, ongeveer als ‘ahaaa’. Het betekent zoiets als ‘op die manier’, ‘ik snap het’.)
  • Nicoline van der Sijs.
    Etymologica. Woordvorming in het Bargoens. Blz. 138-140.
    (Nieuwe woorden worden gevormd door samenstelling en afleiding. In de vorige afleveringen stond de woordvorming in het Standaardnederlands centraal; nu gaat Van der Sijs gedetailleerd in op die in het Bargoens.Ook in deze taal blijkt de woordvorming volgens vaste regels te verlopen.)
  • Riemer Reinsma.
    Geschiedenis op straat. Stokstraat. Blz. 140.
    (Deze Maastrichtse straat dankt zijn naam aan ‘stok’ in de betekenis van offerblok. Aan de achterkant van de Onze-Lieve-Vrouwekerk heeft waarschijnlijk vroeger een offerblok gestaan.)
  • Guus Middag.
    Woordenboek van de poezie. Suspensie. Blz. 142-143.
    (In M. Vasalis’ bundel ‘Vergezichten en gezichten’ (1954) staat het gedicht ‘Afscheid’. Hierin komt het woord ‘suspensie’ voor. Het is een laborantenwoord dat goed past bij Vasalis’ praktijk als arts. Hij stelt voor in het woordenboek van de poezie te noteren: ‘suspensie’, “vernevelingssituatie of de verneveling zelve, vaak in een laaghangendheid en in een geest van lichte wemeling, als van een wolkje rook dat enige tijd geleden in een warme kamer uitgeblazen is en daar hangende is gebleven alvorens zich te rekken, te draaien en uit te strekken en snel te verdwijnen”.)
  • Frank Jansen.
    Hom of kuit. Niet eindeloos tolken. Blz. 143.
    (De nieuwe stelling luidt: ‘Binnen drie jaar moet een immigrant Nederlands hebben geleerd. Daarna heeft hij geen recht meer op tolken of vertalingen’. Ruim 70 procent van de stemmers was het eens met de vorige stelling die luidde: ‘De passage over beledigen moet uit het Wetboek van Strafrecht’.)
  • Marc van Oostendorp.
    Het proefschrift van Aniek IJbema: de geschiedenis van ‘te’. Blz. 144.
    (Ooit betekende ‘te’ ‘naar’, zoals het Engelse ‘to’. Op een dag kon ‘te’ ook gebruikt worden met infinitiva: “Wi ghebieden den hemelschen viere desen lieden te verterne”. De ‘e’ aan het eind van ‘verterne’ was een naamvalsuitgang. Eerst kwam ‘te’ alleen voor na werkwoorden, zoals gebieden, begeren (wensen), hopen, peinzen. Deze werkwoorden hebben gemeen dat zij intentioneel zijn: het is wel de bedoeling maar niet zeker dat ‘het vuur die lieden zal verteren’. Later kreeg ‘te’ een veel ruimere toepassing. Toch voelen veel mensen nog steeds iets van die intentionele betekenislaag. Zij vinden ‘In het Concertgebouw te zingen is haar grootste wens’ beter klinken dan ‘In het Concertgebouw te zingen is haar grootste prestatie’. In haar proefschrift “Grammaticalization and Infinitival Complements in Dutch” (LOT, Utrecht) wijst Ijbema erop dat oorspronkelijk de uitgang ‘-en’ van het infinitivum dezelfde betekenis had. Kleine kinderen voelen dat nog aan, als ze zeggen: “Niekje buiten spelen”. En volwassenen soms ook: “En nu ophoepelen”.)
  • Redactie Onze Taal.
    Tamtam. Taalberichten. Blz. 145.
    (Drie krantenberichten over taalzaken: Inburgeringscursus geen succes, ‘Sukkeltje’ wel, ‘kankerhoer’ niet beledigend, Politici spreken klare taal.)
  • Raymond No”e.
    InZicht. Met informatie over nieuwe boeken, congressen en lezingen in taalkundig Nederland. Blz. 146-147.
    (Korte bespreking van 6 boeken, 1 boekaankondiging en 1 tijdschrift:
    . Marion van Coolwijk, “Het graf van volkvanger” en “Mijn vader is een tovenaar”. Eerste titels in een reeks leesboeken van uitgeverij Fontein voor dyslectische kinderen;
    . H. Scholtmeijer, “Woordenboek van de Overijsselse dialecten. Aflevering 1: Het huis-C” (Het laatste deel in de serie over het huis).
    . Wim Honselaar, Groot Russisch-Nederlands woordenboek”.
    . Jan Renkema, “Schrijfwijzer”. Vierde, sterk uitgebreide en herziene uitgave.
    . Battus, “Opperlans! Taal- & letterkunde”. Vier keer zo dik als de vorige editie omdat, aldus Battus, “het aantal wonderen in het Nederlands verdubbeld is”.
    . “Taaltumult. De mooiste observaties, hartenkreten en boze brieven uit Onze Taal”. Deze door Ewoud Sanders gemaakte selectie uit zeventig jaargangen van Onze Taal zal in de zomer verschijnen bij Atheneum.
    . Tijdschrift: Linguaan. Het Nederlands Genootschap van Tolken en Vertalers (NGTV) is in de eerste plaats een belangenvereniging, maar heeft ook de bevordering van een juist begrip van de taak van de vertaler op het oog alsmede het verhogen van het peil van de vertalingen. Website: http://www.ngtv.nl/. Het Genootschap geeft daarom een kwartaalblad uit, genaamd “Linguaan”. Eindredactie: Antoinette Dop)

(4)-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-Neder-L-bericht, no. 0205.31=-=
VAKTAAL, jaargang 14, nummer 3/4, 2001.
ISSN 0921-5867.
Door: Guido Leerdam.
Amsterdam, 28 mei 2002.

  • Patrick Bassant en Fred de Bree.
    “Blijf maar bij Meulenhoff, want het komt wel goed daar”.
    (Het bericht dat Annette Portegies de nieuwe directeur van Meulenhoff zou worden, deed veel mensen verbaasd opkijken. Wat deed die jonge vrouw tussen de grijze uitgevers? Wij spraken met haar over haar studie Nederlands, haar snelle carriere, de biografie van Maurice Gilliams, het uitgeversvak en nog veel meer. Van VakTaal-redacteur tot directeur van een gerenommeerde literaire uitgeverij.)
  • Sander Turnhout.
    Zorgen om het schoolvak Nederlands.
    (Het tweejaarlijks LVVN-congres en het jaarlijks congres van Het Schoolvak Nederlands (HSN) vielen vorig jaar samen. Op 22 en 23 november 2001 kwamen docenten Nederlands en andere neerlandici naar de Utrechtse Uithof om te spreken over de stand van het schoolvak Nederlands.)
  • J.M.J. Sicking.
    ’t Is de fashion.
    (“Mijn collega’s beginnen nu ook al een beetje die nieuwe mindset te krijgen, al blijft het een kwestie van freestylen. Gelukkig hoeft een back-officemanager zelf niet over hands-on ervaring te beschikken, al kan een assessment eventueel wel tot de mogelijkheden behoren.”)
  • Susanne van der Kleij en Marc van Oostendorp.
    De task force van de neerlandistiek.
    (In de serie interviews met hoogleraren in de Nederlandse taal- en letterkunde is Arie Verhagen aan de beurt. In 1998 werd hij benoemd tot hoogleraar Nederlandse taalkunde aan de Universiteit Leiden. Sinds oktober 2000 is hij ook voorzitter van de LVVN.)
  • Sanne Steusel.
    Verloren woorden. De huidige status van het Occitaans.
    (Niet alleen bezorgde linguisten, maar ook grote organisaties, zoals bijvoorbeeld UNESCO, zetten zich in voor het behoud van talen. In de jaren ’90 stelde UNESCO de zogenaamde ‘rode lijst’ op waarbij talen werden onderverdeeld in categorieen varierend van ‘bedreigd op de lange termijn’ tot ‘bijna uitgestorven’. Talen van over de hele wereld komen voor op de lijst, inclusief Fries, Bretons en Welsh. Voor sommige talen komt deze hulp helaas te laat, maar voor andere valt nog te vechten.)
  • Janie Spaans.
    Zelf (-) werkzaam.
    (Voor Nederlandstalig literatuuronderwijs in de onderbouw van de middelbare school kun je gebruik maken van de cd-rom genaamd Vertellen (&) verhalen die bij Teleac NOT verschenen is. Beter gezegd: leerlingen kunnen van de cd-rom gebruik maken. De basisprincipes die in het literatuuronderwijs aan de orde moeten komen, overeenkomstig de doelstelling van de basisvorming, kunnen zij zich zelfstandig eigen maken. Voor docenten blijft hooguit de taak liggen de CD voor de school aan te schaffen en misschien deze zelf te installeren.)
  • Thea Mepschen.
    “Betekenis maak je zelf!”
    (Studenten Nederlands worden aan het begin van hun studie onmiddellijk geconfronteerd met de techniek van de literaire tekstinterpretatie. Met technische begrippen als auctoriaal vertelstandpunt, dactylus en metonymia proberen ze grip te krijgen op de bedoeling van de tekst. Over de intrinsieke waarde van de tekst wordt niet gediscussieerd. Dat is de taak van de literatuurkritiek, niet van de wetenschap. Maar hoe groot is eigenlijk de afstand tussen die twee?)
  • Marlies Dullaert.
    Ik beoordeel: volg mij!
    (In juni 2001 sprak Maarten Doorman zijn rede uit ter aanvaarding van het ambt van bijzonder hoogleraar literaire kritiek aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Marlies Dullaert studeert Nederlands aan deze universiteit en is een van de studenten die zijn colleges literaire kritiek volgden. In deze bijdrage zet zij Doormans ideeen uiteen.)
  • Wim Klooster.
    Grammatica voor de liefhebber III.
    (Derde in de serie bespiegelingen over taalkundige verschijnselen in het Nederlands.)
  • Ludo Jongen.
    Verhaaltypen in volksvertellingen.
    (Volgens Voskuil hield de afdeling Volkskunde van het Meertens Instituut zich uitsluitend bezig met noteren, catalogiseren en opbergen. Verder deed ze in feite niks met het verzamelde materiaal. Maar sinds de jaren negentig waait er een nieuwe wind door het instituut. In twee recente publicaties, ‘De magische vlucht’ en ‘Vertelcultuur in Waterland. De volksverhalen uit de collectie Bakker in hun context’ (ca. 1900) laat Theo Meder zien wat er zoal te vinden is in de collecties Nederlandse volksverhalen van het Meertens Instituut.)
  • Louise Cornelis.
    Korte verhalen die zich niet afzetten.
    (‘Analyse en synthese in het Nederlands’ van A.M. Duinhoven is een originele en creatieve benadering van de taalwetenschap – zeg maar een ‘alternatieve’ ten opzichte van de meer reguliere benaderingen. Ik hoop daar in deze recensie een beeld van te geven. Vervolgens ga ik ‘Analyse en synthese in het Nederlands’ verwijten dat er iets ontbreekt waarvan ik juist vaak heb gedacht dat het er te veel was in de ‘alternatieve’ taalkunde: afzetten tegen andere stromingen.)

(5)-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-Neder-L-bericht, no. 0205.32=-=
DE ZEVENTIENDE EEUW. Cultuur in de Nederlanden in interdisciplinair perspectief, jaargang 17, nummer 2, november 2001.
ISSN 0921-142X. Uitgeverij Verloren, Larenseweg 123, 1221 CL Hilversum.
Door: Ton Harmsen, Opleiding Nederlands, Universiteit Leiden.
Leiden, 29-4-2002.

  • Ed Romein.
    Knollen en citroenen op de Leidse kunstmarkt: over de rol van kwaliteit in de opkomst van de Leidse fijnschilderstijl. Blz. 75-94.
    (Na een inzinking in de periode 1630-1650 komt Leiden sterk terug met de fijnschilderij van Gerard Dou e.a. Dit verval is te verklaren door het veranderen van de markt vanwege het slechte aanbod van buiten de stad. Door het optreden van het St.-Lucasgilde en door verschillende publicaties, zoals De lof der schilder-konst van Philips Angel en de stadsbeschrijving van Jan Jansz. Orlers met zijn schildersbiografieen, wordt nieuwe informatie over de kunst verspreid, en daarmee verdwijnt de kwaliteitsonzekerheid bij het publiek. Dit is een voorwaarde voor het herstel van de kunstmarkt. Bewerking van de met de ‘Zeventiende Eeuw Scriptieprijs 2000’ bekroonde doctoraalscriptie.)
  • Peter Carpeau.
    Rembrandt boven Rubens. Een analyse van de prijsverschillen tussen zeventiende-eeuwse Noord- en Zuid-Nederlandse schilderijen op de huidige kunstmarkt. Blz. 95-107.
    (Noord-Nederlandse schilderkunst is een beter beleggingsobject dan Zuid-Nederlandse. In het Noorden werkten beroemde meesters aan ezelschilderijen voor de gegoede burgerij, in het Zuiden werd het grote werk voor kerken en openbare gebouwen vaak in ateliers gedaan. Het Noorden produceerde meer stillevens en portretten, het Zuiden meer religieuze en historische onderwerpen. Voor de huidige kunstmarkt is de belangrijkste prijsopdrijvende factor echter de naamsbekendheid van de kunstenaar.)
  • Robert Schillemans.
    Wandelen met de Drie-eenheid. Blz. 108-120.
    (De compositie van de Heilige Familie-schilderijen, waar naast de trits Josef-Maria-Jezus ook Vader-Zoon-Heilige Geest en Anna-Maria-Jezus een rol speelt. Ook Joachim-Anna-Maria wordt afgebeeld. Door de Heilige Familie te combineren met de Heilige Drie-eenheid kan men illustreren dat Jezus mens en God tegelijk is. Josef wordt meestal als een oude man afgebeeld, omdat hij aan de conceptie van Jezus geen deel heeft gehad; er zijn echter ook afbeeldingen van een Jozef in de kracht van zijn leven, als timmerman of Jezus opdragend aan God.)
  • Elmer Kolfin.
    Portretten van liefde en lust. Portretten en portretteren in illustraties uit Noord- en Zuid-Nederlandse boekjes over liefde c. 1600-1635. Blz. 121-137.
    (Gravures van Adriaen van de Venne en Crispijn de Passe tonen aan dat het portretteren van jonge meisjes in de vroege zeventiende eeuw niet probleemloos was. In de Leidse embleemtraditie ontstond een beeld van de schilderende Cupido, die een kuise herinnering aan de geliefde moet produceren. Deze herinnering kan ook te veel worden: de ovidaanse heldin Laodamia, die zich troostte met het wassen beeld van haar geliefde, pleegde later zelfmoord. Laodamia wordt afgebeeld op een gravure van Pieter Serwouters naar David Vinckboons.)
  • A. Maljaars.
    ‘Niet min godvruchtelijk als dapper.’ Gijsbrecht van Aemstel verdedigd tegen zijn critici. Blz. 138-164.
    (De laatste jaren is men Gysbreght gaan zien als een held met vele gebreken: hij zou hoogmoedig zijn, slecht oordelen en niet luisteren naar redelijke argumenten. Vanuit christelijke optiek worden deze moderne Gysbreghtinterpretaties ontzenuwd; de voor de hand liggende vergelijking met Aeneas heeft Maljaars daar niet eens bij nodig. De Gysbreght is een drama van goed en kwaad; in de scenes het de Heer van Vooren en met Badeloch komt Gysbreght naar voren als een standvastige held.)
  • Mark van Vaeck.
    Adriaen van de Vennes bedelaarsvoorstellingen in grisaille: geschilderde paradoxale encomia? Blz. 165-173.
    (Het schilderen in zwart (of bruin) en wit werd tijdens Van de Venne’s leven al minder gewaardeerd. Het onderwerp, bedelaarsportretten omringd door spreukbanden, is wel in verband gebracht met het literaire genre van het paradoxale encomium, waarbij vooral gedacht werd aan de theorie’n van Erasmus en aan diens Lof der zotheid en Adagia. Er is ook een heel ander verband aan te wijzen, namelijk met de antieke schilders van triviale onderwerpen, die door Plinius riparografen werden genoemd; deze term rhypariographia duikt op bij Hadrianus Junius, in zijn Batavia (1588). Ook later werd deze term gebruikt, tot in de achttiende eeuw toe: men vindt hem bij Arnold Houbraken en bij Jacob Campo Weyerman. Dit alles maakt het noodzakelijk onderzoek te doen naar de waardering van de grisaillekunst in de zeventiende eeuw.)
  • Jan Muylle.
    Tronies toegeschreven aan Pieter Breugel. Fysionomie en expressie (I). Blz. 174-204.
    (Eerste deel van een studie over de bedoelingen van de zestiende- en zeventiende-eeuwse tronieschilderingen. De technieken van de schilders, namelijk het schilderen naar modellen en voor de spiegel, en hun doelstellingen, namelijk het uitbeelden van menselijke hartstochten, worden hier beschreven. Het geven van karikaturen is dus geen doel van dit soort schilderijen. Pieter Breughel, Philips Wouwerman en Jan Steen bereikten met deze technieken gelaatsuitdrukkingen met sprekende gelijkenis.)
  • Signalementen:
    . <Door: C.M. Ridderikhoff, op p. 205:> Hugo Grotius. The Antiquity of the Batavian Republic, with the Notes by Petrus Scriverius. Edited and translated by Jan Waszink and others. Van Gorcum, Assen, 2000. VIII + 185 pp. Bibliotheca Latinitatis Novae. ISBN 90-232-358788.
    . <Door: H.L. Houtzager, op p. 205-206:> M.J. van Lieburg. De geschiedenis van de kindergeneeskunde in Nederland I: De periode tot 1700. Erasmus Publishing, Rotterdam, 1997. 352 pp. ISBN 90-5235-041-8.
    . <Door: A.A. Sneller, op p. 206-207:> A. de Jeu. ”t Spoor der dichteressen.’ Netwerken en publicatiemogelijkheden van schrijvende vrouwen in de Republiek (1600-1750). Verloren, Hilversum, 2000. 374 pp. ISBN 90-6550-612-8.
    . <Door: V. Enthoven, op p. 207-209:> O. Gelderblom. Zuid-Nederlandse kooplieden en de opkomst van de Amsterdamse stapelmarkt, 1578-1630. Verloren, Hilversum, 2000. 350 pp. ISBN 90-6550-620-9.
    . <Door: F. van Lieburg, op p. 209-210:> S. Zijlstra. Om de ware gemeente en de oude gronden. Geschiedenis van de dopersen in de Nederlanden, 1531-1675. Verloren / Fryske Akademy, Hilversum / Leeuwarden, 2000. 544 pp. ISBN 90-6650-631-4.
    . <Door: M. van der Meij, op p. 210-211:> P. Dirkse. Begijnen, pastoors en predikanten. Religie en kunst in de Gouden eeuw. Primavera Pers, Leiden, 2001. 272 pp. ISBN 90-74310-72-9.
    . <Door: M. Snijders, op p. 211-212:> Arnout Hellemans Hooft. Een naekt beeldt op een marmore matras seer schoon. Het dagboek van een ‘grand tour’ (1649-1651). Bezorgd door E.M. Grabowsky & P.J. Verkruijsse. Verloren, Hilversum, 2001. 231 pp. Egodocumenten, dl. 23. ISBN 90-6550-181-9.
    . <Door: E. Stronks, op p. 212:> G.R.W. Dibbets (ed.) Predikant en toerist. Het dagboek van Joannes Vollenhove, Engeland 17 mei – 30 oktober 1674. Verloren, Hilversum, 2001. 224 pp. ISBN 90-6550-636-5.
    . <Door: P. van Beek, op p. 212-213:> Anna Maria van Schuurman. Verhandeling over de aanleg van vrouwen voor de wetenschap. Ingeleid door A.C.M. Roothaan en vertaald door R. ter Haar. Xeno, Groningen, 1996. 98 pp. ISBN 90-6208-123-1.
    . <Door: H. Miedema, op p. 213:> Karel van Mander. Le vite degli illustri pittori fiamminghi, olandesi e tedeschi. Introduzione, traduzione e apparato critico di Ricardo de Mambro Santos. Apeiron Editori, Sant’Oreste (Roma), 2000. 390 pp. ISBN 88-85978-30-4.
    . <Door: A.J.A.M. Schuurman, op p. 213-215:> H. Dibbits. Vertrouwd bezit. Materiele cultuur in Doesburg en Maassluis, 1650-1800. SUN, Nijmegen, 2001. 399 pp. ISBN 90-6168-591-5.
    . <Door: J. Konst, op p. 215:> Davit Baute. Cort relaas sedert den jare 1609. De avonturen van een Zeeuws koopman in Spanje tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Uitgegeven door R. Kuiper. M.m.v. H. Kluiver & J. Vermeulen. Verloren, Hilversum, 2000. Egodocumenten, dl. 20. 96 pp. ISBN 90-6550-171-1.
    . <Door: D.K.W. van Miert, op p. 215-216:> J.A.H. Bots e.a. (red.) Het Gelders Athene. Bijdragen tot de geschiedenis van de Gelderse Universiteit in Harderwijk (1648-1811). Verloren, Hilversum, 2000. 251 pp. ISBN 90-6550-092-8.
    . <Door: M.J. Bok, op p. 216-217:> J. Loughman & J.M. Montias. Public and private spaces. Work of art in Seventheenth-Century Dutch houses. Waanders, Zwolle, 2000. Studies in Netherlandish Art and Cultural History, dl. 3). 196 pp. ISBN 90-400-9444-6.
    . <Door: J.J.V.M. de Vet, op p. 217-218:> N. Golvers. Francois de Rougemont, S.J., missionary in Ch’ang-Shu (Chiang-Nan). A study of the account-book (16747-1676) and the Elogium. Leuven University Press / Ferdinand Verbiest Foundation, Leuven, 1999. 794 pp. Louvain Chinese Studies, dl. VII. ISBN 90-5867-001-05.
    . <Door: G.A.C. van der Lem, op p. 218-219:> E. Postma. Viglius van Aytta. De jaren met Granvelle, 1549-1564. Walburg Pers, Zutphen, 2000. 360 pp. ISBN 90-5730-097-4.
    . <Door: A.M.Th. Leerintveld, op p. 219-220:> B.P.M. Dongelmans, P.G. Hoftijzer & O.S. Lankhorst (red.) Boekverkopers van Europa. Het 17de-eeuwse Nederlandse uitgevershuis Elzevier. Walburg Pers, Zutphen, 2000. 352 pp. Bijdragen tot de geschiedenis van de Nederlandse Boekhandel, Nieuwe Reeks, V. ISBN 90-5730-116-4.
    . <Door: J.H. Waszink, op p. 220-221:> Justus Lipsius. Lovanium: Leuven. Beschrijving van de stad en haar universiteit. Latijnse tekst met inleiding, vertaling en aantekeningen door Jan Papy. Universitaire Pers Leuven, Leuven, 2000. 373 pp. ISBN 90-5867-055-4.
    . <Door: G.A.C. van der Lem, op p. 221:> K. de Jonge & G. Janssens (red.) Les Granvelles et les anciens Pays-Bas. Liber doctori Mauricio Van Durme dedicatus. Universitaire Pers Leuven, Leuven, 2000. 409 pp. Symbolae Facultatis Litterarum Lovaniensis, series B, vol 17. ISBN 90-5867-049-X.
    . <Door: E.O.G. Haitsma Mulier, op p. 222-223:> K. Enenkel, J. de Jong & J. de Landtsheer (eds.) Recreating ancient history. Episodes from the Greek and European past in the arts and literature of the early modern period. Brill, Leiden / Londen / Keulen, 2001 375 pp. Intersections, I. ISBN 90-04-12051-3.
    . <Door: C.A.M. Maarleveld, op p. 223:> K. Ratelband. Nederlanders in West-Afrika 1600-1650. Walburg Pers, Zutphen, 2000. 320 pp. ISBN 90-5730-096-6.
    . <Door: L. Kooijmans, op p. 223:> H. Hendrix & M. Meijer Drees (red.) Beschaafde burgers. Burgerlijkheid in de vroegmoderne tijd. Amsterdam University Press, Amsterdam, 2001. 129 pp. ISBN 90-5356-511-6.
    . <Door: H. Meeus, op p. 224:> E. de Jongh. Dankzij de tiende muze. 33 Opstellen uit Kunstschrift. Primavera Pers, Leiden, 2000. 232 pp. ISBN 90-74310-65-6.
    . <Door: L. Kooijmans, op p. 224:> Y. Kuiper & K. Thomassen. Banden van vriendschap. De collectie alba amicorum Van Harinxma thoe Slooten. Van Wijnen, Franeker, 2001. 160 pp. ISBN 90-5194-219-2.
    . <Door: A.J.E. Harmsen, op p. 224-225:> Chr. Berkvens-Stevelinck. Magna commoditas. Vierhonderdvijfentwintig jaar geschiedenis van de Leidse Universiteitsbibliotheek, 1575 – 2000. Primavera Pers / Universitaire Pers, Leiden, 2001. 264 pp. ISBN 90-74310-71-0.

(6)-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-Neder-L-bericht, no. 0205.33=-=
ZL, Literair-historisch tijdschrift, jaargang 1, nummer 3, mei 2002.
ISSN 1377-5294.
Door: Geert Swaenepoel.
Antwerpen, 26 mei 2002.

  • Karel Wauters.
    De intellectueel-artistieke horizon van de jonge Walschap. Een speurtocht door zijn eerste kritieken. Blz. 2-19.
  • Stijn Vanclooster.
    ‘Die heren ergeren zich altijd aan het detail’. Een brief van Streuvels aan Walschap. Blz. 20-25.
  • Sjoerd van Faassen.
    ‘In een land van puriteinsche levensbedillers kan een vloek beter gepast zijn dan een gebed’. Gerard Walschap en de jong-katholieken rond het tijdschrift De Gemeenschap. Blz. 26-46.
  • Harold Polis.
    In de rubriek ‘De kleine garnaal’: Jan van de Weghe (1920-1988) Blz. 47-57.
  • Joris Gerits.
    Belijdenis van leed en loutering. Blz. 58-77.
    (Over de poezie van Gerard Walschap.)
  • Gerard Walschap.
    Kroniek van de dag. Gekozen en geannoteerd door Harold Polis. Blz. 78-88.
    (Zeven niet eerder gepubliceerde columns die Walschap tussen 1968 en 1970 voor het BRT-radioprogramma ‘Kroniek van de dag’ schreef.
(7)-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-Neder-L-bericht, no. 0205.34=-=

*-------------Redacteurs--tijdschriftenoverzicht--Neder-L-----------------*
| de Boekenwereld:         Marja Smolenaars <m.smolenaars@wanadoo.nl>     |
| Cahiers voor een Lezer:  Reinder Storm <Reinder.Storm@kb.nl>            |
| Gezelliana:              Piet Couttenier <Piet.Couttenier@ufsia.ac.be>  |
| Gramma/TTT:              Peter-Arno Coppen <P.A.Coppen@let.kun.nl>      |
| Leuvense Bijdragen:      Hans Smessaert                                 |
|                                    <Hans.Smessaert@arts.kuleuven.ac.be> |
| Literatuur:              Jose Rekers <jjrekers@hotmail.com>             |
| Literatuur Zonder        Bea Ros <Bea@Zunneberg-Ros.nl>                 |
|   Leeftijd:                                                             |
| Mededelingen Stichting   Frank van Lamoen <f.v.lamoen@hccnet.nl>        |
|   Jacob Campo Weyerman:                                                 |
| Meesterwerk:             Els Ruijsendaal <ruisdaal@cistron.nl>          |
| Moer:                    Herman Giesbers <H.Giesbers@let.kun.nl>        |
| Over Multatuli:          Reinder Storm <Reinder.Storm@kb.nl>            |
| Naamkunde:               Tanneke Schoonheim <schoonheim@inl.nl>         |
| Nederlandse Letterkunde: Marja Geesink <marja.geesink@pica.nl>          |
| Nederlandse Taalkunde:   Corrie de Haan <c.de.haan@LET.leidenuniv.nl>   |
| Neerlandica Extra Muros: Olga van Marion <ovmarion@rullet.leidenuniv.nl>|
| de Negentiende Eeuw:     Jan Stroop <J.Stroop@hum.uva.nl>               |
| Ons Erfdeel:             Jaap van Veen <JaapJvanVeen@cs.com>            |
| Ons Geestelijk Erf:      Thom Mertens <thom.mertens@ufsia.ac.be>        |
| Onze Taal:               Jac Aarts <j.aarts@chello.nl>                  |
| de Parelduiker:          Wieneke 't Hoen <Wieneke.t.Hoen@chi.knaw.nl>   |
| de Poeziekrant:          Fleur Speet <fspeet@hetnet.nl>                 |
| Queeste:                 ... Een nieuwe redacteur wordt gezocht ...     |
| Spiegel der Letteren:    Betty van Wonderen                             |
|                                         <Betty=van=Wonderen@uba.uva.nl> |
| Taal en Tongval:         Roland de Bonth, <salemans@baserv.uci.kun.nl>  |
| Tabu:                    Ton van der Wouden <vdwouden@let.rug.nl>       |
| Tekst[blad]:             Judith Mulder <tekst.en.uitleg@wxs.nl>         |
| TNTL:                    Karina van Dalen-Oskam <dalen@inl.nl>          |
| Tijdschrift voor         ... Een nieuwe redacteur wordt gezocht ...     |
|   Taalbeheersing                                                        |
| Tydskrif vir Nederlands  Jean Jordaan <rgo_anas@rgo.sun.ac.za>          |
|   en Afrikaans:                                                         |
| Vaktaal:                 Guido Leerdam <G.Leerdam@dienst.vu.nl>         |
| Verslagen KANTL:         Edward Vanhoutte <evanhout@uia.ua.ac.be>       |
| Vonk:                    Rita Rymenans <rymenans@uia.ua.ac.be>          |
| Vooys:                   Redactie Vooys <vooys@let.uu.nl>               |
| de Zeventiende Eeuw:     Ton Harmsen <harmsen@rullet.leidenuniv.nl>     |
| ZL:                      Geert Swaenepoel <geertswaenepoel@hotmail.com> |
| Zwart Water              Helene Gelens <zwartwater@planet.nl>           |
*-------------------------------------------------------------------------*


(8)-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=

*-------------------------------------------------------------------------*
|                                                                         |
| Informatie over Neder-L:                                                |
| ========================                                                |
| Algemene informatie opvragen over Neder-L: stuur mail naar              |
|   listserv@nic.surfnet.nl met daarin de boodschap: GET NEDER-L INFO     |
| Abonnement nemen op Neder-L: stuur mail naar listserv@nic.surfnet.nl    |
|   met als boodschap: SUB NEDER-L uw-voornaam/voorletters uw-achternaam  |
| Neder-L op het web/WWW: Neder-L-nummers zijn vanaf januari 1997 in      |
|   web-formaat te lezen via: http://baserv.uci.kun.nl/~salemans/         |
|   Nadere informatie over Neder-L in web-formaat: zie artikel 9706.01    |
|   Er is ook een WWW-archief met alle e-mailversies van Neder-L sinds    |
|   juni 1992, dat ook op trefwoord doorzocht kan worden; de URL van dit  |
|   listserv-archief: http://listserv.surfnet.nl/archives/neder-l.html    |
| Neder-L wordt ook verspreid via de Internet-newsgroup bit.lang.neder-l  |
| Oude Neder-L-bulletins opvragen: stuur mail naar listserv@nic.surfnet.nl|
|   met daarin een boodschap als: GET NEDER-L LOG9206                     |
|   (resultaat: logboek met Neder-L-artikelen van juni '92 wordt gestuurd)|
|   Of maak gebruik van het listserv-archief (zie enkele regels hierboven)|
| Bijdrage voor Neder-L opsturen: stuur mail naar neder-l@nic.surfnet.nl  |
| Contact met redactie: stuur mail naar Salemans@baserv.uci.kun.nl, naar  |
|   Willem.Kuiper@hum.uva.nl, naar Piet.Verkruijsse@hum.uva.nl (voor de   |
|   evenementenagenda) of naar P.A.Coppen@let.kun.nl                      |
*-------------------------------------------------------------------------*

*-Einde-------------------- Neder-L, no. 0205.c --------------------------*