Neder-L, no. 0107.a

Subject: Neder-L, no. 0107.a
From: BJP Salemans
Reply-To:Elektronisch tijdschrift voor de neerlandistiek
Date:Mon, 16 Jul 2001 23:51:57 +0200
Content-Type:TEXT/PLAIN
                           *********************
*-Tiende-jaargang---------- Neder-L, no. 0107.a -----------ISSN-0929-6514-*
|                                                                         |
|      ************************************************************       |
|      * Neder-L, elektronisch tijdschrift voor de neerlandistiek *       |
|      ************************************************************       |
|                                                                         |
| Onderwerpen in dit bulletin:                                            |
| ============================                                            |
| (1) Vac: 0107.01: Vacature voor een docent Communicatieve Vaardigheden  |
|                   (0,5 a 1,0) aan de Technische Universiteit Delft      |
| (2) Rub: 0107.02: Hora est! Samenvatting proefschrift M. van der Voort  |
|                   (Leiden, 25 april 2001)                               |
| (3) Med: 0107.03: Afdeling Documentatie Nederlandse Letterkunde (DNL)   |
|                   in Amsterdam opgeheven                                |
| (4) Sym: 0107.04: Symposium 'Menno ter Braak, denker aan de grens' op   |
|                   za 22 september 2001 te Eibergen                      |
| (5) Rub: 0107.05: Pas verschenen: I.H.J. Poissonnier. Zooveel zijne     |
|                   kleine boekverzameling gedoogde. De bibliotheek van   |
|                   de Oostburgse advocaat en amateur-historicus Mr. J.E. |
|                   Risseeuw (1798-1869). (Aardenburg, 2001)              |
| (6) Lit: 0107.06: Te verschijnen bij voldoende intekening: Leidse       |
|                   congresbundel 'Pinguins of Pikkewyne'                 |
| (7) Col: 0107.07: Column Marc van Oostendorp: NederNed, no. 38: De      |
|                   geeuw van de lil                                      |
| (8) Informatie over Neder-L                                             |
|                                                                         |
*--------------------------                     -------------16-juli-2001-*
                           *********************

(1)-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=
Date: Wed, 11 Jul 2001 15:02:15 +0200
From: Rien Elling, Rien <m.g.m.elling@tbm.tudelft.nl>
Subject: Vac: 0107.01: Vacature voor een docent Communicatieve Vaardigheden (0,5 a 1,0) aan de Technische Universiteit Delft

==============
Vacature Delft
==============

Bij de sectie Technische Communicatie van de Technische Universiteit Delft ontstaat per 15 augustus 2001 een vacature voor een docent Communicatieve Vaardigheden. De functie geldt in eerste instantie voor 1 a 2 jaar, maar bij positieve beoordeling bestaat de mogelijkheid van een vast dienstverband.

Algemene informatie

De sectie Technische Communicatie houdt zich bezig met onderwijs en onderzoek op het gebied van de technische communicatie, de bedrijfscommunicatie en de beleidscommunicatie. Het onderwijs van de sectie bestaat voor een belangrijk deel uit trainingen op het gebied van mondelinge en schriftelijke communicatie. Er worden cursussen gegeven in mondeling presenteren, schriftelijk rapporteren en discussie- en vergadertechniek, zowel voor studenten als voor promovendi. Dat onderwijs is meestal geintegreerd in technische vakken. Daarnaast wordt onderwijs ontwikkeld als onderdeel van commerciele en communicatiekundige afstudeervarianten binnen de ingenieursopleidingen. Deze vakken gaan dieper in op communicatieproblemen waarmee ingenieurs in hun beroepssituatie te maken krijgen. Het onderwijs wordt steeds meer gegeven binnen een ICT-omgeving (Blackboard).

Functie-informatie

U geeft onderwijs op het gebied van de technische communicatie en de bedrijfs- en beleidscommunicatie. Daarbij vormen trainingen in mondeling en schriftelijk rapporteren, gericht op de beroepspraktijk van de (aanstaande) ingenieur, het belangrijkste onderdeel van uw taak. Buiten de onderwijsperioden verricht u onderwijsgebonden onderzoek.

Profielschets

U heeft een universitaire opleiding op een gebied dat van belang is voor de technische communicatie, de bedrijfscommunicatie of de beleidscommunicatie. U hebt affiniteit met vaardigheidstrainingen en u hebt ervaring opgedaan met onderwijs op het gebied van mondelinge en schriftelijke communicatie. Daarnaast hebt u voldoende affiniteit met de technische wetenschappen en ruime belangstelling voor de rol van nieuwe media.

Geboden

U komt te werken in een enthousiast team dat op allerlei terreinen nauw samenwerkt. U wordt in eerste instantie aangesteld voor een periode van een jaar, met de mogelijkheid van verlenging. Voor goede kandidaten bestaat daarna de mogelijkheid van een vast dienstverband. De datum van indiensttreding en de precieze omvang van de aanstelling (0,5 – 1,0) kunnen in overleg worden bepaald.
Het salaris is afhankelijk van opleiding en ervaring en bedraagt maximaal NLG 8.313,- bruto per maand bij een full-time aanstelling (max. schaal 11). Directe opneming in het pensioenfonds.

Informatie

Informatie over de sectie en de faculteit kunt u vinden op http://www.tc.tbm.tudelft.nl. Voor nadere inlichtingen over de functie kunt u contact opnemen met het hoofd van de sectie, dr. M.G.M. Elling, telefoon +31 (0)15-278.64.18, e-mail M.G.M.Elling@tbm.tudelft.nl.

Sollicitaties

Schriftelijke sollicitaties vergezeld van een curriculum vitae kunt u zenden aan dr. M.G.M. Elling, Faculteit TBM, TU Delft, Postbus 5015, 2600 GA Delft.

Noot van de Neder-L-redactie:
Zodra ons de preciese deadline bekend is, zullen wij die in de webversie van dit artikel vermelden.

(2)-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=
Date: Mon, 02 Jul 2001 21:00:20 +0200
From: P.J. Verkruijsse <piet.verkruijsse@hum.uva.nl>
Subject: Rub: 0107.02: Hora est! Samenvatting proefschrift M. van der Voort (Leiden, 25 april 2001)

=========
Hora est!
=========

Op 25 april 2001 is Marcel van der Voort aan de Universiteit Leiden gepromoveerd op zijn proefschrift ‘Dat seste boec van serpenten. Een onderzoek naar en een uitgave van boek VI van Jacob van Maerlants Der naturen bloeme’.

Samenvatting van proefschrift door Marcel van der Voort M.vandervoort1@Chello.nl (via W. Kuiper <willem.kuiper@hum.uva.nl>)

In 1270 schreef de Vlaamse auteur Jacob van Maerlant ‘Der naturen bloeme’. Deze eerste volkstalige natuurencyclopedie in de Europese literatuur is een vertaling van het belangwekkende ‘Liber de natura rerum’, dat zijn auteur, Thomas van Cantimpr’e, rond 1240 voltooide. Maerlants natuurencyclopedie, waarvan momenteel elf min of meer integrale handschriften, alsmede een aanzienlijk aantal fragmenten bewaard zijn gebleven, omvat ruim 16.000 verzen. Die zijn onevenredig verdeeld over dertien zogenaamde ‘boeken’. Deze boeken bevatten wetenswaardigheden over mensen, viervoeters, vogels, zeemonsters, vissen, slangen, insecten, gewone bomen, specerijbomen, kruiden, bronnen, stenen en metalen. Ik heb me bij mijn onderzoek beperkt tot het gedeelte dat over serpenten handelt.
Het tweetal integrale uitgaven van ‘Der naturen bloeme’ dat momenteel beschikbaar is, steekt schril af bij de honderden handschriften die er vroeger waarschijnlijk van in omloop moeten zijn geweest. De editie die Verwijs tussen 1872 en 1878 liet verschijnen, is gebaseerd op het schitterend uitgevoerde Leidse handschrift, maar dat is het handschrift dat – in ieder geval voor wat betreft het slangenboek – het slechtste is gebleken. De tweede editie is de uitgave die Gysseling in 1981 heeft laten verschijnen. Zij heeft het Detmoldse handschrift als basis, waarvan men aanneemt dat het rond 1287 vervaardigd is. Dit oudste handschrift laboreert in het slangenboek echter aan tal van corrupties en er ontbreekt een groot aantal verzen in. Beide beschikbare uitgaven hebben verder als bezwaar, dat ze geen aandacht besteden aan de biologische en cultuurhistorische componenten van Maerlants bestiarium. Daardoor blijft het tekstinhoudelijke aspect erg onderbelicht en mogelijk onbegrepen. Het is daarom wenselijk om ‘Der naturen bloeme’ ook voor wat betreft deze laatste invalshoek toegankelijker te maken.
Door het ‘seste boec van serpenten’ van alle handschriften te vergelijken met de Latijnse bron, is mij gebleken, dat het de bijzondere Londense codex is die aangemerkt kan worden als beste handschrift. Het blijkt niet alleen het meest complete van de bewaard gebleven teksten te zijn, maar ook de beste vertaling van het Latijnse voorbeeld te vertegenwoordigen. Het is dan ook dit handschrift, dat ik de grondslag laat zijn van mijn deeluitgave van ‘Der naturen bloeme’. Ik presenteer zowel een kritische als een diplomatische tekst. Deze laatste is onderdeel van een partituureditie van alle handschriften waarin het slangenboek vertegenwoordigd is. En passant heb ik met behulp van de methode-Dees een stemma van het zesde boek opgesteld. Dit wijkt af van de tot dusver beschikbare stemmata van ‘Der naturen bloeme’.
Een naar alle waarschijnlijkheid West-Vlaamse kopiist heeft het handschrift in het eerste kwart van de veertiende eeuw tot stand gebracht. Hij heeft er – samen met anderen? – een specimen van gemaakt, dat als een van de aantrekkelijkste van de bewaard gebleven codices beschouwd mag worden. Het is door een uitgekiende lay-out een bijzonder gebruiksvriendelijk boekwerk geworden: boektitels, ondertitels, initialen, lombarden, paragraaftekens, de zo kenmerkende naambordjes en de talloze illustraties, dit alles zal ervoor gezorgd hebben, dat gezochte informatie snel beschikbaar kwam. Het handschrift geeft er bovendien blijk van, dat de inhoud ervan zorgvuldig nagekeken is.
Maerlant had een andere doelstelling met ‘Der naturen bloeme’ dan Thomas van Cantimpr’e met het ‘Liber de natura rerum’. Thomas schreef voor congeniale religieuzen, Maerlant voor leken. Thomas schreef Latijns proza, Maerlant gaf zijn vakkundige vertaling ervan in de volkstaal in paarsgewijs rijmende verzen. Thomas streefde naar volledigheid – daardoor is hij bij tijd en wijlen redundant, tegenstrijdig en valt hij nogal eens in herhaling – Maerlant daarentegen, heeft uit zijn bron alleen de informatie gepuurd die hij voor zijn opdrachtgever relevant achtte.
Veel minder is Maerlant in het slangenboek de moralist gebleken waarvoor hij normaliter gehouden wordt. Evenmin heeft hij veel aandacht besteed aan de etymologieen van de slangennamen waaraan Thomas zo vaak aandacht schenkt, of aan de literaire referenties waarmee deze zijn relaas graag opsmukt. Symbolische duidingen zijn ook al ver te zoeken in Maerlants vertaling, net als gedetailleerde anatomische en fysiologische beschrijvingen van de serpenten.
Het grote aantal bewaard gebleven handschriften van het ‘Liber de natura rerum’ – men strijdt over 44 tot 158 stuks – vertoont onderling zodanig grote verschillen, dat er onderscheid gemaakt wordt in zogenaamde Thomas-I-, Thomas-II- en Thomas-III-versies. De tegenwoordig steeds luider uitgesproken veronderstelling dat Maerlant een legger tot zijn beschikking heeft gehad die behoorde tot de Thomas-II-versie, is door onderzoek van het slangenboek veel kracht bijgezet.
Slangen hebben in de Oudheid een belangrijke rol in ofiolatrische culturen gespeeld en doen dat in sommige hedendaagse culturen nog. Ze zijn in vergleden tijden al voorwerp van observatie en studie geweest. In de natuur geinteresseerde onderzoekers zoals Aristoteles, hebben al eeuwen voor onze jaartelling waarnemingen aan slangen verricht en hebben hun ervaringen soms te boek gesteld. Bij het herhaaldelijk handmatig kopieren en vertalen van hun informatie, zijn er in de loop der tijd echter allerlei onzuiverheden in terechtgekomen, zodat feit en fictie uiteindelijk door elkaar zijn gaan lopen. Desondanks heeft het geschrevene over de natuur een haast onaantastbare status gekregen die verhinderde dat de inhoud van de beschouwingen op zijn merites beoordeeld werd.
Met de opkomst van het Christendom is de status van de slang ingrijpend veranderd. Van een dier met een veelal positieve connotatie, is ze verworden tot het symbool van het slechte bij uitstek. Trouwens, de rol van de natuur in haar geheel is in het prille Christendom onder invloed van de ‘Physiologus’ en de latere bestiaria ingrijpend veranderd: flora en fauna werden metaforen, dragers van symbolische eigenschappen en aanleidingen voor moralistische bespiegelingen. Omdat Maerlant een exponent is van het autoriteitsprincipe, treffen we bij hem gegevens over de natuur aan zoals schrijvers, vanuit dezelfde opvatting schrijvend, al eeuwen van elkaar overgenomen hebben. Het zal tot in de zeventiende eeuw duren, voordat er een voorzichtig begin gemaakt wordt met empirisch onderzoek naar de juistheid van gedurende eeuwen voor waar gehouden opvattingen over bijvoorbeeld slangen.
Veel gegevens over slangen die Maerlant op instigatie van zijn Latijnse bron in ‘Der naturen bloeme’ heeft opgenomen, zullen menig lezer de wenkbrauwen doen fronsen. Door uitzonderlijk, onbegrijpelijk of ongeloofwaardig gedrag aan een nader onderzoek te onderwerpen, blijkt een groot aantal van deze gedragingen vanuit herpetologisch perspectief alleszins plausibel verklaard te kunnen worden. En passant maakt men kennis met de ongelooflijk rijke cultuurhistorie van de slang en krijgt dit boek de herpetologische en cultuurhistorische dimensie die in de edities van Verwijs en Gysseling afwezig is.

Marcel van der Voort, ‘Dat seste boec van serpenten. Een onderzoek naar en een uitgave van boek VI van Jacob van Maerlants Der naturen bloeme.’ 480 pagina’s. Uitgeverij Verloren, Hilversum. Middeleeuwse Studies en bronnen 75. ISBN: 90-6556-646-2; prijs NLG 75,15.

(3)-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=
Date: Mon, 09 Jul 2001 14:38:45 +0200
From: P.J. Verkruijsse <piet.verkruijsse@hum.uva.nl>
Subject: Med: 0107.03: Afdeling Documentatie Nederlandse Letterkunde (DNL) in Amsterdam opgeheven

=============================================
Afdeling Documentatie Nederlandse Letterkunde (DNL) in Amsterdam opgeheven
=============================================

De afdeling DNL van eertijds het Instituut voor Neerlandistiek (nu de Afdeling Nederlandse Taal en Cultuur, Spuistraat 134) van de Universiteit van Amsterdam bestaat vanaf juli 2001 niet meer. DNL had zijn ontstaan te danken aan de tijdens de in 1963 gehouden Algemene Conferentie der Nederlandse Letteren gemaakte afspraken om te komen tot de oprichting van een afdeling voor documentaire en bibliografische werkzaamheden aan diverse universiteiten. In Amsterdam zou men zich met name richten op de letterkunde van de renaissance. De hoogleraar Stuiveling pakte als eerste de zaak energiek aan met de oprichting van DNL en de aanstelling van Ernst Braches als eerste hoofd van die afdeling. De andere universiteitssteden lieten het er lelijk bij zitten.

Over de ontstaansgeschiedenis en doelstellingen leze men de bijdrage van het tweede hoofd van DNL, Bob van de Velde: ‘Rekenschap der bibliografie’, in: “Weerwerk. Opstellen aangeboden aan Prof. Dr. Garmt Stuiveling ter gelegenheid van zijn afscheid als hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam” (Assen 1973), p. 143-162. Sinds 1973 stond DNL onder leiding van G.J. van Bork en ondergetekende.

In de loop van de jaren is veel documentatiemateriaal op de afdeling bijeengebracht en zijn er allerlei documentaire projecten opgestart en/of afgerond. Over de minder zinnige ondernemingen kan men het beste het artikel van Ton Anbeek lezen ‘Plannen & Projecten (of: “gestalten boven mij”)’, in: De Klopgeest 9 (1974), nr. 19, p. 4-11. Een initiatief dat wel tot publicaties heeft geleid, is bijvoorbeeld de LTN-serie, Literaire Tijdschriften in Nederland; bibliografische beschrijvingen, analytische inhoudsopgaven en indices. Een aantal tijdschriftbeschrijvingen wacht nog steeds in kaart- en fichevorm op digitalisering. Ze staan (voorlopig nog) opgesteld in kaartenbakken in de bibliotheek van het P.C. Hoofthuis.

In de “Klapper op het bezit van de afdeling Documentatie Nederlandse Letterkunde”, 2e, zeer verm. dr. (Amsterdam 1981; SUNA-cahiers 1) wordt een overzicht gegeven van de op dat moment aanwezige verzamelingen. Een paar jaar geleden moesten de twee kamers in het P.C. Hoofthuis waarin DNL gevestigd was binnen de kortste keren ontruimd worden om plaats te maken voor werkkamers. Een deel van het materiaal verdween in de kelder; een ander deel werd in een kamertje binnen de bibliotheek gepropt. Ook dat kamertje moest nu geruimd worden in verband met inhuizing van steeds weer nieuwe leerstoelgroepen in het P.C. Hoofthuis.

Hieronder zal ik aangeven wat er met de diverse deelcollecties van DNL gebeurd is, opdat de eventuele belangstellende gebruiker zich in de toekomst niet voor niets op een verkeerde plek vervoegt.

Knipselcollectie

DNL beschikte over een zeer uitgebreide knipselcollectie die de gehele literatuurgeschiedenis omvat, vanaf Middeleeuwen tot heden. In de begintijd werd er door de afdeling zelf geknipt en kwamen knipsels binnen via professionele knipseldiensten. Ook zijn tal van schenkingen van fanatieke knippers in de collectie geintegreerd met knipsels uit vaak zeer oude kranten en weekbladen. De laatste jaren werd de collectie alleen nog uitgebreid met de kopieen van de Literaire Knipselkrant. Voor de moderne periode biedt de knipselcollectie niet veel meer dan datgene wat men ook in het Letterkundig Museum kan aantreffen, maar voor de oudere letterkunde vormen de DNL-knipsels uniek materiaal dat nergens elders gevonden kan worden. Vooralsnog (hoe lang nog is onzeker) staan de afgesloten knipsellades opgesteld in de bibliotheek van het P.C. Hoofthuis (te raadplegen via de balie). Naar het Letterkundig Museum gaat deze collectie in de toekomst in ieder geval niet omdat de waarde van de knipsels nu juist de periode betreft die het museum niet documenteert.

Scripties

DNL bewaarde en betrefwoordde alle scripties van Amsterdamse studenten (MO-, kandidaats- en doctoraalscripties). Deze twee- a drieduizend scripties zijn inmiddels verhuisd naar de kelder, inclusief het bijbehorende kaartsysteem, in afwachting van een al heel lang verwachte beslissing van de Faculteit over wat er met dit soort zeer grijze literatuur dient te gebeuren. Dat de scripties ergens in Amsterdam toegankelijk moeten blijven, lijkt mij buiten kijf. Een deel van de scripties is immers al toegankelijk via de digitale bibliotheek van de UB Amsterdam. Raadpleging kan via de balie van de bibliotheek P.C. Hoofthuis, maar de nummers van de op te vragen scripties moeten in het systeem in de kelder opgezocht worden.

Prenten

Vooral dank zij Stuiveling is een prachtige collectie van ongeveer 1500 prenten van letterkundigen (originele gravures uit de 17e tot 19e eeuw) opgebouwd. Deze collectie is vorig jaar in zijn geheel gedigitaliseerd voor de Digitale Bibliotheek der Nederlandse Letteren. Daarna is de collectie verhuisd naar de UB Amsterdam.

Documenten

Het documentenarchief bevatte allerhande stukken die niet thuishoorden in de knipselmappen, zoals brieven (originelen of kopieen) van en aan letterkundigen, kopieen van archivalia en manuscripten, folders, programmaboekjes en dergelijke meer. Deze collectie is nu opgesplitst in een modern deel dat naar het Letterkundig Museum is gegaan en een historisch deel dat de UB Amsterdam onder haar hoede heeft genomen.

Audiovisueel materiaal

Het audiovisuele materiaal (grammofoonplaten, cassettebandjes) is verhuisd naar het Letterkundig Museum voor zover het de verzamelperiode van die instelling betreft.

Romanproject 18e eeuw

Een kast met fotokopieen en microfilms van 18e-eeuwse romans is op de 4e verdieping van het P.C. Hoofthuis geplaatst. Inlichtingen hierover verschaft dr. A.N. Paasman: b.paasman@hum.uva.nl.

Laatmiddeleeuws proza

Een kast met fotokopieen en microfilms van laatmiddeleeuwse prozateksten, bijeen verzameld uit tal van bibliotheken over de hele wereld, is eveneens op de 4e verdieping ondergebracht. Inlichtingen hierover bij dr. R.J. Resoort: rob.resoort@hum.uva.nl.

Apparaat-Cram

Dit uitgebreide kaartsysteem, vernoemd naar de initiatiefneemster mevrouw dr. A.M. Cram-Magr’e, staat nu (alweer: voorlopig nog) opgesteld op de knipselkasten in de bibliotheek van het P.C. Hoofthuis. Het is te beschouwen als een voorloper van de BNTL en ontsluit tal van tijdschriften en verzamelbundels die nu nog steeds niet retrospectief door de BNTL zijn ingehaald. Zie hiervoor: Bob van de Velde, ‘Een project voor een bibliografisch onderontwikkeld gebied’, in: Spektator 1 (1971-1972), nr. 7/8 (Ton Cram-nr.), p. 515-517.

Pseudoniemenapparaat

Het pseudoniemenapparaat betreft een uit diverse bronnen samengesteld systeem met tal van pseudoniemen die niet in de reguliere pseudoniemenwoordenboeken terug te vinden zijn. Waarschijnlijk zal de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (dbnl) te Leiden zich hierover ontfermen.

Centrale Registratie

De kaartenbakken met de zgn. Centrale Registratie bevatten kaarten van diverse kleuren die verwijzen naar de deelcollecties. Daarnaast zitten er ook hele pakketten kaarten in, vooral betreffende auteurs uit de renaissanceperiode, met bio- en bibliografische gegevens en verwijzingen naar archivalia, brieven en manuscripten in diverse archieven en bibliotheken. Dit hele systeem waarin dus de totale structuur van DNL verweven zit, dreigt in de prullenbak te verdwijnen.

Het is geen opwekkend verhaal, deze fragmentering en vernietiging van materiaal dat met veel moeite in de loop van 35 jaar verzameld is. Voor veel studenten – en voor veel bezoekers van elders – is DNL jarenlang een begrip geweest. Veel universitaire medewerkers zijn daar als kandidaat-assistent hun carriere begonnen. Het wordt tijd dat Ton Anbeek zijn memoires met betrekking tot deze afdeling verder op schrift stelt. Wellicht zijn er ook lezers van Neder-L die zich aangetrokken voelen tot het digitaliseren van materiaal dat er nu nog is, maar op termijn dreigt te verdwijnen. Ik denk hierbij aan het pseudoniemenapparaat en de indexen op tijdschriften. Die laatste kunnen dan opgenomen worden in de inmiddels digitaal geworden reeks Literaire Tijdschriften in Nederland (LTN) die door het NIWI op het web gezet zal worden. Laten belangstellenden zich vooral melden bij: piet.verkruijsse@hum.uva.nl.

P.J. Verkruijsse

(4)-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=
Date: Tue, 10 Jul 2001 17:15:07 +0200
From: Ton Esman <tesman@eibergen.nl>, via <reinder.storm@kb.nl>
Subject: Sym: 0107.04: Symposium 'Menno ter Braak, denker aan de grens' op za 22 september 2001 te Eibergen

=========================
Symposium Menno ter Braak
=========================

In oktober 2000 verscheen ‘Want alle verlies is winst’, het eerste deel van de bejubelde biografie van Menno ter Braak door L’eon Hanssen. Dit jaar verschijnt bij uitgeverij Balans het afsluitende deel onder de titel: ‘Sterven als een polemist. Menno ter Braak 1930-1940’.

Menno ter Braak was afkomstig uit Eibergen en heeft altijd een band met deze plaats in de Achterhoek gehouden.
Het Museum “De Scheper” en de gemeente Eibergen houden op zaterdag 22 september 2001 in de Hervormde Kerk te Eibergen een symposium over Ter Braak, bij welke gelegenheid het boek officieel zal worden gepresenteerd met als thema:

“Menno ter Braak, denker aan de grens.”

Het programma luidt als volgt:
11.00 u ontvangst met koffie in de N.H. Kerk
11.30 u opening symposium door mw. A. Emmens-Knol, burgemeester van Eibergen
11.45 u lezing prof. dr. Hermann W. von der Dunk
12.15 u lezing mw. dr. Madelon de Keizer
12.45 u pauze, met een lunch in gebouw “de Huve” en de mogelijkheid tot het bezichtigen van de Ter Braak-exposities in de openbare bibliotheek en in museum “de Scheper” (deze gebouwen staan vlakbij de kerk)
14.30 u lezing prof. dr. Machiel Karskens
15.00 u afsluiting door dr. L’eon Hanssen, auteur van de biografie hierna mogelijkheid om de biografie te kopen en de tentoonstellingen te bezoeken

De lezingen hebben als onderwerp de betekenis van Ter Braak in de Nederlandse en Europese cultuur van de twintigste eeuw en zullen mede zijn gebaseerd op de biografie door L’eon Hanssen.

Hermann W. von der Dunk is emeritus-hoogleraar nieuwe geschiedenis te Utrecht en publiceert regelmatig over cultuurgeschiedenis en cultuurpolitiek. Deze vooraanstaande historicus beschrijft in zijn recente grote studie ‘De verdwijnende hemel’ de cultuurgeschiedenis van de twintigste eeuw.

In deze lezing zal hij de plaats van Ter Braak in de Europese cultuur behandelen met een accent op de verbindingen met Thomas Mann.

Madelon de Keizer is verbonden aan het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) en promoveerde op ‘Het Parool 1940-1945. Verzetsblad in oorlogstijd’. Zij is gespecialiseerd in de geschiedenis van het interbellum en de tweede wereldoorlog. Volgens deze historica heeft Ter Braaks zelfgekozen dood, op 14 mei 1940, de betekenis gekregen van een breuk in de Nederlandse cultuurgeschiedenis. In haar lezing zal zij deze zienswijze toelichten.

Machiel Karskens is hoogleraar sociaal politieke wijsbegeerte te Nijmegen en is gepromoveerd op Michel Foucault: “waarheid als macht”. Deze filosoof is voorzitter van de Filosofische Faculteit van de KUN en publiceert over wijsgerige en culturele onderwerpen. In zijn lezing gaat hij in op romantische thema’s als grens, zich niet thuis voelen en verlangen zoals die in het post-modernisme aan de orde komen. De cultuurkritische traditie waarin Ter Braak denkt wordt wellicht voortgezet in het post-modernisme.

Voor deelname aan dit symposium kunt u zich aanmelden door een schriftelijke opgave te sturen naar Museum de Scheper (Postbus 82, 7150 AB Eibergen) of een e-mail aan: Mennoterbraak@hotmail.com
Betaling van NLG 25,- p.p. voor de hele dag, inclusief lunch en entree exposities, kan ter plaatse worden voldaan. Informatie: Ton Esman (+31-(0)545-468.000), Paul Puntman (di: +31-(0)545-471.050).

(5)-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=
Date: Mon, 09 Jul 2001 14:38:45 +0200
From: P.J. Verkruijsse <piet.verkruijsse@hum.uva.nl>
Subject: Rub: 0107.05: Pas verschenen: I.H.J. Poissonnier. Zooveel zijne kleine boekverzameling gedoogde. De bibliotheek van de Oostburgse advocaat en amateur-historicus Mr. Johannes Egberts Risseeuw (1798-1869). (Aardenburg, 2001)

==============
Pas verschenen
==============

I.H.J. Poissonnier. Zooveel zijne kleine boekverzameling gedoogde. De bibliotheek van de Oostburgse advocaat en amateur-historicus Mr. Johannes Egberts Risseeuw (1798-1869). [Aardenburg]: Heemkundige Kring West-Zeeuws-Vlaanderen, 2001 (Bijdragen tot de geschiedenis van West-Zeeuws-Vlaanderen, 29). 208 blz.; ills.; ISSN 1381-9542.

Amateurs doen vaak uitermate goed werk. De 19e-eeuwse amateur-historicus Risseeuw is door de amateur-boekhistoricus Poissonnier (Poissonnier is econoom van huis uit) op een zodanige manier in een monografie behandeld dat veel boekhistorici daarop jaloers kunnen zijn. Deze studie geeft niet alleen een schets van de West-Zeeuws-Vlaamse jurist (hoofdstuk 2) en diens bibliotheek (hoofdstuk 4-9), maar biedt tevens een cultuurhistorische achtergrond van het intellectuele leven in deze uithoek van Nederland in de eerste helft van de 19e eeuw (met name de hoofdstukken 2 en 14).

Poissonnier stond een aantal documenten ter beschikking als basis voor zijn studie: de boedelbeschrijving (hoofdstuk 3), de auctiecatalogus (hoofdstuk 1) en een lijst van kopers en prijzen (bijlage IV), alle uit 1869. Aan de hand van de notariele boedelbeschrijving neemt Poissonnier ons mee door het sterfhuis om te laten zien waar de voornamelijk naar formaat en categorie (volgens Kloek) geordende boeken zich bevonden. We krijgen een overzicht van de juridische (hoofdstuk 4), geschiedkundige en geografische werken (hoofdstuk 5), van de boeken in verband met taal- en letterkunde (hoofdstuk 6), theologie en filosofie (hoofdstuk 7), van de werken over natuur- en toegepaste wetenschappen, schoolboeken (hoofdstuk 8), kranten en tijdschriften (hoofdstuk 9) en van de manuscripten en gedrukte werken van Risseeuw zelf (hoofdstuk 11).

In hoofdstuk 10 is een analyse opgenomen van de boeken naar de tijdvakken waarin ze verschenen zijn. 40 procent van het boekenbezit dateert van voor 1800 (slechts 12 titels komen uit de periode 1561-1647), 34 procent is uit de periode 1800-1840 en 26 procent van na 1840. Hoofdstuk 13 behandelt de opbrengst van de veiling, de prijzen en de kopers. De 671 kavels hebben NLG 761,60 opgebracht, waarvan de boeken in groot octavo de beste prijs deden. Tot de duurste kavels behoorde ‘Alle de wercken’ van Jacob Cats (NLG 17,00); ‘Sara Burgerhart’ deed slechts NLG 1,00. De meeste literaire werken in de bibliotheek van Risseeuw dateerden uit de 18e eeuw. De meeste kopers op de auctie waren Zeeuws-Vlamingen (27 van de 37); daarnaast waren er 5 Belgen, 4 uit overig Zeeland en slechts 1 uit overig Nederland. Een uitvoerig overzicht van kopers en hun aankopen geeft Bijlage IV.

Wie in het bezit wil komen van deze keurig vormgegeven, goed geillustreerde, van een personenindex voorziene en vooral degelijke monografie, wende zich tot het redactieadres van de Heemkundige Kring West-Zeeuws-Vlaanderen, de heer A.R. Bauwens, Hanzestraat 1, 4527 GH Aardenburg, +31 (0)117 492503.

P.J. Verkruijsse

(6)-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=
Date: Mon, 09 Jul 2001 12:35:41 +0200
From: Ton Harmsen <a.j.e.harmsen@let.leidenuniv.nl>
Subject: Lit: 0107.06: Te verschijnen bij voldoende intekening: Leidse congresbundel 'Pinguins of Pikkewyne'

=====================================
Congresbundel ‘Pinguins of Pikkewyne’
=====================================

Op 6 en 7 april 2001 organiseerde de Leidse Opleiding Nederlands een colloquium over taal- en letterkundige aspecten van de band tussen Nederland en Zuid-Afrika onder de titel: Pinguins of Pikkewyne. (Zie Neder-L 0102.35). Bij voldoende intekening zal in de S.N.L.-reeks van de Stichting Neerlandistiek Leiden onder redactie van Eep Francken en Ariane van Santen een colloquiumbundel met alle lezingen verschijnen onder de titel: ‘Pinguins en Pikkewyne’.

Sprekers waren:

  • W. Botha (Leids gasthoogleraar, afkomstig van de Randse Afrikaanse universiteit), “Die Afrikanerprototipe”;
  • F.-W. Korsten (Leiden), “Maak een verleden dat verdwijnt: het latere werk van Eybers”;
  • M. van Niekerk (Stellenbosch), “Digterskap en landskap met verwysing na Elisabeth Eybers en Ida Gerhardt”;
  • P.C. Paardekooper (Leiden), “Afrikaans is 17e-eeuws Beschaafd AT2 ofwel Amsterdams tweede taal”,
  • L. Renders (Limburgs Universitair Centrum, Diepenbeek),”‘Foute’ vaders, Monika van Paemel, Nelleke Noordervliet, Elsa Joubert”;
  • H. Roos (Unisa), “Skrywer en stamland: Karel Schoeman se Nederlandse verbintenis”;
  • P. Swanepoel (Unisa), “Die unieke en die universele in die Afrikaanse en Nederlandse etnobiologiese nomenklatuur”;
  • M. Verhoef (Potchefstroomse universiteit vir Christelike Ho”er Onderwys), “Taalveranderingspatrone van 17e eeuse Nederlands tot moderne Afrikaans”.
    Ook Marc van Oostendorp zal aan de bundel bijdragen (“Franje in het Afrikaans”).

Achterin het boek komt een lijst van intekenaren. Als intekenaar krijgt u van de S.N.L. ongeveer NLG 10 korting op de uiteindelijke prijs; u betaalt NLG 32,50, pas als het boek er is.

Om te bestellen schrijft u de volgende gegevens op:
Naam:
Adres:
Postcode en woonplaats:
tekent hierbij in op de colloquiumbundel “Pinguins en Pikkewyne”, tegen de intekenprijs van NLG 32,50 per exemplaar (excl. verzendkosten).
Hij/zij wordt wel/niet vermeld op de lijst van intekenaren.
Aantal exemplaren:
Plaats en datum:
Handtekening:
Opsturen aan: Dr. B.P.M. Dongelmans, Opleiding Nederlands, Postbus 9515 RA, Leiden

(7)-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=
Date: Mon, 02 Jul 2001 07:31:02 +0200
From: Marc van Oostendorp <marc.van.oostendorp@meertens.knaw.nl>
Subject: Col: 0107.07: Column Marc van Oostendorp: NederNed, no. 38: De geeuw van de lil

=====================================
NederNed, no. 38: De geeuw van de lil
=====================================

Ik zat op een terras margarita’s te drinken met iemand die ‘gil’ hetzelfde uitsprak als ‘geeuw’, maar die tegelijkertijd een duidelijk verschil beweerde te horen tussen het woord ‘verst’ dat ‘meest ver’ en het woord dat ‘meest vers’ betekende. Dat is voor mij precies andersom.

Mensen zoals mijn vriend zullen volgens mij de fonologie van het Nederlands weer interessant maken. Niet dat hij nu zelf zo’n briljante fonoloog is, integendeel, zijn kennis overstijgt nauwelijks dat van een willekeurige toekomstige bachelor in de Nederlandse taal- en letterkunde. Maar omdat hij de woorden op zo’n interessante manier uitspreekt, en daarin vast niet de enige is.

Dat mensen Niels en nieuws hetzelfde uitspreken, en veel laten rijmen op leeuw, daar hoor je al niet meer van op; het verschijnsel is al door verschillende taalkundigen beschreven. Ik doe het zelf geloof ik ook wel, in ieder geval in de genoemde woorden. Er valt ook wel een min of meer plausibel verhaal te vertellen over waarom ik dat doe, waarom zoveel mensen het doen: dat de l aan het eind van de lettergreep toch al de neiging heeft om dik te zijn en dat die dikke l heel dicht bij een w-klank ligt.

Nederlanders hebben dat eeuwen geleden al een keer gedaan. Die begonnen op een bepaald moment ‘oud’ te zeggen in plaats van ‘old’ en ‘koud’ in plaats van ‘kalt’. We beginnen nu gewoon aan een nieuwe ronde.

Het was een warme avond op een terras in Den Haag. Daar kwam mijn vriend ook vandaan en bovendien had hij een beetje een dubbele tong, want we zaten al aan onze derde margarita. Maar daar lag het allemaal niet aan – hij is vijfentwintig jaar en behoort volgens mij gewoon tot de voorhoede van de nieuwste fonologische verandering.

Maar zijn er dan echt mensen die hun tong helemaal optillen aan het eind van geel? Die daar echt een l zeggen net als in leeg? Ik gaf tien jaar geleden al college aan propedeusestudenten. Ik vertel daarin altijd dat mensen het liefst klinkers en medeklinkers laten afwisselen. Dat ze daarom [melluk] zeggen tegen melk. Maar de laatste jaren zijn er nauwelijks nog studenten die dat nog geloven. ‘We zeggen toch gewoon [mewk]?’ roepen ze dan. En ik moet toegeven dat ik zelf ook steeds vaker [mewk] zeg en steeds minder [melluk].

Bij mijn vriend was er nog iets meer gebeurd, ontdekte ik. Voor hem hadden de klinkers voor een l en trouwens ook voor een r het verschil in lengte verloren. Gil klonk voor hem hetzelfde als geel, Cor hetzelfde als koor. Ook dat is een verschijnsel dat je bij meer mensen hoort, al ken ik er eigenlijk geen literatuur over.

Maar is dat dan geen polder-Nederlands? Ja, dat is wat iedereen tegenwoordig zegt als je een taalverandering observeert, vooral als die iets met klinkers te maken heeft. Maar volgens mij heeft Jan Stroop, de vader van het polder-Nederlands, nog nooit iets over die klinkerlengte gezegd.”

Wat mij nog niet eerder was opgevallen, was dat de twee verschijnselen konden samenvallen – en dat je zo margarita’s kon drinken met iemand voor wie de woorden ‘gil’, ‘geel’ en ‘geeuw’ allemaal hetzelfde klonken. En toch is mijn vriend er nog nooit door in de war geraakt.

Wat ik ook nog niet wist is dat je kennelijk nog wel iets met die lengte doet: omdat het er kennelijk toch niet toe doet maak je je klinkers in de laatste lettergreep net even langer. De klinker in jouw gil en geel klinkt meer zoals die van mij in geel dan zoals die van mij in gil.”

Ook de klinker in ver bleek langer te zijn bij mijn vriend dan bij mij. Maar die verlenging gebeurt alleen als de klinker door niet meer dan ‘e’en medeklinker gevolgd wordt: wel in ver, niet in vers of kerst. Het is niet moeilijk te begrijpen waarom dat zo is: er moet wel ruimte zijn voor die verlenging, en met teveel medeklinkers is die ruimte er niet.

Welke medeklinkers tellen mee? Bij mijn vriend kennelijk alleen die van de stam. Bij verder en (ik spring het) verst zijn de s en de t kennelijk onzichtbaar: de e wordt langer, net als in de eenvoudige vorm ver. Maar vers begint in de eenvoudige vorm al met twee medeklinkers die de klinker het verlengen beletten: die s is dus wel zichtbaar.

Dat verklaart het verschil tussen verst en verst, en daar namen we nog maar een margarita op.

Marc.van.Oostendorp@Meertens.KNAW.nl

(8)-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=

*-------------------------------------------------------------------------*
|                                                                         |
| Informatie over Neder-L:                                                |
| ========================                                                |
| Algemene informatie opvragen over Neder-L: stuur mail naar              |
|   listserv@nic.surfnet.nl met daarin de boodschap: GET NEDER-L INFO     |
| Abonnement nemen op Neder-L: stuur mail naar listserv@nic.surfnet.nl    |
|   met als boodschap: SUB NEDER-L uw-voornaam/voorletters uw-achternaam  |
| Neder-L op het web/WWW: Neder-L-nummers zijn vanaf januari 1997 in      |
|   web-formaat te lezen via: http://baserv.uci.kun.nl/~salemans/         |
|   Nadere informatie over Neder-L in web-formaat: zie artikel 9706.01    |
|   Er is ook een WWW-archief met alle e-mailversies van Neder-L sinds    |
|   juni 1992, dat ook op trefwoord doorzocht kan worden; de URL van dit  |
|   listserv-archief: http://listserv.surfnet.nl/archives/neder-l.html    |
| Neder-L wordt ook verspreid via de Internet-newsgroup bit.lang.neder-l  |
| Oude Neder-L-bulletins opvragen: stuur mail naar listserv@nic.surfnet.nl|
|   met daarin een boodschap als: GET NEDER-L LOG9206                     |
|   (resultaat: logboek met Neder-L-artikelen van juni '92 wordt gestuurd)|
|   Of maak gebruik van het listserv-archief (zie enkele regels hierboven)|
| Bijdrage voor Neder-L opsturen: stuur mail naar neder-l@nic.surfnet.nl  |
| Contact met redactie: stuur mail naar Salemans@baserv.uci.kun.nl, naar  |
|   Willem.Kuiper@hum.uva.nl, naar Piet.Verkruijsse@hum.uva.nl (voor de   |
|   evenementenagenda) of naar P.A.Coppen@let.kun.nl                      |
*-------------------------------------------------------------------------*

*-Einde-------------------- Neder-L, no. 0107.a --------------------------*