Neder-L, no. 0006.a

Subject: Neder-L, no. 0006.a
From: BJP Salemans
Reply-To:Elektronisch tijdschrift voor de neerlandistiek
Date:Sat, 10 Jun 2000 20:39:08 +0200
Content-Type:TEXT/PLAIN
                           *********************
*-Negende-jaargang--------- Neder-L, no. 0006.a -----------ISSN-0929-6514-*
|                                                                         |
|      ************************************************************       |
|      * Neder-L, elektronisch tijdschrift voor de neerlandistiek *       |
|      ************************************************************       |
|                                                                         |
| Onderwerpen in dit bulletin:                                            |
| ============================                                            |
| (1) Rub: 0006.01: Evenementenagenda, met:                               |
|                   - Debat over de taalproblematiek van allochtone       |
|                     leerlingen, mede n.a.v. het Taalkundig Manifest     |
|                     'Het Multiculturele Voordeel: Meertaligheid als     |
|                     Uitgangspunt', vr 23 juni 2000 (A'dam)              |
|                   - Tentoonstelling 'Kijken naar dezelfde maan. Japanse |
|                     en westerse kalligrafie van nu', zo 11 juni - zo 20 |
|                     augustus 2000 (Den Haag)                            |
|                   - Bijeenkomst 'Toegang verzekerd? Internet en Auteurs-|
|                     recht verklaard voor bibliotheken, musea, archieven |
|                     en monumentenzorg', do 2 november 2000 (Utrecht)    |
| (2) Art: 0006.02: Het Multiculturele Voordeel: Meertaligheid als        |
|                   Uitgangspunt. Taalkundig Manifest. Opgesteld door     |
|                   Hans Bennis, Guus Extra, Pieter Muysken en Jacomine   |
|                   Nortier                                               |
| (3) Med: 0006.03: Afscheid prof. dr. W.G. Klooster op vr 1 september    |
|                   2000 te Amsterdam; symposium 'Grammatica en lexicon', |
|                   afscheidscollege en receptie                          |
| (4) Med: 0006.04: Onze Taal Knipselkrant                                |
| (5) Sym: 0006.05: Studiedag/vakbeurs 'SLOC 2000' over ICT-toepassingen  |
|                   in taal- en cultuuronderwijs op vr 23 juni 2000 te    |
|                   Nijmegen                                              |
| (6) Sym: 0006.06: TABU-dag 2000 op vr 16 juni 2000 te Groningen; tweede |
|                   aankondiging                                          |
| (7) Lit: 0006.07: Themanummer kunsten 'Sploxi'                          |
| (8) Rub: 0006.08: Hora est!: promoties juni 2000:                       |
|                   - Wo 14 juni 2000 te Brussel: drs. Eric De Bruyn      |
|                   - Wo 14 juni 2000 te Utrecht: drs. O.N.C.J. Koeneman  |
|                   - Do 15 juni 2000 te Amsterdam: dhr. P.G. de Bruijn   |
|                   - Vr 16 juni 2000 te Utrecht: drs. B.C. Holleman      |
|                   - Do 22 juni 2000 te Nijmegen: drs. Jan Spoelder      |
| (9) Informatie over Neder-L                                             |
|                                                                         |
*--------------------------                     -------------10-juni-2000-*
                           *********************

(1)-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=
Date: Mon, 05 Jun 2000 22:13:18 +0200
From: P.J. Verkruijsse <piet.verkruijsse@hum.uva.nl>
Subject: Rub: 0006.01: Evenementenagenda

=================
Evenementenagenda
=================


AMSTERDAM, Trippenhuis (hoofdgebouw KNAW). Kloverniersburgwal 29, Amsterdam. Info: +31-(0)20-6390115 of karijn.helsloot@hum.uva.nl.

Debat over de taalproblematiek van allochtone leerlingen, vrijdag 23 juni 2000.

  • Het debat is georganiseerd door de samenstellers van het Taalkundig Manifest ‘Het Multiculturele Voordeel: Meertaligheid als Uitgangspunt’, Hans Bennis, Guus Extra, Pieter Muysken en Jacomine Nortier, in samenwerking met de LOT. Dit manifest staat in het hierna volgende artikel: Neder-L 0006.02.

DEN HAAG, Museum van het boek / Meermanno-Westreenianum. Prinsessegracht 30, +31-(0)70-3462700.

Tentoonstelling ‘Kijken naar dezelfde maan. Japanse en westerse kalligrafie van nu’, zondag 11 juni – zondag 20 augustus 2000; openingstijden: dinsdag t/m vrijdag van 11 – 17 uur; zaterdag, zon- en feestdagen 12 – 17 uur.

  • Tentoonstelling in het kader van 400-jarige betrekkingen tussen Japan en Nederland. De expositie toont in een tweeluik moderne Japanse en hedendaagse westerse kalligrafie, ook wel ‘letterkunst’ of ‘schoonschrift’ genoemd. Het Japanse deel van de tentoonstelling bestaat uit werken van ruim dertig studenten van Nihon Shoho In, een grote kalligrafieschool uit Tokio onder leiding van schrijfmeester Shofu Kawabe. Deze school geeft onderwijs in traditionele en hedendaagse vormen van kalligrafie. Kroon op de expositie is een werk van Kawabe van ruim 7 meter lang met tekst in goud op zijde. De westerse kalligrafie omvat nieuw werk van ruim veertig westerse kalligrafen op papier, glas, keramiek, hout en steen. Tijdens de tentoonstelling zijn er allerlei activiteiten voor volwassen en kinderen. Op zaterdag 22 juli is er een Dag van de Kalligrafie met allerlei demonstraties.

UTRECHT, Jaarbeurs.

Informatiebijeenkomst ‘Toegang verzekerd? Internet en Auteursrecht verklaard voor bibliotheken, musea, archieven en monumentenzorg’, donderdag 2 november 2000.

  • Deze bijeenkomst, georganiseerd door FOBID (Federatie van Organisaties in het Bibliotheek-, Informatie- en Dokumentatiewezen) en DEN (vereniging Digitaal Erfgoed Nederland), behandelt de juridische problematiek rond het aanbieden en gebruik van informatie op Internet. Meer gegevens: http://www.surf.nl/fobid/bijeenkomst.htm

(2)-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=
Date: Sun, 04 Jun 2000 11:28:39 +0200
From: Karijn Helsloot <karijn.helsloot@hum.uva.nl>
Subject: Art: 0006.02: Het Multiculturele Voordeel: Meertaligheid als Uitgangspunt. Taalkundig Manifest. Opgesteld door Hans Bennis, Guus Extra, Pieter Muysken en Jacomine Nortier

         *--------------------------------------*
         |                                      |
         |     Het Multiculturele Voordeel:     |
         |    Meertaligheid als Uitgangspunt    |
         |                                      |
         |         Taalkundig Manifest          |
         |                                      |
         *--------------------------------------*

Onze samenleving is meertalig. We hebben minderheidstalen als het Fries, streektalen als het Nedersaksisch, het Limburgs en het Zeeuws, en vele ‘autochtone’ Nederlanders spreken een dialect of een stadstaal. De laatste vijftig jaar is er een toestroom van immigranten vanuit landen rond de Middellandse zee, zoals Spanje en Italie, en later vanuit Turkije en Marokko. Deze mensen hebben hun eigen talen en culturen meegebracht, net als de Molukkers, de Chinezen, de Surinamers en de Antillianen, en vele anderen, waaronder vluchtelingen uit tal van landen. Meertaligheid is daarmee een eigenschap van onze multiculturele samenleving geworden. Het merendeel van de inwoners van ons land wordt thuis opgevoed in een andere taal of taalvarieteit dan het standaard-Nederlands. Dat is een gegeven, niet een probleem.

Op dit moment lijkt er in het maatschappelijke debat over de multiculturele samenleving een tendens te ontstaan in de richting van eentaligheid. Om de leerproblemen van anderstaligen op te lossen wordt heil gezocht in een exclusieve benadrukking van het Nederlands als standaardtaal. Vooral waar het gaat om de schoolsituatie worden er voorstellen gedaan om de meertaligheid van allochtone leerlingen zoveel mogelijk tegen te gaan. Er wordt zelfs al gesproken over ‘Nederlands op schoot’. Dit is een paradoxale paniekreactie op een complex probleem.

Het onderwijsbeleid ten aanzien van allochtone leerlingen lijkt een heilloze weg in te slaan waarin de pluriforme taalsituatie moet worden aangepast aan een monolinguale schoolsituatie. Men lijkt te denken dat de school of de “voorschool” de plaats is om multiculturele problemen op te lossen. Dat de school een afspiegeling is van onze samenleving lijkt men niet of nauwelijks te beseffen. Het is natuurlijk andersom: als er problemen zijn, moet de school zich aanpassen aan de veranderde situatie. Het onderwijs zou zich dan ook moeten beraden op manieren waarop de schoolsituatie kan aansluiten bij de bestaande multiculturaliteit. Diversiteit zou een uitgangspunt moeten zijn voor aanpassing van het schoolsysteem met zijn sterk monolinguale habitus. Wij kunnen wel denken of wensen dat ‘buitenlanders’ zich moeten aanpassen, de praktijk wijst uit dat deze patriarchiale opstelling eerder maatschappelijke problemen veroorzaakt dan oplost.

De essentie van de aanpak van het probleem rond het schoolsucces van allochtone jongeren zou moeten liggen in het accepteren van meertaligheid als uitgangspunt en als doelstelling. Onderzoek wijst uit dat kinderen, en zeker jonge kinderen, in staat zijn om twee of zelfs meer talen tegelijkertijd te verwerven. In Friesland bestaat er geen beweging die er voor pleit om kinderen rond twee jaar op een exclusief Nederlandstalige voorschool te plaatsen. Daar is tweetaligheid een geaccepteerd verschijnsel dat via school bovendien wordt bevorderd. Ook bij andere groepen zoals de Chinezen en de Molukkers ervaren wij tweetaligheid niet als een probleem. De onderwijsaanpak van de Molukkers in de jaren vijftig laat zien dat met het streven naar eentaligheid eerder problemen worden veroorzaakt dan worden opgelost: bilinguaal en bicultureel onderwijs was een antwoord op een falende monolinguale en monoculturele aanpak.

Wat moet er dan concreet veranderen ten opzichte van de huidige aanpak? Als we de schoolresultaten van allochtone leerlingen willen verbeteren, moeten we de didactiek aanpassen aan deze groep leerlingen. Niemand zal ontkennen dat veel van deze leerlingen een te geringe beheersing van het Nederlands hebben en dat dit een negatief effect heeft op hun perspectieven in onze samenleving. Er zal dus iets moeten gebeuren met het taalonderwijs. Het is niet reeel om te verwachten dat de samenleving zich vanzelf zal aanpassen aan dit probleem.

De oplossing ligt enerzijds in het vergroten van het respect voor en de vaardigheid in de thuistaal van allochtone leerlingen en anderzijds in het vergroten van de vaardigheid van het Nederlands door speciaal daarvoor ontwikkelde methoden. De overheid zou meertaligheid moeten uitroepen tot een belangrijk en wenselijk onderdeel van de samenleving en het beleid richten op de stimulering van een meertalige samenleving. In andere multiculturele landen zoals Australie, Canada of Noordrijn-Westfalen, is het overheidsbeleid expliciet gericht op een ondersteuning van meertaligheid. Dit is niet alleen een menswaardige benadering, maar ook een benadering die culturele, maatschappelijke en economische voordelen biedt. Meertaligheid zou gezien moeten worden als economisch en cultureel kapitaal.

In een modelwijk in Nederland als het Utrechtse Lombok zien we dat een positieve benadering van multiculturaliteit en meertaligheid leidt tot een boeiend proces van culturele en maatschappelijke integratie. Ook economisch is er veel winst te behalen door op een creatieve manier gebruik te maken van de veeltalige samenleving. De overheid zou het initiatief moeten nemen om het keuzepakket van talen in het voortgezet onderwijs drastisch uit te breiden als een teken van respect voor de talen en culturen van een sterk groeiende groep in onze samenleving. Een verhoging van het prestige van de talen en culturen van allochtone leerlingen is een belangrijk deel van de oplossing van ‘het taalprobleem’.

Dit alles neemt niet weg dat er op dit moment sprake is van een te geringe beheersing van het Nederlands bij veel allochtone leerlingen. Daar moet iets aan gedaan worden. In het onderwijs moet er structurele aandacht zijn voor het feit dat grote groepen leerlingen niet het standaard Nederlands als eerste taal hebben. Er moet allereerst doelgericht onderwijs zijn voor allochtone leerlingen in de vorm van Nederlands als tweede taal. Dit is een expertise die specifieke scholing vereist. Op het gebied van de didactiek van het vak Nederlands als tweede taal in het basisonderwijs valt nog veel te verbeteren. Het onderwijs zou daarnaast in brede zin moeten uitgaan van een meertalige situatie. Het onderwijs in zaakvakken als aardrijkskunde en biologie zou zo georganiseerd moeten zijn dat het aansluit bij meertalige en multiculturele klassen, en niet alleen bij leerlingen die een (standaard-) Nederlandstalige achtergrond hebben. Dit vereist een interculturele didactiek voor de zaakvakken; leraren zullen moeten worden bijgeschoold om zich deze nieuwe benadering eigen te maken; de opleiding van docenten moet worden veranderd; nieuwe leermethoden zullen beter moeten worden geimplementeerd of nog moeten worden ontwikkeld; de toetsing zal moeten worden aangepast. Al deze elementen vragen om een nationaal werkprogramma van de overheid.

Dat er iets moet gebeuren is wel duidelijk geworden uit de brede maatschappelijke discussie die op dit moment plaatsvindt; dat het niet eenvoudig is om een oplossing te vinden is evident; maar laten we vooral proberen om deze complexe problematiek op een zorgvuldige en doordachte manier aan te pakken. De taalwetenschap heeft de afgelopen decennia veel aandacht besteed aan meertaligheid en aan het leren en onderwijzen van Nederlands als tweede taal en van allochtone talen. De resultaten van deze studies geven aanleiding tot de hierboven besproken stellingname.

Wij vinden dat de resultaten van taalkundig onderzoek een veel grotere rol moeten spelen in het publieke debat over de multiculturele samenleving. Om deze visie verder toe te lichten en te confronteren met andere opvattingen over de taalproblematiek van allochtone leerlingen hebben onderstaande personen, tevens samenstellers van dit manifest, in samenwerking met de Landelijke Onderzoekschool Taalwetenschap LOT op 23 juni 2000 een debat georganiseerd over dit thema in het Trippenhuis, het hoofdgebouw van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen aan de Kloverniersburgwal 29 in Amsterdam. Aanmeldingsformulieren kunt u opvragen bij LOT, Universiteit Utrecht (030-2536006 of uil-ots@let.uu.nl). Informatie: Studio Taalwetenschap Helsloot Verrips (020-6390115 of karijn.helsloot@hum.uva.nl).

Opstellers van dit manifest:

  • Hans Bennis, directeur Meertens Instituut, Amsterdam;
  • Guus Extra, hoogleraar Taal en Minderheden, directeur van Babylon, Centrum voor Studies van Meertaligheid in de Multiculturele Samenleving, KUB, Tilburg;
  • Pieter Muysken, hoogleraar Talen en Culturen van Latijns Amerika, Universiteit Leiden, en winnaar van de Spinozaprijs 1999;
  • Jacomine Nortier, Universiteit Utrecht; coordinator van het NWO-onderzoekprogramma Talen en Culturen in het Utrechtse Lombok en Transvaal.

Lijst van ondertekenaars van dit manifest:

  • Jeroen Aarssen, Babylon, KUB Tilburg
  • Lilian Adamson, Algemene Taalwetenschap, Universiteit van Amsterdam
  • Metin Alkan, Pedagogiek en Onderwijskunde, Universiteit van Amsterdam
  • Abder El Aissati, Babylon, KUB Tilburg
  • Tim van der Avoird, directeur Wetenschapswinkel, KUB Tilburg
  • Sylvia Bacchini, Expertisecentrum NT2, PABO Haarlem
  • Ad Backus, Babylon, KUB Tilburg
  • Anne Baker, hoogleraar Psycholinguistiek en Taalpathologie, Universiteit van Amsterdam
  • Peter Bakker, Intituut voor Linguistiek, Aarhus, Denemarken
  • Frits Beukema, Engels, Universiteit Leiden
  • Renee van Bezooijen, Algemene Taalwetenschap en Dialectkunde, Universiteit Nijmegen
  • Henk Bloemhoff, Noordelijke Hogeschool Leeuwarden
  • Roberto Bolognesi, Algemene Taalwetenschap, Universiteit Groningen.
  • Theo Bongaerts, Toegepaste Taalwetenschap, Universiteit Nijmegen
  • Marianne Boogaard, PABO Haarlem, Utrechts Instituut voor Linguistiek/OTS, Universiteit Utrecht
  • Petra Bos, Toegepaste Taalwetenschap, Vrije Universiteit Amsterdam / Babylon, KUB Tilburg
  • Kees de Bot, hoogleraar Toegepaste Taalwetenschap, Universiteit van Nijmegen
  • Louis Boumans, Taalwetenschap, Universiteit Leiden
  • Dirk Boutkan, Fryske Akademy, Ljouwert
  • Rolf Bremmer, Engels, Universiteit Leiden
  • Peter Broeder, Babylon, KUB Tilburg
  • Hans Broekhuis, NWO / KUB Tilburg
  • Leonie Cornips, Meertens Instituut, Amsterdam
  • Resi Damhuis, Expertisecentrum Nederlands, Universiteit Nijmegen
  • Jenny Doetjes, Utrechts Instituut voor Linguistiek OTS, Universiteit Utrecht
  • Jan Don, Utrechts Instituut voor Linguistiek OTS, Universiteit Utrecht
  • Margreet Dorleijn, Leerstoelgroep Turks, Universiteit van Amsterdam
  • Mienke Droop, Expertisecentrum Nederlands, KUN Nijmegen
  • Siebren Dyk, Fryske Akademy, Ljouwert
  • Fred Dijs, journalist/filmmaker
  • Martin Everaert, managing director LOT / UiL OTS, Universiteit Utrecht
  • Riet Evers, Toegepaste Taalwetenschap, Universiteit Nijmegen
  • Nadia Eversteijn, Babylon, KUB Tilburg
  • Paula Fikkert, Nederlands, KNAW / Universiteit Nijmegen
  • Lucia Fiori, beleidsmedewerker onderwijs, LIZE, Utrecht
  • Ad Foolen, Algemene Taalwetenschap en Dialectologie, Universiteit Nijmegen
  • Marinel Gerritsen, Communicatie en Informatiewetenschappen, Universiteit Nijmegen
  • Frank van Gestel, Nederlands, Universiteit Utrecht
  • Ton Goeman, Meertens Instituut, Amsterdam
  • Durk Gorter, hoogleraar Fries, UvA / Fryske Akademy, Leeuwarden
  • Dorian de Haan, Ontwikkelingspsychologie, Universiteit Utrecht
  • Hanneke van der Heijden, afdeling Turks, Centrum Educatieve Dienstverlening, Rotterdam
  • Karijn Helsloot, Studio Taalwetenschap Helsloot Verrips
  • Kees Hengeveld, hoogleraar Algemene Taalwetenschap, Universiteit van Amsterdam
  • Frans Hinskens, hoogleraar Neerlandistiek, Institut fuer Germanistik, Universitaet Leipzig
  • Angeliek van Hout, Utrechts Instituut voor Linguistiek OTS, Universiteit Utrecht
  • Aafke Hulk, hoogleraar Frans, Universiteit van Amsterdam
  • Marjan Huisman, Nederlands, Vrije Universiteit Amsterdam
  • Jan Hulstijn, hoogleraar/leerstoelgroep Tweede-taalverwerving, Universiteit van Amsterdam
  • Anne-Mieke Janssen-van Dieten, Toegepaste Taalwetenschap, Universiteit Nijmegen
  • Theo Janssen, hoogleraar Nederlands, Vrije Universiteit Amsterdam
  • Willy Jongenburger, Meertens Instituut, Amsterdam
  • Peter Jordens, hoogleraar Toegepaste Taalwetenschap / Nederlands als Tweede Taal, Vrije Universiteit Amsterdam
  • Ans van Kemenade, hoogleraar Engels, Universiteit Nijmegen
  • Anne Kerkhoff, Centrum voor Innovatie van Opleidingen, Den Bosch
  • Marijke Kienstra, Expertisecentrum Nederland, Universiteit Nijmegen
  • Geert Koefoed, Sociolinguistiek, Utrechts Instituut voor Linguistiek/OTS, Universiteit Utrecht
  • Tom Koole, Utrechts Instituut voor Linguistiek OTS, Universiteit Utrecht
  • Sjaak Kroon, Babylon, KUB Tilburg
  • Folkert Kuiken, Leerstoelgroep Tweede Taalverwerving, Universiteit van Amsterdam
  • Wouter Kusters, Universiteit Leiden
  • Pim Levelt, hoogleraar psycholinguistiek, Max Planck Instituut, Nijmegen
  • Elisabeth van der Linden, Tweede-taalverwerving, Universiteit van Amsterdam
  • Vincenzo Lo Cascio, hoogleraar Italiaanse Taalkunde, Universiteit van Amsterdam
  • Bettelou Los, Algemene Taalwetenschap, Vrije Universiteit Amsterdam
  • Guust Meijers, hoofd Talencentrum, KUB Tilburg
  • Maarten Mous, Afrikaanse Taalkunde, Universiteit Leiden
  • Victoria Nyst, gebarentaal, Algemene Taalwetenschap, Universiteit van Amsterdam
  • Herman Obdeijn, migratiegeschiedenis / coordinator Minderhedenstudies, Universiteit Leiden
  • Seyfi Oezguezel, Multicultureel Netwerk Management, Rotterdam
  • Roy Panday, hoofd programma-ontwikkeling, Haags Centrum voor Onderwijsbegeleiding
  • Harry Perridon, Skandinavische Taalkunde, Universiteit van Amsterdam
  • Gertjan Postma, Algemene Taalwetenschap, Leiden
  • Siel van der Ree, Vreemde- & Tweede Taal Onderwijs, SSALTO, Voorburg
  • Piet van Reenen, hoogleraar Taalwetenschap, Vrije Universiteit Amsterdam
  • Chris Reintges, Talen en Culturen van het Nabije Oosten, Universiteit Leiden
  • Alex Riemersma, Berie foar it Frysk, Ljouwert / president van de Nederlandse lidstaat-commissie van het Europees Bureau voor Taalminderheden
  • Johan Rooryck, hoogleraar Frans, Universiteit Leiden
  • Eddy Ruys, Utrechts Instituut voor Linguistiek OTS, Universiteit Utrecht
  • Reinier Salverda, hoogleraar Dutch Language and Literature, University College London
  • Marian Schoenmakers, Portugees, Instituut Vreemde Talen, Universiteit Utrecht
  • Jan Schroten, Spaans / OTS, Universiteit Utrecht
  • Fermin Sierra Martinez, Spaans, UvA
  • Fritz Spliethoff, landelijk projectmanager Taalbeleid, Katholiek Pedagogisch Centrum, ’s Hertogenbosch
  • G’e Stoks, voorzitter Vereniging van Leraren in Levende Talen, Amsterdam
  • Sonja Terluin, Toegepaste Taalwetenschap, Universiteit Nijmegen
  • Ben Tervoort, emeritus hoogleraar Algemene Taalwetenschap, Universiteit van Amsterdam
  • Ingrid Tieken-Boon van Ostade, Engels, Universiteit Leiden
  • Cornelis Tuk, Letteren, Vrije Universiteit Amsterdam
  • Ton Vallen, hoogleraar Meertaligheid en Onderwijs, Babylon, KUB Tilburg
  • Ineke Vedder, Tweede-taalverwerving, Italiaans, Universiteit van Amsterdam
  • Arie Verhagen, hoogleraar Nederlands, Universiteit Leiden
  • Marianne Verhallen, hoofd Expertisecentrum NT2, PABO Haarlem
  • Ludo Verhoeven, hoogleraar Orthopedagogiek, Universiteit Nijmegen
  • Anne Vermeer, Babylon, KUB Tilburg
  • Maaike Verrips, Studio Taalwetenschap Helsloot Verrips / OTS Universiteit Utrecht
  • Arjen Versloot, Fryske Akademy, Ljouwert
  • Sylvia Vink, lid staatsexamencommissie NT2, ICLON, Universiteit Leiden
  • Leendert de Vink, Nederlands, Universiteit Leiden
  • Willem Visser, Fryske Akademy, Ljouwert
  • Hein van der Voort, Vergelijkende Taalwetenschap, Universiteit Leiden
  • Mark de Vries, Nederlandse Taalkunde, Universiteit van Amsterdam
  • Jan de Vries, hoogleraar Dutch Studies, Universiteit Leiden
  • Fred Weerman, Nederlands, Universiteit Utrecht
  • Bert Weltens, directeur Universitair Talencentrum, Nijmegen
  • Jehannes Ytsma, Fryske Akademy, Ljouwert
  • Hedde Zeijlstra, Taalwetenschap, Universiteit van Amsterdam

(3)-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=
Date: Mon, 29 May 2000 22:30:53 +0200
From: Hans den Besten <h.den.besten@hum.uva.nl>
Subject: Med: 0006.03: Afscheid prof. dr. W.G. Klooster op vr 1 september 2000 te Amsterdam; symposium 'Grammatica en lexicon', afscheidscollege en receptie

================================
Afscheid prof. dr. W.G. Klooster
================================

Op vrijdag 1 september 2000 zal prof. dr. W.G. Klooster afscheid nemen als hoogleraar in de Nederlandse Taalkunde aan de Faculteit der Geesteswetenschappen van de Universiteit van Amsterdam.

Ter gelegenheid van dit afscheid is een symposium georganiseerd in de Aula van de Universiteit rond het thema ‘Grammatica en lexicon’. Tijd:
10-12 uur. Programma:
10.10 Opening
10.15 Hans Broekhuis (KUB)
Hoeveel syntaxis zit er in het lexicon?
10.50 Ina Schermer-Vermeer (ex-UvA)
Grammatica en lexicon in verband met de dubbel-objectsconstructie. Met voorbeelden uit het Nederlands en het Engels
11.25 Jan Koster (RUG)
Links en rechts van het werkwoord

’s Middags om 13.30 uur precies, eveneens in de Aula, zal prof. dr. W.G. Klooster zijn afscheidscollege geven, over het woordje ‘geen’.

Na afloop is er een receptie in de Tetterode-zaal.

Plaats: Aula van de Universiteit van Amsterdam, Singel 411, Amsterdam. Vooraanmelding voor het symposium of het afscheidscollege is niet nodig.

(4)-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=
Date: Fri, 9 Jun 2000 13:26:41 +0200
From: Boudewijn van der Lecq <B.v.d.Lecq@sdu.nl>
Subject: Med: 0006.04: Onze Taal Knipselkrant

======================
Onze Taal Knipselkrant
======================

Wilt u elke twee weken op de hoogte gehouden worden van nieuws en achtergronden met betrekking tot de Nederlandse taal?

Vanaf september 2000 verschijnt de Onze Taal Knipselkrant, een uitgave van het Genootschap Onze Taal en Sdu Uitgevers. De Onze Taal Knipselkrant (omvang gemiddeld 16 pagina’s) verzamelt elke twee weken voor u de belangrijkste berichten die in de Nederlandse en Vlaamse pers over onze taal verschijnen. De publicaties worden geordend op onder andere de volgende thema’s:

  • Taaladvies
  • Taalvariatie
  • Columns over taal
  • Nieuwe taalboeken
  • Taalonderwijs

Ook ontvangt u jaarlijks een register.

De Onze Taal Knipselkrant staat onder eindredactie van Nicoline van der Sijs, Corriejanne Timmers en het Genootschap Onze Taal. Een jaarabonnement kost NLG 195,-. Als u nu intekent, ontvangt u vanaf september de Onze Taal Knipselkrant thuis (onder voorbehoud van voldoende belangstelling).

Om in te tekenen kunt u een e-mail sturen met daarin uw naam, adres, postcode, woonplaats en telefoonnummer naar b.v.d.lecq@sdu.nl

Sdu Uitgevers
Boudewijn van der Lecq
Marketingcoordinator
Christoffel Plantijnstraat 2
Postbus 20025
2500 EA Den Haag
Telefoon (070) 378 97 40
Fax (070) 378 97 06
E-mail b.v.d.lecq@sdu.nl
Web http://www.sdu.nl

(5)-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=
Date: Mon, 05 Jun 2000 17:18:32 +0200
From: Bets Berntsen <B.Berntsen@dcm.kun.nl>
Subject: Sym: 0006.05: Studiedag/vakbeurs 'SLOC 2000' over ICT-toepassingen in taal- en cultuuronderwijs op vr 23 juni 2000 te Nijmegen

=========
SLOC 2000
=========

Op vrijdag 23 juni vindt aan de Katholieke Universiteit Nijmegen SLOC 2000 plaats: een studiedag en vakbeurs over ICT-toepassingen in het letterenonderwijs voor docenten uit het hoger en wetenschappelijk onderwijs. In het plenaire gedeelte en in de parallelsessies worden criteria voor geslaagde projecten onder de loep genomen. ’s Middags worden in ‘show & tell’-sessies verschillende programma’s gepresenteerd. Daarnaast krijgen de bezoekers de gelegenheid zelf een groot aantal programma’s uit te proberen. Enkele voorbeelden: multimedia in het vreemdetalenonderwijs, Hologram, Question Mark, WebCT, Learnerspace, First Class en WIDA. Op deze manier biedt de dag zowel de beginner als de meer ervaren ICT-gebruiker een staalkaart van de huidige computertoepassingen in het onderwijs.

De introductie van de computer en Internet in het letterenonderwijs heeft inmiddels een grote rijkdom aan toepassingen opgeleverd. Er zijn programma’s waarmee de student zich op een geheel nieuwe manier vertrouwd kan maken met lastige onderwerpen als syntaxis en grammatica. De interactiviteit van het onderwijs geeft nieuwe impulsen aan groepswerk, met toepassingen in bijvoorbeeld geschiedenis, kunstgeschiedenis en literatuuronderwijs. De computer heeft een grotere interactiviteit en individualisering van het onderwijs mogelijk gemaakt. Informatisering levert zo een bijdrage aan de verhoging van het studierendement en stimuleert het zelfstandig werken. Bovendien biedt ‘e-learning’ nieuwe mogelijkheden voor zelfstudie en afstandsonderwijs.

De organisatie is in handen van de KUN-vertegenwoordiging in ICT-NL en de HEAO Arnhem. ICT-NL is een werkgroep van medewerkers van verschillende universiteiten die actief zijn op het gebied van ICT en letterenonderwijs. In deze werkgroep participeren ook vertegenwoordigers van het HBO-COO-consortium, de Open Universiteit en SURF-Educatie.

Geinteresseerden kunnen zich inschrijven via internet:
http://www.surf.nl/edusite/ict-nl
Hier vindt u tevens een uitgebreid programma.

  • Studiedag/vakbeurs: SLOC 2000
  • Plaats: Collegezalencomplex KUN en Multimedia Studiecentrum (Erasmusgebouw), Erasmusplein 1, Nijmegen
  • Tijd: 9.30 – 17.00 uur
  • Prijs: NLG 100,- (studenten: NLG 50,-), lunch inbegrepen
  • Nadere informatie: TCMO/SLOC 2000, Postbus 9103, 6500 HD Nijmegen, telefoon +31-(0)24-361.29.25, e-mail: sloc2000@let.kun.nl; Internet: http://www.surf.nl/edusite/ict-nl

(6)-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=
Date: Mon, 5 Jun 2000 13:40:09 +0200 (METDST)
From: Rienk Withaar <withaar@let.rug.nl>
Subject: Sym: 0006.06: TABU-dag 2000 op vr 16 juni 2000 te Groningen; tweede aankondiging

=============
TABU-dag 2000
=============

De TABU-dag is een eendaags, jaarlijks terugkerend congres op het gebied van de algemene taalwetenschap dat georganiseerd wordt door de RuG. De talen die op het congres gebruikt worden zijn Nederlands en Engels. De TABU-dag 2000 wordt op vrijdag 16 juni gehouden op de volgende locatie:

Zalen H15.036, H15.037 en H15.043,
Harmoniegebouw
Oude Kijk in ’t Jatstraat 26,
Groningen

De gastsprekers van dit jaar zijn prof. Geoffrey Pullum en prof. Henning Wode. De aanvankelijk geplande presentatie van prof. Carl Pollard – zoals gemeld in Neder-L 0004.20 – gaat niet door, omdat hij om persoonlijke reden niet aanwezig kan zijn.

Geoffrey Pullum is werkzaam als hoogleraar bij de afdeling taalkunde van University of California, Santa Cruz. De titel van zijn presentatie is ‘Searching for a Case of Hyperlearning: Linguistic Defenses of Nativism.’

Abstract:
A defense of nativism based on the linguistic version of the ‘argument from poverty of the stimulus’ needs to exhibit an actual instance of what I will call ‘hyperlearning’: a case in which a fact about some language has been learned by some learner despite the fact that, crucially, that learner was never exposed to the data that would be needed if the fact were to be learned empirically (from experience). Many philosophers, virtually all linguists, and a few psychologists seem to think that linguists have provided such instances. I claim that they have not. I review several candidates, and argue that we are still searching for a convincing case, so that for now the ‘argument from poverty of the stimulus’ cannot be cited as a contribution from linguistics toward the program of re-establishing the rationalist thesis of ‘innate ideas’.

Henning Wode is werkzaam als hoogleraar bij de afdeling taalkunde van de vakgroep Engels aan de Universitaet Kiel. In zijn presentatie over perceptiegebaseerde fonologie zal hij betogen dat perceptie, en niet articulatie, de basis is voor distinctieve features, fonemen en de structuur van fonologische systemen. Hij zal een groot aantal recente onderzoeksresultaten bespreken om aan te tonen dat perceptieve vaardigheden aangeboren zijn, maar niet specifiek voor onze soort en ook niet taalspecifiek. Hij zal verder betogen dat er niet zoiets bestaat als een ‘kritische periode’ in de biologische zin van het woord en dat het leeftijdseffect het gevolg is van perceptief-cognitieve ontwikkelingen die zo rond de tweede helft van het eerste jaar plaatsvinden.

Meer informatie over het programma – met meer dan twintig verschillende sessies waarin taalkundigen spreken over facetten van hun onderzoek – en de zaalverdeling staat op de webpagina van de TABU-dag: http://www.let.rug.nl/tabu/

De organisatoren,
Stasinos Konstantopoulos, Rienk Withaar en Wander Lowie.

Faculteit der Letteren
Rijksuniversiteit Groningen
Postbus 716
NL-9700 AS Groningen
WWW: http://www.let.rug.nl/tabu/
e-mail: tabu@let.rug.nl
telefoon: +31-(0)50-3635935 en +31-(0)50-3637443

(7)-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=
Date: Fri, 09 Jun 2000 22:36:52 +0200
From: Mark Bakker <Mark.Bakker@meertens.knaw.nl> via Marc van Oostendorp <marc.van.oostendorp@meertens.knaw.nl>
Subject: Lit: 0006.07: Themanummer kunsten 'Sploxi'

======
Sploxi
======

Binnenkort verschijnt een gezamenlijk nummer van Split (het blad van studenten Woord & Beeld, VUA) en Moxi (het blad van studenten Nederlands, VUA). Deze eenmalige samenwerking heeft geresulteerd in een themanummer, ‘Sploxi’, over de ‘crossover’ tussen uiteenlopende kunsten. De bijdragen zijn van de hand van studenten Nederlands, Woord & Beeld e.a. uit Amsterdam en Leuven, (em.) hoogleraren / universitaire docenten Aron Kibedi Varga, Hugo Bousset, Roel Zemel en Marijke Spies, schrijvers Peter Verhelst (Gouden Uyl / was genomineerd voor de Libris Literatuurprijs), Patrick Bassant (winaar Interuniversitaire Verhalenwedstrijd Belgie) en dichter Johan Buitendijk.

Onderwerpen zijn o.a. de graal in de beeldende kunst van de dertiende en veertiende eeuw, zeventiende-eeuws toneel & muziek, de reisverhalen van Julio Cortazar, moderne architectuur, porno en essayistiek, poezie en beeldende kunst en een stripanalyse van een recent album van Robbedoes.

Half juni komt het blad uit, maar u kunt nu alvast intekenen. Om er zeker van te zijn een exemplaar te bemachtigen, kunt u een e-briefje sturen naar moxi@let.vu.nl met daarin de vermelding ‘Sploxi’ en – uiteraard – uw naam en adres. Een exemplaar wordt u vervolgens z.s.m. toegezonden wanneer u NLG 10,- (dit is incl. porto en BTW) hebt overgemaakt op ABN Amro rekening 55.71.55.371 t.n.v. A.M. Bakker (Amsterdam), wederom o.v.v. ‘Sploxi’.

Ik hoop hiermee uw belangstelling gewekt te hebben en zie gaarne uw aanvraag tegemoet. Tenslotte het vriendelijk verzoek dit briefje door te sturen naar iedereen van wie u vermoedt dat hij of zij interesse voor dit nummer zou kunnen hebben. Graag hopen wij op een groot succes.

Met vriendelijke groet,

namens de redacties van Moxi en Sploxi

Mark Bakker

Adressen Moxi:
Moxi (Postvak Nederlands)
Faculteit der Letteren
Vrije Universiteit
De Boelelaan 1105
1181 HV Amsterdam

moxi@let.vu.nl

(8)-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=
Date: Tue, 02 May 2000 22:44:17 +0200
From: P.J. Verkruijsse <piet.verkruijsse@hum.uva.nl>
Subject: Rub: 0006.08: Hora est!: promoties juni 2000

  • Wo 14 juni te Brussel: drs. Eric De Bruyn
  • Wo 14 juni te Utrecht: drs. O.N.C.J. Koeneman
  • Do 15 juni te Amsterdam: dhr. P.G. de Bruijn
  • Vr 16 juni te Utrecht: drs. B.C. Holleman
  • Do 22 juni te Nijmegen: drs. Jan Spoelder

=========
Hora est!
=========

Woensdag 14 juni 2000, 14.00 uur, Grote Aula van de KU Brussel, Vrijheidslaan 17, B-1081 Brussel.
Drs. Eric De Bruyn, ‘Half zot, half vroed. Half kwaad, half goed. De marskramer-figuur in het oeuvre van Jheronimus Bosch geinterpreteerd vanuit Middelnederlandse teksten’.
Promotor: prof. dr. J.D. Janssens.

———-

Woensdag 14 juni 2000, 14.30 uur, Senaatszaal Academiegebouw, Domplein 29, Utrecht.
Drs. O.N.C.J. Koeneman, ‘The flexible nature of verb movement’.
Promotor: prof. dr. E.J. Reuland. Co-promotor: dr. F. P. Weerman. (beiden Universiteit Utrecht).

De generatieve taalkunde veronderstelt dat alle natuurlijke talen een gemeenschappelijke onderliggende structuur hebben. Toch verschillen talen van elkaar, onder andere voor wat betreft de plaats van het vervoegde werkwoord (de persoonsvorm) in de zin: bij het produceren van zinnen in de ene taal wordt het werkwoord verplaatst (ten opzichte van de onderliggende structuur) en in de andere taal wordt het werkwoord niet verplaatst.
Drs. Koeneman geeft in zijn proefschrift antwoord op de vraag wat de redenen zijn om het werkwoord te verplaatsen en hoe het komt dat talen verschillen in hun positionering van het werkwoord. Het blijkt dat het werkwoord verplaatst wordt om bepaalde kenmerken, zoals tijd (tegenwoordige tijd of verleden tijd) en getalscongruentie met het onderwerp van de zin (enkelvoud of meervoud) zichtbaar te maken, en daarmee te voldoen aan ‘welgevormdheidseisen’. Verschillen tussen talen ontstaan doordat taalspecifieke factoren ervoor kunnen zorgen dat aan de welgevormdheidseisen wordt voldaan zonder dat het werkwoord wordt verplaatst; deze taalspecifieke factoren kunnen onafhankelijk gemotiveerd worden.

Voor meer informatie: Dominique de Vet, voorlichter Faculteit der Letteren, (030) 253 63 57/6106, e-mail: Dominique.deVet@let.uu.nl

———-

Donderdag 15 juni 2000, 13.45 uur, Aula Vrije Universiteit Amsterdam.
Dhr. P.G. de Bruijn, Faculteit der Letteren: De tegenwereld in stelling gebracht. Historisch-kritische uitgave van de gedichten van Gerrit Achterberg.
Promotor: prof. dr. H.T.M. van Vliet; co-promotores: prof. dr. G.J. Dorleijn, dr. R.L.K. Fokkema.

‘De tegenwereld in stelling gebracht’, een historisch-kritische uitgave van de gedichten van Gerrit Achterberg (1905-1962), bevat alle overgeleverde gedichten van Achterberg, zowel de door de dichter zelf gebundelde poezie als ongepubliceerd werk (circa 100 voltooide en onvoltooide gedichten). De uitgave beoogt een zo volledig mogelijke documentatie van en over het werk te geven en aldus de basis te verschaffen voor verder wetenschappelijk onderzoek.

De uitgave bestaat uit 3 delen. Door de chronologische opzet is de ontwikkeling van Achterbergs dichterschap in deel 1, dat alle gedichten bevat, reeds in grote lijnen te volgen. Deel 2 (‘Commentaar’) bevat – behalve de verantwoording en verschillende bibliografieen – een chronologische beschrijving van Achterbergs publicatiegeschiedenis. De publicatiegeschiedenis geeft een beeld van het wankelmoedige begin als jong dichter, de moeizame weg naar literaire erkenning in de periode van zijn internering (Achterberg werd na de doodslag op zijn hospita ter beschikking van de regering gesteld en van 1938-1942 in verschillende inrichtingen verpleegd), de groeiende waardering voor zijn werk na de oorlog (met als eerste hoogtepunt de toekenning van de P.C. Hooftprijs in 1949) tot en met de laatste jaren waarin de dichter succes oogstte met bundels als ‘Ballade van de gasfitter’, ‘Ode aan Den Haag’ en ‘Vergeetboek’. In deel 3 (‘Apparaat’) zijn alle bekende gegevens te vinden over de totstandkoming van de gedichten. Per gedicht wordt de volledige tekstontwikkeling gepresenteerd in een variantenapparaat.

Bron van dit bericht: persbericht in de ‘VU-Wetenschapswijzer’, juni 2000, naar Neder-L gestuurd door Guido Leerdam <g.leerdam@dienst.vu.nl>
Voor meer informatie zie: http://www.knaw.nl/chi/index-ned/lopende/achterberg.htm

———-

Vrijdag 16 juni 2000, 10.30 uur, Senaatszaal Academiegebouw, Domplein 29, Utrecht.
Drs. B.C. Holleman, ‘The forbid/allow asymmetry. On the cognitive mechanisms underlying wording effects in surveys’.
Promotor: prof. dr. mr. P.J. van den Hoven. Co-promotor: dr. H.H. van den Bergh. (Beiden Universiteit Utrecht).

Promovenda Holleman:
“Extreme formuleringen in vragenlijsten verdienen voorkeur”

Moet het Koningshuis worden afgeschaft? Moet roken op de werkplek worden toegelaten, of juist worden verboden? Iedereen kent ze: de enquetes aan de hand waarvan ondervraagden over allerlei onderwerpen hun opinie kunnen geven. Maar hoe eenduidig krijgen onderzoekers via vragenlijsten zicht op de werkelijke mening van de ondervraagden? Drs. Bregje Holleman laat zien dat de formulering van vragen van grote invloed is op de antwoorden die mensen geven: zij toont niet alleen aan dat een antwoord ‘nee’ op de ene vraag in de ogen van ondervraagden iets anders is dan ‘ja’ op een tegengestelde vraag, maar vooral ook waarom dat zo is. Op 16 juni zal zij haar proefschrift over dit onderwerp verdedigen aan de Utrechtse Faculteit der Letteren.

Holleman: “Als je wilt weten wat Nederlanders vinden van mobiele telefoons, zou je in een opinieonderzoek bijvoorbeeld kunnen vragen of men vindt dat mobiel telefoneren in de trein verboden moet worden. Maar logischerwijs zou je net zo goed de vraag kunnen stellen of men vindt dat het ‘toegelaten’ zou moeten worden: wie ‘nee, niet toelaten’ zou antwoorden, zou ook ‘ja verbieden’ moeten zeggen. Maar zo simpel blijkt het niet te liggen: mensen beantwoorden de vraag met ‘verbieden’ anders dan de vraag met ‘toelaten’, waardoor ook de antwoordpercentages gaan verschuiven. Het is goed denkbaar dat de onderzoeker dus heel andere conclusies zou trekken over ‘de’ publieke opinie op basis van de verbieden-vraag dan hij of zij zou trekken op basis van de vraag geformuleerd met ‘toelaten’. Ik heb in mijn onderzoek gezocht naar een verklaring voor het verschijnsel dat verbieden- en toelaten-vragen verschillend beantwoord worden. Welke vraagvorm moet je als opsteller van een vragenlijst gebruiken om ervoor te zorgen dat je de werkelijke mening van respondenten zo goed mogelijk meet?”

Tussen ‘ja’ en ‘nee’ zit een glijdende schaal. Hoe komt het dat verbieden- en toelaten-vragen verschillende antwoorden opleveren? Holleman: “Uit mijn experimenten blijkt dat de antwoordopties ‘ja’ en ‘nee’ op een verbieden- of toelaten-vraag niet echt tegengestelde meningen aangeven, maar gradueel van elkaar verschillen. Iemand met een gematigde mening v’o’or euthanasie zou bij een verbieden-vraag ‘niet verbieden’ kunnen zeggen, maar bij de toelaten-vraag ‘o’ok ‘niet toelaten’ kunnen antwoorden.

Iemand die een beetje voor of tegen is moet zijn of haar mening toch vertalen naar een hard ‘ja’ of ‘nee’ op de vragenlijstvraag. In mijn onderzoek ben ik nagegaan hoe die ‘vertaalslag’ van de eigen mening naar een antwoordoptie ‘ja’ of ‘nee’ werkt. Het blijkt dat die anders verloopt bij een verbieden-vraag dan bij een vraag met ‘toelaten’. ‘Verbieden’ heeft een extreme en eenduidige betekenis, waardoor de antwoorden ‘nee’ en ‘ja’ op de verbieden-vraag ook tamelijk eenduidig zijn. Het werkwoord ‘toelaten’ is wat ambivalenter: mensen die ‘ja toelaten’ antwoorden, kunnen daarmee bedoelen dat ze erg v’o’or mobiele telefoons zijn, maar kunnen er ook mee aangeven dat ze vinden dat de situatie maar moet blijven zoals die nu is, bijvoorbeeld omdat het ze niet echt veel kan schelen. Verbieden-vragen leveren dus beter te interpreteren antwoorden op.”

Adviezen voor de praktijk van het vragenlijstonderzoek. Wat betekenen jouw conclusies voor opstellers van vragenlijsten? Holleman: “Ik geef in mijn boek meerdere adviezen, maar het belangrijkste vind ik zelf het volgende. Elke vragenlijstvraag is sturend, of je hem nu stelt met ‘verbieden’ of met ‘toelaten’, met ‘afschaffen’ of met ‘handhaven’. Onderzoekers moeten zich bij de interpretatie van de antwoorden zo goed mogelijk afvragen hoe ondervraagden te werk gaan bij het geven van een antwoord. Uit mijn onderzoek blijkt dat de meer extreme vraagformuleringen te prefereren zijn: de antwoorden op dergelijke vragen geven het meest consistent de meningen van respondenten weer.”

Voor meer informatie: Dominique de Vet, voorlichter Faculteit der Letteren, (030) 253 63 57/6106, e-mail: Dominique.deVet@let.uu.nl

———-

Donderdag 22 juni 2000, 15.30 uur, Aula Maior KU Nijmegen, Comeniuslaan 2, Nijmegen.
Jan Spoelder, Prijsboeken op de Latijnse school. Een studie naar het verschijnsel prijsuitreiking en prijsboek op de Latijnse scholen in de Noordelijke Nederlanden (ca. 1585-1876). Met een repertorium van wapenstempels.
(Zie ook KUN-persbericht http://www.kun.nl/communicatie/pb00-81.html)

Korte samenvatting door J. Spoelder <jspoelder@worldonline.nl>
————————————————————–
Op de Latijnse school, voorloper van het huidige gymnasium, heerste een sterke competitiegeest. De onderlinge wedijver vond halfjaarlijks zijn hoogtepunt in de openbare promotie met prijsuitreiking. Onderzocht is in welke traditie de pedagogiek tot de wedijver staat, en op welke wijze de wedijver zich in de dagelijkse praktijk van het onderwijs manifesteerde. In het bijzonder is onderzocht welke rol het prijsboek hierbij speelde. Ook wordt aandacht besteed aan het fenomeen prijsuitreiking binnen Europese context. De studie bevat een repertorium van ruim tweehonderd wapenstempels die op prijsboeken voorkomen.

Lange samenvatting door J. Spoelder <jspoelder@worldonline.nl>
————————————————————–
Dit boek is het verslag van een studie naar het fenomeen prijsuitreiking op de Latijnse scholen in de Republiek der Verenigde Nederlanden en het latere Koninkrijk van ca.1585 tot 1876. De Latijnse school was als voorloper van het tegenwoordige gymnasium het schooltype dat, in overeenstemming gebracht met de ideeen van Humanisme en Reformatie, sedert het eind van de zestiende eeuw in de steden de vooropleiding voor de universiteit verzorgde. Het onderwijs in Latijn vormde de hoofdschotel, begrijpelijk voor een periode waarin Latijn de internationale geleerdentaal was en van een student een actieve en passieve beheersing van deze taal in woord en geschrift werd verwacht. Bij een zo eenzijdig gericht lesprogramma (naast louter Latijn meestal nog een bescheiden portie Grieks) was gekozen voor de pedagogiek van de wedijver. De wedijver moest de Latijnse scholier stimuleren om op een leeftijd van acht tot veertien jaar zich gedurende vijf a zes leerjaren een volijverige leerling te betonen. Deze aanpak maakte de Latijnse school tot een kleine competitiemaatschappij, waarin het belonen door middel van prijsboeken een centrale rol speelde. Twee keer per jaar vond een plechtigheid plaats waarop al het streven was gericht: de openbare promotie met prijsuitreiking.

In deze studie is nagegaan waar de pedagogiek van de wedijver vandaan kwam, met welke bedoeling en wanneer de wedijver als doelbewust middel op de Latijnse school werd geintroduceerd en op welke wijze de wedijver zich in de dagelijkse praktijk van het onderwijs manifesteerde. In het bijzonder is onderzocht welke rol het prijsboek hierbij speelde, welk soort boeken werd uitgereikt en wat de specifieke uiterlijke kenmerken van deze prijsboeken waren. Tenslotte is nagegaan in hoeverre het verschijnsel prijsuitreiking binnen Europese context een op zichzelf staand verschijnsel was en waarom de openbare promotie en de daarmee samenhangende prijsuitreiking op de Latijnse scholen in de tweede helft van de negentiende eeuw werden afgeschaft.

De pedagogiek van de wedijver staat in een lange traditie die haar wortels heeft in de klassieke oudheid. Een belangrijke bron is in dit verband de ‘Institutio oratoria’ van de Romeinse leraar in de welsprekendheid Quintilianus (1e eeuw na Chr.). Deze benadrukt hierin onder meer dat het leerproces een spel moet zijn en dat door onderlinge competitie de eerzucht van de leerling voortdurend geprikkeld dient te worden. Tijdens de Renaissance waren het de humanisten die in hun streven het enthousiasme voor de ‘bonae litterae’ zo snel en zo wijd mogelijk te verbreiden naar de meest efficiente onderwijsmethode zochten. In hun theoretische geschriften over opvoeding en onderwijs propageerden vooraanstaande humanisten als Erasmus, die op hun beurt veel aan de opvattingen van Quintilianus ontleenden, de wedijver als een belangrijke stimulans in het klassikaal georganiseerde onderwijs. Het uitdelen van beloningen (‘praemia’) was hierbij een in alle opzichten verantwoord middel. Deze opvattingen vonden tijdens de zestiende eeuw geleidelijk weerklank bij zowel protestantse als katholieke onderwijshervormers. Het vroegst bekende voorbeeld van een openbare prijsuitreiking treft men omstreeks 1540 aan op het door de protestantse rector Joannes Sturm geleide Gymnasium te Straatsburg. Aan katholieke zijde waren het de Jezuietencolleges, waar twee decennia later de halfjaarlijkse promotie met prijsuitreiking zich ontwikkelde tot een plechtigheid die met veel pracht en praal gepaard placht te gaan.

In de Noordelijke Nederlanden nam de invloed van de pedagogische-didactische opvattingen van de humanisten in de tweede helft van de zestiende eeuw steeds vastere vormen aan. Een belangrijke rol hierbij speelden de Zuid-Nederlandse intellectuelen die na de val van Antwerpen in 1585 naar de Noordelijke Nederlanden waren uitgeweken en hier emplooi vonden als leraar of rector. Het is ongetwijfeld mede door hun toedoen dat de pedagogiek van de wedijver op de Latijnse scholen zo’n belangrijke rol ging spelen, hetgeen tot uitdrukking kwam door de invoering van een ‘openbare’ promotie met prijsuitreiking. De vroegste voorbeelden van steden waar duidelijk sprake is van een openbare promotie en het uitreiken van prijsboeken zijn de Latijnse scholen van Leiden (1586), Dordrecht (1592) en Haarlem (1599). Op grond van schoolreglementen, boekhandelaarsrekeningen en de bewaard gebleven prijsboeken zelf blijkt dat in de loop van de zeventiende eeuw steeds meer scholen deze gewoonte overnamen en tegen het eind van die eeuw kenden alle stedelijke Latijnse scholen in de Republiek een promotie met prijsuitreiking.

Over de gang van zaken bij een promotie met prijsuitreiking, die altijd geheel in het Latijn verliep, zijn wij geinformeerd dankzij enkele ooggetuigenverslagen van buitenlandse bezoekers uit de zeventiende en achttiende eeuw. Daarnaast geven de promotieverslagen die sedert 1736 in de ‘Boekzaal der geleerde Wereld’ werden opgenomen aanvullende informatie. De halfjaarlijkse plechtigheid verliep volgens een vast patroon. Na een inleidend woord van de rector hielden eerst de leerlingen die vanuit de hoogste klas ‘ad Academiam’, naar de universiteit, werden gepromoveerd een redevoering als bewijs van hun vaardigheid in het Latijn en als blijk van de kwaliteit van het geboden onderwijs. Ter gelegenheid hiervan kregen deze abiturienten een prijsboek uit handen van curatoren, die namens het stadsbestuur het beheerscollege van de school vormden. Vervolgens ontvingen de beste leerlingen uit de overige klassen hun prijsboeken, waarvoor zij bedankten met het reciteren van een ‘gratiarum actio’, een in het Latijn gestelde dankbetuiging in versvorm. De handgeschreven of voorbedrukte opdracht voor in het prijsboek getuigde van de geleverde prestaties.

In de loop van de achttiende eeuw kreeg de promotie met prijsuitreiking steeds meer het karakter van een afspiegeling van een academische promotie. Dit kwam onder meer tot uitdrukking in de vormgeving van de gedrukte uitnodigingen en oraties, die duidelijk door vergelijkbaar academisch druk werk was geinspireerd. In het bijzonder geldt dit de fraai vormgegeven titelpagina van de oraties, waarbij evident sprake is van een doelbewuste navolging van de titelpagina’s van dissertaties en disputaties. Het “academisch” karakter van de plechtigheid kwam ook tot uitdrukking in de uitgereikte prijsboeken. Op grond van hun uiterlijke kenmerken, zoals de perkamenten band en specifieke bindwijze, waren deze typerend voor het Noord-Nederlandse geleerdenboek, zoals men dat ook op zeventiende-eeuwse geleerdenportretten ziet afgebeeld. De banden van de prijsboeken onderscheiden zich evenwel door hun goudstempeling en het stadswapen dat gecentreerd op beiden platten werd gestempeld. De prijsboeken werden immers van stadswege bekostigd en op deze wijze kon in een tijd waarin de stedelijke autonomie ook op het gebied van het onderwijs hoogtij vierde, de status van de Latijnse school als stadsschool ‘par excellence’ nog eens benadrukt worden. Deze gewoonte van bestempeling ontstond vanaf ca. 1622 op Latijnse scholen in Holland en Zeeland, en verspreidde zich daarna geleidelijk over bijna alle stedelijke Latijnse scholen. In totaal hebben ongeveer zestig Latijnse scholen gedurende een langere of kortere periode hun prijsboeken met het stadswapen laten bestempelen. Het laatste voorbeeld van een bestempeld prijsboek dateert uit 1873. In het ‘Repertorium van wapenstempels op prijsboeken van Latijnse scholen’ zijn stadsgewijs de ca. 170 wapenstempels die werden aangetroffen op de prijsboeken in de onderzochte collecties, beschreven, gedateerd, en waar nodig, van een toelichting voorzien. Tevens is van ieder wapenstempel een afbeelding in de vorm van een
wrijfsel opgenomen.

Behalve door hun uiterlijk waren de prijsboeken ook op grond van hun inhoud echte geleerdenboeken. Op basis van boekhandelaarsrekeningen van ‘s-Hertogenbosch en de gegevens uit de bewaard gebleven leerlingenregisters van de Latijnse scholen te Haarlem en Zwolle blijkt dat het, overeenkomstig het geboden onderwijs, vrijwel uitsluitend gaat om Latijnstalige boeken. Vanaf eind zeventiende eeuw was er een duidelijke voorkeur voor wetenschappelijke tekstuitgaven, de edities ‘cum notis variorum’ van klassieke schrijvers, gedrukt in de Republiek en bezorgd door vooraanstaande klassieke filologen, zoals de Gronovii en Burmanni. Tot ver in de negentiende eeuw bleef men bij de keuze van prijsboeken teruggrijpen op deze tijdloze en hooggewaardeerde tekstuitgaven, ook toen eigentijdse en goedkopere edities op de markt verschenen. De wel verkondigde opvatting dat minder courante werken en winkeldochters als geschikte prijsboeken voor de Latijnse school hun uiteindelijke bestemming vonden, is dus in zijn algemeenheid beslist onjuist. Nederlandstalige prijsboeken deden pas in de eerste helft van de negentiende eeuw hun intrede als prijs voor wiskunde, dat sedert 1815 op de Latijnse school een verplicht vak was.

Het gegeven dat de promotie met prijsuitreiking steeds meer een deftig, academisch karakter kreeg en dat vanaf de achttiende eeuw op veel scholen prijzen met kwistige hand werden uitgedeeld, was het gevolg van een situatie die men niet los kan zien van de positie van de Latijnse school zelf. Sinds het eind van de zeventiende eeuw zag de Latijnse school zich geconfronteerd met een gestage daling van het leerlingenaanbod. De oorzaak hiervan was gelegen in het feit dat de Latijnse school zich, in een tijd waarin het Latijn zijn functie van wetenschapstaal geleidelijk verloor, niet aan de veranderende eisen en behoeften wist aan te passen en star bleef vasthouden aan het eenzijdig op het Latijn gerichte humanistisch vormingsideaal. In deze situatie was de promotie met prijsuitreiking een zeer geschikte ‘rite de passage’ om het maatschappelijk aanzien en prestige van de school in stand te houden. Deze situatie bleef in feite tot ver in de negentiende eeuw onveranderd.

Vanaf het midden van de negentiende eeuw ontstond in gymnasiale kring een kentering in de waardering van het prijzenstelsel en gingen steeds meer Latijnse scholen tot afschaffing hiervan over. Hieraan konden verschillende motieven ten grondslag liggen. Zo werkte volgens sommigen het prijzensysteem een verkeerde jaloezie in de hand. Daarnaast betekende de omzetting van menig Latijnse school in een Gymnasium met een Tweede Afdeling een forse uitbreiding van het aantal vakken (bijv. Frans, Duits, Engels), hetgeen gepaard ging met een navenante uitbreiding van het aantal prijzen. Dit leidde weer tot een devaluatie van het prijzensysteem. Toen de nog bestaande Latijnse scholen in gevolge de Wet op het Hoger Onderwijs van 1876 in Gymnasia met een eigentijds leerplan moesten worden omgezet, had dit bijna overal de definitieve afschaffing van het prijzensysteem en de hierbij behorende ‘openbare’ promotie tot gevolg. Voor alle duidelijkheid moet wel gesteld worden dat het hier een ontwikkeling betreft die zich alleen voordeed op de stedelijke, d.w.z. openbare gymnasia. Zo was de situatie in het rooms-katholieke onderwijs hier te lande geheel anders en bleef de prijsuitreiking daar tot ver in de twintigste eeuw gehandhaafd. Ook in vergelijking met landen als Belgie, Frankrijk en Engeland, die eveneens tot ver in de twintigste eeuw het prijzensysteem hebben gekend, was het afschaffen van de prijsuitreiking op de Latijnse scholen en gymnasia in die tijd een op zichzelf staand verschijnsel.

Gegevens handelseditie
———————-
Jan Spoelder. Prijsboeken op de Latijnse school. Een studie naar het verschijnsel prijsuitreiking en prijsboek op de Latijnse scholen in de Noordelijke Nederlanden (ca. 1585-1876), met een repertorium van wapenstempels. With a summary in English. Proefschrift Katholieke Universiteit Nijmegen. APA-Holland University Press. Amsterdam & Maarssen, 2000; xxx + 853 + v (niet-genummerde) pagina’s; prijs: NLG 282,-. ISBN 90-302-1222-5 (geb.)

(9)-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=

*-------------------------------------------------------------------------*
|                                                                         |
| Informatie over Neder-L:                                                |
| ========================                                                |
| Algemene informatie opvragen over Neder-L: stuur mail naar              |
|   listserv@nic.surfnet.nl met daarin de boodschap: GET NEDER-L INFO     |
| Abonnement nemen op Neder-L: stuur mail naar listserv@nic.surfnet.nl    |
|   met als boodschap: SUB NEDER-L uw-voornaam/voorletters uw-achternaam  |
| Neder-L op het web/WWW: Neder-L-nummers zijn vanaf januari 1997 in      |
|   web-formaat te lezen via: http://baserv.uci.kun.nl/~salemans/         |
|   Nadere informatie over Neder-L in web-formaat: zie artikel 9706.01    |
|   Er is ook een WWW-archief met alle e-mailversies van Neder-L sinds    |
|   juni 1992, dat ook op trefwoord doorzocht kan worden; de URL van dit  |
|   listserv-archief: http://listserv.surfnet.nl/archives/neder-l.html    |
| Neder-L wordt ook verspreid via de Internet-newsgroup bit.lang.neder-l  |
| Oude Neder-L-bulletins opvragen: stuur mail naar listserv@nic.surfnet.nl|
|   met daarin een boodschap als: GET NEDER-L LOG9206                     |
|   (resultaat: logboek met Neder-L-artikelen van juni '92 wordt gestuurd)|
|   Of maak gebruik van het listserv-archief (zie enkele regels hierboven)|
| Bijdrage voor Neder-L opsturen: stuur mail naar neder-l@nic.surfnet.nl  |
| Contact met redactie: stuur mail naar Salemans@baserv.uci.kun.nl, naar  |
|   Willem.Kuiper@hum.uva.nl, naar Piet.Verkruijsse@hum.uva.nl (voor de   |
|   evenementenagenda) of naar P.A.Coppen@let.kun.nl                      |
*-------------------------------------------------------------------------*

*-Einde-------------------- Neder-L, no. 0006.a --------------------------*