Neder-L, no. 9504.a

Subject: Neder-L, no. 9504.a
From: Ben Salemans
Reply-To:Elektronisch tijdschrift voor de neerlandistiek
Date:Fri, 7 Apr 1995 23:22:52 MET
Content-Type:text/plain
                           *********************
*-------------------------- Neder-L, no. 9504.a -----------ISSN-0929-6514-*
|      ************************************************************       |
|      * Neder-L, elektronisch tijdschrift voor de neerlandistiek *       |
|      ************************************************************       |
|                                                                         |
| Onderwerpen in dit bulletin:                                            |
| ============================                                            |
| (1) Col: 9504.01: Column Coppen: Linguistisch Miniatuurtje XXII:        |
|                   "Het AOL-principe"                                    |
| (2) Con: 9504.02: Morfologiedagen 95, op 21 en 22 september te Leuven,  |
|                   met lezingen over thema 'De interactie tussen         |
|                   syntaxis en morfologie' (inschrijfformulier voor      |
|                   deelnemers en bezoekers is bijgevoegd)                |
| (3) Lit: 9404.03: Zeven nieuwe uitgaven van de Int. Vereniging voor     |
|                   Neerlandistiek: Wie en Wat in de Neerlandistiek in    |
|                   Nederland en Belgie; Nederlands in Culturele Context; |
|                   Geschiedenis Verzinnen; Grenzeloos Nederlands; Druk   |
|                   in Antwerpen; Strategisch Nederlands; Nederlands      |
|                   Theatraal                                             |
| (4) Lit: 9504.04: Nieuwe publikatiereeks: SNL-reeks; deel 1, van W.J.   |
|                   W.J. Lukkenaer over De komedianten van Louis Couperus |
|                   Couperus, begin april verschenen                      |
| (5) Con: 9504.05: Vierde internationaal congres van Society for Emblem  |
|                   Emblem Studies van 18 tot 23 september aan de KU      |
|                   Leuven over emblemata; sprekers kunnen zich nog       |
|                   aanmelden                                             |
| (6) Med: 9504.06: Bezoek aan Nederland van Marian Brink-de Wind         |
|                   (Pretoria, Zuid-Afrika); is Bar-le-Duc Baarle-Hertog? |
| (7) Vra: 9504.07: Informatie gevraagd over lezingen voor de Canadian    |
|                   Canadian Association for the Advancement of           |
|                   Netherlandic Studies op 6 juni 1993 en over literaire |
|                   publikaties van Nederlands-Canadezen van voor 1970    |
| (8) Col: 9504.08: Column Wim Husken: Eerlycke Tytkorting, no. 9:        |
|                   "Alle dingh volbracht"                                |
|                                                                         |
| Informatie over Neder-L:                                                |
| ========================                                                |
| Algemene informatie opvragen over Neder-L: stuur mail naar              |
|   listserv@nic.surfnet.nl met daarin de boodschap: GET NEDER-L INFO     |
| Abonnement nemen op Neder-L: stuur mail naar listserv@nic.surfnet.nl    |
|   met als boodschap: SUB NEDER-L                                        |
| Oude Neder-L-bulletins opvragen: stuur mail naar listserv@nic.surfnet.nl|
|   met daarin een boodschap als: GET NEDER-L LOG9206                     |
|   (resultaat: logboek met Neder-L-artikelen van juni '92 wordt gestuurd)|
| Gopher-toegang tot Neder-L: alle oude en nieuwe Neder-L-bulletins zijn  |
|   via Gopher in te zien op gopher.nic.surfnet.nl, in de directory       |
|   SURFnet informatie/LISTSERV archieven (nic.surfnet.nl)/NEDER-L        |
| Neder-L wordt ook verspreid via de Internet newsgroup bit.lang.neder-l  |
| Bijdrage voor Neder-L opsturen: stuur mail naar neder-l@nic.surfnet.nl  |
|   (dit geldt ook voor Internet-gebruikers die bijdragen willen leveren) |
*--------------------------                     --------------------------*
                           *********************

(1)-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=
Date: Wed, 05 APRIL (!) 1995 12:37:49 +0100 (MET)
From: Peter-Arno Coppen <U250005@VM.UCI.KUN.NL>
Subject: Col: 9504.01: Column Coppen: Linguistisch Miniatuurtje XXII: "Het AOL-principe"

LINGUISTISCH MINIATUURTJE XXII: “Het AOL-principe”

De afgelopen zaterdag –het was de eerste zaterdag na invoering van de zomertijd, dus ik was nog steeds een uur eerder wakker– heb ik de ochtend wel besteed aan het lezen van een inspirerend en uitdagend manuscript dat me enkele dagen van te voren door een collega was opgestuurd. Graag neem ik eens een miniatuurtje te baat om de in dit paper voorgestelde theorie uiteen te zetten. Het gaat dan wel niet om mijn eigen oorspronkelijke denkbeelden, maar ik voel me er genoeg door aangesproken.

De auteur van het bewuste document toont op overtuigende wijze aan, dat een van de fundamentele componenten van de generatieve taalkunde, de constituentenstructuur van taaluitingen, op ondubbelzinnige wijze kan worden afgeleid uit een onderliggend universeel concept dat aan alle menselijke talen ten grondslag ligt.

Elke grammatica en elke taal maakt gebruik van schrifttekens voor haar metasymbolen. Deze schrifttekens zijn rechtstreeks geextraheerd uit een “array” van mogelijke schrifttekens voor die taal, waarvan de volgorde constant is. Deze array is bijvoorbeeld het onderliggende ordeningsprincipe bij nagenoeg alle woordenlijsten die in zo’n taal geproduceerd worden.

De revolutionaire gedachte is nu, dat we deze redenering kunnen doortrekken naar de hypothese dat dit principe ook ten grondslag ligt aan de syntactische structuur van taaluitingen.

De vertaling van deze gedachte in een werkbaar formalisme is eenvoudig. De AOL (“Alphabetic Ordering Linearization”) die daarvoor voorgesteld wordt kan ruwweg geparafraseerd worden als: “Als in een structuur een element alfa dat alfabetisch voorafgaat aan beta, links van beta staat, dan is beta het complement van alfa. Als alfa rechts van beta staat, is alfa geadjungeerd aan beta.

Een eenvoudige observatie leert dat de generatieve taalkunde zich in de afgelopen decennia onafhankelijk van deze gedachtengang al in deze richting ontwikkeld heeft. Laten we de voornaamste categorieen eens aan de OAL toetsen: De CP gaat alfabetisch vooraf aan IP, dus IP is een complement binnen CP. Evenzo is VP complement binnen IP. Ook wanneer IP gesplitst wordt in IP en TP, volgt dat IP complement is bij CP, TP bij IP en VP bij TP. Dit kan geen toeval meer zijn.

Ook binnen de NP heeft een interessante ontwikkeling plaatsgevonden die de OAL ondersteunt: vroeger was het lidwoord, de DET, in feite links geadjungeerd aan NP. De OAL laat onmiddellijk zien dat dit een verkeerde analyse is geweest. In het licht van de OAL is het dan ook niet vreemd dat de DP-analyse ontwikkeld werd, waarbij de NP, conform de OAL, als complement bij D werd aangehecht.

Ook QPs zijn blijkbaar onderworpen aan de OAL. Zijn QPs geadjungeerd aan NPs, of zijn NPs eigenlijk complementen bij QPs? De OAL lost dit probleem eenvoudig op: QP volgt alfabetisch op NP, staat links van NP, dus is geadjungeerd. Ook analyses waarbij QP wordt vervangen door NUMP (voor numeralia) veranderen hier niets aan: NUMP blijft alfabetisch volgen op NP. Blijkbaar is het een inherente eigenschap van deze categorieen dat hun namen alfabetisch volgen op NP.

Problemen voor de OAL geven aanleiding tot interessante speculaties. Neem bijvoorbeeld de categorieen AGRS en AGRO uit de Minimalistische Theorie. Volgens de OAL zou IP of TP complement bij AGR-S kunnen zijn, maar CP zou geadjungeerd moeten zijn aan AGR-S. Dit lijkt niet de goede analyse. Een mogelijke oplossing zou kunnen zijn om in plaats van AGR-S te spreken van S-AGR. In dat geval is S-AGR complement bij IP en TP bij S-AGR. Voor AGR-O (of O-AGR) gaat dit niet op. In dit geval dwingt de OAL ons tot de aanname dat er zich een onbekende categorie bevindt tussen TP en VP (bijvoorbeeld UP) waaraan O-AGR vervolgens links geadjungeerd is. In de papers van Chomsky duikt UP al vaak op, en wellicht is juist deze categorie verantwoordelijk voor de Object Shift van Specifieke Objecten.

Een ander punt is de status van V-complementen. Aangezien zowel NP als PP alfabetisch niet volgen op VP, zou in een SOV-volgorde VP complement moeten zijn aan NP of PP, en in een SVO volgorde zouden NP en PP rechts geadjungeerd moeten zijn aan VP. Dit lijkt een volkomen onjuiste voorspelling. Maar let op: we kunnen hier onze toevlucht nemen tot de “light verb”-constructie. De VP zelf zou complement bij V kunnen zijn. We kunnen dus aannemen dat de V een VP-complement neemt met een leeg werkwoord, waaraan de NP en de PP rechts geadjungeerd is. In dit geval vallen zowel NP als PP binnen het complementdomein van de bovenste V. Deze constructie lijkt ad hoc, maar in feite zijn er in de literatuur onafhankelijk van de OAL regelmatig voorstellen in deze richting gedaan.

Zo zien we, dat de centrale OAL-hypothese de linguist dwingt tot bepaalde aannamen ten aanzien van de structuur van taaluitingen. Aannamen, die in de literatuur soms al voorzichtig ter sprake werden gebracht, maar kennelijk om de verkeerde redenen. Door de OAL vallen al deze voorstellen opeens op hun plaats.

Peter-Arno Coppen

(2)-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=
Date: Fri, 31 Mar 1995 11:50:41 +0100 (CET)
From: Hans.Smessaert@arts.kuleuven.ac.be
Subject: Con: 9504.02: Morfologiedagen 95, op 21 en 22 september te Leuven, met lezingen over thema 'De interactie tussen syntaxis en morfologie' (inschrijfformulier voor deelnemers en bezoekers bijgevoegd)

KATHOLIEKE UNIVERSITEIT LEUVEN
Departement Linguistiek
Blijde-Inkomststraat 21
B-3000 Leuven


M O R F O L O G I E D A G E N 1 9 9 5


Op DONDERDAG 21 en VRIJDAG 22 SEPTEMBER 1995 worden aan de Katholieke Universiteit Leuven de Morfologiedagen 1995 georganiseerd.

Wie daar graag een lezing over een morfologisch onderwerp houdt, verzoeken wij ons VOOR 1 MEI 1995 het onderwerp te melden d.m.v. onderstaande strook. Zo mogelijk willen we een deel van het programma reserveren voor enkele lezingen over het thema DE INTERACTIE TUSSEN SYNTAXIS EN MORFOLOGIE. Daarnaast willen we expliciet ruimte bieden voor KRITISCHE REACTIES OP DE DRIE MORFOLOGISCHE BASISWERKEN die recent in ons taalgebied zijn verschenen, met name De Haas & Trommelen (1993), Don, Zonneveld & Drijkoningen (1994) en Booij & Van Santen (1995).

Ten laatste OP 21 JULI 1995 verwachten we dan van elke spreker een abstract (max. 1 blz.) voor de programmabrochure.

Met de redactie van LEUVENSE BIJDRAGEN zijn er afspraken voor een thema-nummer waarin een SELECTIE van de gehouden lezingen kan worden opgenomen (de gebruikelijke review- politiek blijft m.a.w. normaal van kracht).

Ook wie geen lezing houdt, maar t.z.t. het voorlopige programma wil ontvangen met het oog op een eventuele deelname, kan dat d.m.v. onderstaande strook melden.

Willy Smedts
Hans Smessaert (contactpersoon)

************************************************************
 
Naam :                          Instelling :
 
Adres :
 
Telefoonnummer :                email adres :
 
O   wil op de Morfologiedagen 1995 graag een lezing geven
    over :
 
 
O   houdt geen lezing, maar wil wel het voorlopige programma
    ontvangen.
 
Duid uw keuze aan en stuur het strookje VOOR 1 MEI 1995 naar
 
HANS SMESSAERT
DEPARTEMENT LINGUISTIEK
BLIJDE-INKOMSTSTRAAT 21
3000 LEUVEN
 
Telefoon  (016) 32 48 02
Telefax  (016) 32 47 67
Email   Hans.Smessaert@arts.kuleuven.ac.be

(3)=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=
Date: Mon, 03 Apr 1995 18:43:52 +0200
From: Gisela Redeker <redeker@teun.let.vu.NL>
Subject: Lit: 9404.03: Zeven nieuwe uitgaven van de Int. Vereniging voor Neerlandistiek, aangekondigd door Marja Kristel (IVN): - Wie en Wat in de Neerlandistiek in Nederland en Belgie en door Theo Janssen (VU Amsterdam): - Nederlands in Culturele Context. (Handelingen Twaalfde Colloquium Neerlandicum) - Geschiedenis Verzinnen - Grenzeloos Nederlands - Druk in Antwerpen - Strategisch Nederlands - Nederlands Theatraal

Door Marja Kristel (IVN):*

WIE EN WAT in de Neerlandistiek in Nederland en Belgie

  ISSN 0928-1355
  prijs f 15,=
  220 bladzijden
  12e uitgave - maart 1995

U kunt dit boek bestellen door overmaking van f 15,= op Postbank nummer 331 4917 ten name van de IVN te Woubrugge onder vermelding van “Wie en wat”. Het boek wordt u na ontvangst van het bedrag per kerende post toegezonden.
In dit boek treft u aan:

  • Instituten in Nederland en Belgie op het gebied van de Nederlandse taal, met namen van docenten en specialisaties.
  • Overzicht van tijdschriften.
  • Overzicht van instellingen en organisaties.
  • Trefwoordenregister.

Marja Kristel (IVN)

*Door Theo Janssen (VU Amsterdam):*

Introductie van de hieronder aangeduide IVN-uitgaven

Neerlandistiek mag dan door veel universitaire vakbeoefenaren in Nederland en Vlaanderen nauwelijks nog ervaren worden als een eenheid, maar voor de neerlandici werkzaam aan 250 universitaire opleidingen buiten Nederland en Vlaanderen spreekt het vanzelf dat de taal, letteren en cultuurhistorie van de Lage Landen wel in samenhang worden gedoceerd. Wie buitenlandse studenten toegang wil verschaffen tot de cultuur van Nederlanders en Vlamingen, kan in hun opleiding geen van die drie onderdelen laten ontbreken. ‘Nederlands in culturele context’, de centrale thematiek van deze bundel, is dan ook een integrerende factor in de vakbeoefening van de extramurale docenten Nederlands. De bundel opent met de afdeling Geschiedenis verzinnen die als centrale vraagstelling heeft hoe fictie is ingebed in de cultuurhistorische werkelijkheid. Grenzeloos Nederlands behandelt de culturele uitstraling van enkele Vlaamse en Nederlandse schrijvers tot over de grens van de Nederlanden. Druk in Antwerpen belicht de vooraanstaande positie van Antwerpen als centrum van cultuur in de zestiende en zeventiende eeuw. Bij Strategisch Nederlands wordt taalgedrag bezien op zijn sociaal-culturele implicaties. De bundel sluit af met Nederlands theatraal, waarin het de vraag is hoe creatief of authentiek ouder dramawerk op de planken gebracht moet worden, wil het in de hedendaagse cultuur geapprecieerd worden.

NEDERLANDS IN CULTURELE CONTEXT

(Handelingen Twaalfde Colloquium Neerlandicum)
ISBN 90-72870-03-4 geb.
prijs f 30,=
402 bladzijden
U kunt dit boek bestellen door overmaking van f 30,= op Postbank nummer 331 4917 ten name van de IVN te Woubrugge onder vermelding van “Nederlands in culturele context”. Het boek wordt u na ontvangst van het bedrag per kerende post toegezonden.

GESCHIEDENIS VERZINNEN

In “Geschiedschrijving en fictionalisering” stelt P. de Wispelaere dat de zekerheden van de traditionele historiografie ondergraven zijn: zowel de historicus als de romanschrijver die gebruik maakt van documentair materiaal worden geconfronteerd met ‘het banale axioma’ (Schama) dat aanspraken op kennis van de historische werkelijkheid altijd beperkt e’n subjectief bepaald zijn door de visie van een vertellende instantie. Tegenover die narrativistische richting staat de positivistisch-scientistische opvatting in de historiografie, toegelicht door M. Kuiper. De ‘echte’ historicus vreest subjectiviteit en emotie, hij kiest, als wetenschapper, voor objectiviteit en afstand. In de historische roman kan men dan een “geheime, ondergrondse tunnel” zien die het discours van de ‘echte’ historicus verbindt met dat van de romanschrijver: de schrijver van de historische roman, zoals Daens van Louis Paul Boon, roept een beeld op van de levende werkelijkheid. Daens heeft in de colloquiumbijdragen extra aandacht gekregen naar aanleiding van de succesrijke verfilming van de roman door Stijn Coninx. Daarnaast zijn echter ook de zeer diverse manieren belicht waarop de historische werkelijkheid wordt weergegeven of ‘gebruikt’ door S. Vestdijk en door W.F. Hermans.
Ee’n van de jongere beoefenaars van het genre, Nelleke Noordervliet, kwam zelf haar bijdrage toelichten. De recente opleving van de belangstelling voor het genre wordt door D.W. Fokkema in verband gebracht met de politieke en maatschappelijke veranderingen in Europa in de jaren 1989-1990.

GRENZELOOS NEDERLANDS

In de geschiedenis van de Nederlandstalige literatuur zijn niet zoveel momenten aan te wijzen dat er van de Nederlanden invloed uitging. Meestal hebben de Lage Landen zich beperkt tot een receptieve rol. De weinige uitzonderingen op die regel waren wel heel belangrijk. Ten tijde van de grootmeester van de mystieke traditie, Jan van Ruusbroec, was er bijvoorbeeld een ware ‘invasie’ van mystieke literatuur in Frankrijk, die nog doorwerkte in het Frankrijk van de zeventiende eeuw zoals hier door P. Mommaers wordt aangetoond.
In de eerste helft van de zeventiende eeuw is de invloed, uitgaande van de Nederlanden, overigens ook in oostwaartse richting gegaan: in het werk van de Silezische dichter Martin Opitz en diens kring zijn duidelijke sporen terug te vinden van bewonderende waardering voor de vroege Nederlandse renaissancedichters. In moderne(re) tijden is van een dergelijke invloed weliswaar geen sprake meer. Maar het receptieonderzoek leert ons wel dat Nederlandstalige auteurs ook elders worden gelezen (bijvoorbeeld Hella Haasse in Zweden). Het is een onderzoeksgebied dat als een heel breed, veelal nog braakliggend terrein uitnodigend ligt te wachten op de belangstelling van de vele neerlandici extra muros.

DRUK IN ANTWERPEN

In de zestiende en zeventiende eeuw was het in meer dan een opzicht ‘Druk in Antwerpen’: het humanisme bloeide er en drukte zijn stempel op de Lage Landen in het algemeen en op de stad Antwerpen in het bijzonder, zoals M. de Schepper laat zien. De stad trok bovendien zeer veel vreemdelingen. Waarom kwamen zij, wie waren zij en wat was hun plaats in de Scheldestad, zijn vragen waar K. Bostoen uitsluitsel over geeft. Deze vooraanstaande positie van Antwerpen werd door vele dichters op velerlei wijze bezongen. En ook dit betekende: ‘Druk in Antwerpen’, want volgens H. Meeus profiteerden de Antwerpse typografen ervan.

STRATEGISCH NEDERLANDS

Al is beleefdheid zeker niet eerst en vooral een kwestie van taal, het is wel een vorm van cultuur die in taal opvallend tot uiting komt. In taalgedrag kunnen sterk verschillende beleefdheidsstrategieen, zoals strategieen van solidariteits- en respectbeleefdheid, nauw samen gaan, betoogt G. Redeker. Na deze bijdrage aan de theorievorming wordt contrastief bekeken waar studenten op verdacht moeten zijn als zij partikels leren waarmee in het Nederlands beleefdheidsstrategieen gemarkeerd worden. J. Conradie gaat hier gedetailleerd op in vanuit het Afrikaans, R. Vismans vanuit het Engels, A. Foolen vanuit het Duits, K. Van de Poel en L. Van de Walle vanuit het Frans, Deens en Zweeds. Vervolgens bespreken A.A.M. van Kalsbeek en T. van Dijk welke beleefdheidsstrategieen je moet selecteren voor het onderwijs van het Nederlands als vreemde taal en hoe de bijbehorende didactiek eruit moet zien.

NEDERLANDS THEATRAAL

Hoe is of moet of mag, theoretisch gezien, de verhouding zijn tussen authenticiteit en creativiteit is de vraag die H. van den Bergh centraal stelt in de beoordeling van Nederlands drama. Gees Linnebank vraagt zich vervolgens af wat daarbij, in de praktijk, de positie van de acteur is die oude teksten tot leven moet brengen.

Theo Janssen (tjanssen@let.vu.nl)

(4)-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=
Date: Thu, 06 Apr 1995 08:25:03 +0100 (MET)
From: Korrie Korevaart <KOREVAART@rullet.LEIDENUNIV.NL>
Subject: Lit: 9504.04: Nieuwe publikatiereeks: SNL-reeks; deel 1, van W.J. Lukkenaer over De komedianten van Louis Couperus, begin april verschenen


Nieuwe publikatiereeks: SNL-reeks; deel 1, van W.J. Lukkenaer over De

komedianten van Louis Couperus, begin april verschenen

De Stichting Neerlandistiek in Leiden heeft onlangs een publikatiereeks in het leven geroepen. De reeks biedt onderdak aan uitgaven op het terrein van de Nederlandse taal- en letterkunde. Het gaat om de publikatie van dunne en dikke boeken, tekstedities, proefschriften en andere zaken die vanwege het onderwerp, de omvang etc. commercieel minder aantrekkelijk zijn.
Een ieder kan manuscripten aan de redactie(raad) voorleggen, zolang het om onderwerpen gaat op het terrein van de Nederlandse taal- of letterkunde.
Redactie-adres: Vakgroep Nederlandse Taal- en Letterkunde RUL, Postbus 9515, 2300 RA Leiden. Voor inlichtingen: Berry Dongelmans (tel. 071-272109) of Korrie Korevaart (tel. 071-272130; e-mail korevaart@rullet.LeidenUniv.nl).

Begin april verscheen het eerste deel van de reeks, geschreven door Pim Lukkenaer, over De komedianten van Louis Couperus. Lukkenaer analyseert de motieven-complexen in het verhaal en laat in detail zien waar – in moderne en in klassieke bronnen – Couperus het materiaal voor zijn roman vond. Het boek (W.J. Lukkenaer, “De komedianten” van Couperus. Leiden: Stichting Neerlandistiek Leiden 1995. SNL-reeks 1. ISBN 90-802290-1-6 / NUGI 952; 90 pp.) is te bestellen door storting van fl. 28,- (inclusief verzendkosten) op gironummer 3881447, t.n.v. Stichting Neerlandistiek Leiden, Postbus 9515, 2300 RA Leiden, o.v.v. Komedianten; het wordt vervolgens per ommegaande toegestuurd). Wie het boek afhaalt (Bibliotheek van de vakgroep Nederlands RUL, P.N. van Eyckhof 1, kamer 006a), betaalt fl. 25,-.

Korrie Korevaart

(5)-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=
Date: Thu, 30 Mar 1995 15:04:12 +0100 (CET)
From: Karel.Porteman@arts.kuleuven.ac.be
Subject: Con: 9504.05: Vierde internationaal congres van Society for Emblem Studies van 18 tot 23 september aan de KU Leuven over emblemata; sprekers kunnen zich nog aanmelden

De Society for Emblem Studies organiseert haar vierde internationaal congres aan de K.U.Leuven van zondag 18 (registratie) tot vrijdag 23 augustus 1996 (excursiedag).

De centrale thema’s zijn de emblemataliteratuur in de Nederlanden en het gebruik van emblemen op school. Andere onderwerpen die de organisatoren bij voorkeur aan bod willen laten komen zijn: embleemhandschriften, het embleem en de ars memorativa, de aanwending van het embleem in andere literaire genres en in de kunsten, de vervaardiging en het drukken van embleembundels. Lezingen die andere aspecten van de embleemstudie behandelen worden eveneens in aanmerking genomen.

De congrestalen zijn het Engels, Frans, Duits, Spaans en Nederlands. Wie spreekt in het Nederlands of het Spaans, wordt vriendelijk verzocht voor zijn toehoorders een geschreven Engelse vertaling van zijn tekst beschikbaar te houden.

Wie een lezing wenst te geven (ca 20 minuten) dient tegen 1 oktober 1995 een samenvatting van ca 500 woorden te sturen naar Prof.dr. K.Porteman, P.B.33, 3OOO Leuven (Belgie).

Goedkoop logies in universitaire studentenhuizen is mogelijk.

Wij hopen dat vele literairhistorici uit de Neerlandistiek deze oproep beantwoorden.

Karel Porteman

(6)-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=
Date: Thu, 30 Mar 1995 07:28:07 +0200
From: Marian Brink <brinkm@libarts.up.ac.za> of <BRINKJA@alpha.unisa.ac.za>
Subject: Med: 9504.06: Bezoek aan Nederland van Marian Brink-de Wind (Pretoria, Zuid-Afrika); is Bar-le-Duc Baarle- Hertog?

Bezoek aan Nederland

Het Neder-L tijdschrift vermeldt nog geen geboorte-, huwelijks- of overlijdensberichten. Ook geen verhuisberichten. Mogen bezoekers uit het buitenland zich wel aankondigen?

Marian Brink-de Wind van het Departement Afrikaans van de Universiteit van Pretoria bezoekt Europa van 8 april tot 8 juni. De eerste week is ze in Nederland, en de laaste twee in Antwerpen. Marian is Uitvoerend Redacteur van het “Tydskrif vir Nederlands en Afrikaans” en wil tijdens haar Europees bezoek met zoveel mogelijk potenti?le abonnees en bijdragers kennis maken. Ze is gedurende de hele periode bereikbaar per fax bij 09 31 5947 1-3325 (fam. Dijk in Grijpskerk) of via e-mail bij drs. Korrie Korevaart van de Rijksuniversiteit Leiden: korevaart@rullet.LeidenUniv.nl – deze nummers kunnen gebruikt worden door voornemende abonnees, en ook door mensen die graag een lezing over de Afrikaanse literatuur horen. Verder wil ze ook graag met zoveel mogelijk oude bekenden die in Pretoria gelogeerd hebben, in contact komen.
Van haar kant is ze op zoek naar zoveel mogelijk interessante inlichting over hertog Jan I van Brabant, en ja, het mooie boekje van Marika Ceunen kent ze al. Ze heeft zelfs een specifieke vraag: Hertog Jan I is overleden te Bar-le-Duc. Bestaat er een verband tussen de Franse plaats en het Baarle Hertog in het Belgiese gedeelte van in de Nederlandse provincie Brabant?

(7)=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=
Date: Thu, 30 Mar 1995 09:22:00 -0800 (PST)
From: Daisy Neijmann <NEIJMAN@bldgarts.lan1.umanitoba.ca>
Subject: Vra: 9504.07: Informatie gevraagd over lezingen voor de Canadian Association for the Advancement of Netherlandic Studies op 6 juni 1993 en over literaire publikaties van Nederlands-Canadezen van voor 1970

Geachte Neder-L-lezers:

Ik zond reeds eerder een verzoek tot informatie uit over Nederlands-Canadese literatuur (zie Neder-L, artikel 9502.12). Dat verzoek is nog steeds van kracht, maar op dit moment ben ik speciaal op zoek naar bibliografische informatie betreffende de publikatie(s) van lezingen gehouden op 6 juni 1993 te Ottawa (Carleton University) voor de Canadian Association for the Advancement of Netherlandic Studies tijdens een sessie speciaal gewijd aan Dutch Canadians. Het betreft o.a. de volgende lezingen:

  • Art Grenke, Ottawa, “Archival Resources on the Dutch in Canada”
  • Gerry Gerrits, Acadia, “They Farmed Well: The Dutch-Canadian Farming Community in Nova Scotia”
  • Michiel Horn, “Becoming Canadians, A Migrant’s Journey”
  • Frans Schryer, Guelph, “The Identity of Dutch Canadians”

Ook zou ik graag informatie ontvangen over literaire activiteiten/ publikaties van Nederlands-Canadezen van voor 1970. Alle informatie is welkom op het volgende adres:
460 University College, University of Manitoba, Winnipeg, Manitoba, R3T 2N2 Canada; e-mail adres: neijman@bldgarts.lan1.umanitoba.ca.

Bij voorbaat hartelijk dank,

Daisy Neijmann

(8)=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=
Date: Mon, 3 Apr 1995 14:35
From: Wim Husken <u216006@vm.uci.kun.nl>
Subject: Col: 9504.08: Column Wim Husken: Eerlycke Tytkorting, no. 9: "Alle dingh volbracht"


Wim Husken Eerlycke Tytkorting, no. 9

‘Alle dingh volbracht’

De kerkelijke kalender kende in de Middeleeuwen tientallen feestdagen. Allerlei heiligen — soms kennen we hun naam tegenwoordig nog nauwelijks — hadden hun eigen dag. Alle werk was dan verboden. De Reformatie haalde door deze economisch niet bijster gezonde ledigheid een flinke streep. Eigenlijk wilde men het liefst terug naar een rustdag per week en alle kerkelijke feestdagen gewoon afschaffen. De gehechtheid van het volk aan eeuwenoude gebruiken maakte echter dat sommige festiviteiten met geen mogelijkheid uit te roeien waren. Kerstmis, Pasen en Pinksteren natuurlijk voorop, maar ook de feestdag van Sint-Nicolaas, bleef bij de protestanten in ere, suikergoed en geschenken incluis.
Het vieren van een feestdag als Pasen is eigenlijk nooit serieus ter discussie gesteld. In de geestelijke literatuur van de zeventiende eeuw treffen we dan ook bij allerlei schrijvers, van katholiek tot gereformeerd, gedichten aan geinspireerd op deze dag. Maar waar ging het die schrijvers over Pasen nu om? Tegenwoordig beleven we deze dag in de eerste plaats als een feestdag, omzoomd met folkloristische gebruiken als het aansteken van Paasvuren en het eten van chocolade Paaseieren. Driehonderd jaar geleden was Pasen evenwel een dag van bezinning. Aan de hand van enkele gedichten uit die tijd blijkt dat al gauw.
Een jaar voordat de stad, in 1629, in handen zou vallen van het Staatse leger verscheen te ‘s-Hertogenbosch een boekje getiteld Gulde-Jaer Ons Heeren Jesu Christi. Auteur was de bijna vijftigjarige Jan Baptist Stalpart van der Wiele. Opgegroeid in een katholiek milieu, had hij rechten gestudeerd te Orleans en was hij in 1598 benoemd tot advocaat bij de Hoge Raad en het Hof van Holland. Deze werkkring gaf hem evenwel maar weinig voldoening. Reden daarvoor is wellicht het feit dat hij, werkzaam in een openbare functie, zijn afwijkende religieuze opvattingen niet luid mocht verkondigen. Vandaar dat hij reeds na vier jaar de advocatuur de rug toekeert en opnieuw plaatsneemt in de collegebanken, nu in Leuven. Blijkbaar wil Jan dus toch liever priester worden. In 1606 ging die wens in vervulling. Na voortgezette studie, onder andere in Rome, accepteerde hij in 1612 een benoeming als pastoor te Delft. Maar naast zijn werk als zielzorger voelde hij ook behoefte om zijn meningen in ruimere kring uit te dragen. Om zijn positie als getollereerd katholiek geestelijke niet op het spel te zetten, publiceerde hij zijn boeken echter anoniem, de meeste zelfs buiten de grenzen van de Republiek. Zo verscheen dus in 1628 zijn bekendste werk, het Gulde-Jaer Ons Heeren Jesu Christi (in 1968 uitgegeven door B.A. Mensink; Zwolle: W. E. J. Tjeenk Willink). Daarin ook aandacht voor Pasen.
Voorafgegaan door het lied “De verwonne dood. Op den Paes-Sonnendagh”, wijdt Stalpart van der Wiele niet minder dan zeven Paasliederen aan deze hoogtijdag. Zoals het middeleeuwse Paasdrama bepaalde gebeurtenissen van de Opstanding in scene zette en aldus aan het publiek vertoonde, zo stelt ook de dichter deze in zijn liederen aan ons voor: Christus’ ontmoeting met de Emmausgangers (Lukas 24:13- 35) en, verkleed als tuinman, met Maria Magdalena (Joh. 20:11-18). Evenmin ontbreekt de beschrijving van de haast waarmee Petrus en Johannes zich, na vroeg in de ochtend het gerucht over Christus’ Opstanding vernomen te hebben, naar het Graf begeven (Joh. 20:1-10). In “De blyde morgen. Seste Paesch-lied”, verzuimt de schrijver niet te herinneren aan enkele oudtestamentische, Christus’ Verrijzenis prefigurerende feiten: Jonas’ in de buik van de walvis (Jonas 2:1-10) en Joseph in de put vooraleer aan de Egyptenaren te worden verkocht (Gen. 37:24-28). Tevens stipt Stalpart van der Wiele zijdelings het directe belang van Pasen aan voor zichzelf en zijn medemens: “Dus voordaen || Wilt danckbaer wesen, || Godt vresen met blijden schijn; || Christus sal ons Verlosser zijn. Kyrieleys.”
Evenals het “Hal-le-luy-a” van het zevende couplet in “De verwonne dood” zal toentertijd dit laatste woord “Kyrie eleison” niet alleen uit katholieke monden hebben geklonken maar ook uit protestantse. Uit die hoek stammen misschien wel de bekendste gedichten op Pasen. Pietistisch ingestelde calvinistische schrijvers benadrukken de betekenis van Christus’ Verrijzenis voor het persoonlijke leven echter veel sterker dan katholieke auteurs. Hoewel opnieuw verankerd in de oudtestamentische prefiguratie van Josephs gevangenschap, geeft de Deventer predikant Jacobus Revius in zijn Over-Ysselsche Sangen en Dichten (1630) bijvoorbeeld te kennen dat hij, ervan overtuigd dat Christus’ Verrijzenis historisch gezien waar is, nu ook zelf met een gerust hart wil sterven (editie W.A.P. Smit; Amsterdam: Uitgeversmaatschappij Holland, 1930):

Verrijsenis
Leeft Joseph, dien ick lang’ int doot-boeck had geschreven,
Sprack Jacob, oude man, en wert hy soo verheven,
Soo ben ick vergenoecht, soo wil ick reysen heen
En sien sijn hogen staet, en sterven wel te vreen.
Leeft Jesus, die alree ten grave was gedragen,
Is hy geresen op na drie geheele dagen,
En heeft hy alle macht in hemel en op aerd,
Soo ben ick ick wel getroost: ick wil te Godewaert
En sien sijn Heerlijckheyt. blymoedich wil ick sterven
Versekert met mijn Heer de salicheyt te erven.

Met het oog op Pasen wijdt Revius verder nog een gedicht aan Maria’s klaagzang bij het lege Graf en aan de ongelovige Thomas. Evenals Maria wordt deze laatste sprekend opgevoerd. Ondanks het documentaire karakter dat het gedicht daarmee krijgt, zouden Thomas’ woorden niet minder overtuigend hebben geklonken uit de mond van de dichter zelf. Misschien was dit laatste wel de bedoeling van de schrijver, want na de nog ietwat twijfelende toon van het gedicht “Verrijsenis” had ook hij het volgende gemakkelijk voor zijn rekening kunnen nemen:

Het ongeloof is wech, den twijfel heel vergaen.
O Heere, ick geloof. en had ick duysen monden
Ick sou van mijn geloof daer mede doen vermaen.

Gedachten aan kerkelijke feestdagen spoken schrijvers niet alleen op of rond de dag zelf door het hoofd. Weliswaar ving Constantijn Huygens op 1 januari 1645 zijn Heilige Dagen aan met het gedicht “Niewe Jaer”, op de zesde van die maand (Driekoningen) voltooide hij echter al het gedicht “Paeschen”. (Zie: C. Huygens, Avondmaalsgedichten en Heilige Dagen; uitg. door F. L. Zwaan. Zwolle: W. E. J. Tjeenk Willink, 1968.) Twee dagen later was de kleine poeziecyclus, inclusief een opdracht aan zijn vrouw slechts tien gedichten omvattend, klaar. In zijn gedicht “Paeschen” keert Huygens terug naar de Bijbelse betekenis van het woord: Pascha, doorgang, het vertrek van de Joden uit Egyptische gevangenschap. Het is merkwaardig dat een sterk religieus ingesteld persoon als Huygens naar aanleiding van Pasen hier eerder aan de wederwaardigheden van de Israelieten lijkt te denken dan aan Christus’ Verrijzenis. Dit echter is maar schijn want impliciet verwijst Huygens wel degelijk naar de Opstanding. Na de verzuchting waarmee het gedicht opent (“Den Engel is voorbij: de grouwelicke Nacht || Der eerstgeborenen is bloedeloos verstreken”), vervolgt de schrijver immers met de vraag: “Is alle dingh volbracht?” Daarmee roept hij, impliciet of expliciet, Christus’ laatste kruiswoord in herinnering: “Het is volbracht” (Joh. 19:30). Door deze woorden evenwel in de vorm te gieten van een vraag is Huygens terug bij zijn eigen situatie: is door de uittocht van de Joden uit Egypte en door Jesus’ dood alles volbracht? Nee, ons staan nog meer gevaren te wachten, gevaren die bijvoorbeeld te maken hebben met een verslapping in onze godsdienstige houding. Dit blijkt het duidelijkst uit het gebruik van het woord “ons” in de laatste twee regels van het gedicht:

Den Engel komt weerom, en ’t vlammighe geweer
Dreight nieuwen ondergang. Heer, heet hem over varen.
Merckt onser herten deur, o leew van Judas Stamm,
En leert ons tijdelick verschricken voor een Lamm.

In 1651 verscheen een verzameling poezie van de toenmalige Hollandse dichter-coryfeeen: _Verscheyde Nederduytsche Gedichten_. Hierin van de hand van de Amsterdamse kruidenier Jeremias de Decker ook het omvangrijke _Goede Vrydag ofte Het Lijden onses Heeren Jesu Christi_ (uitgave W. J. C. Buitendijk; Culemborg: Tjeenk Willink / Noorduyn, 1978). De inhoud ervan beslaat een ruimer tijdvak dan de titel doet vermoeden: in negen afdelingen bespreekt het gedicht namelijk de gebeurtenissen van Witte Donderdag tot en met Paaszondag. In de laatste afdeling, “Christus verresen”, verwoordt De Decker zijn persoonlijke gedachten bij het gebeuren van de vroege Paasmorgen. In eerste instantie spoort hij zijn lezers aan: “Juycht, juycht, o Christe scharen, || Uw Prins is opgevaren”. Waar het hem uiteindelijk evenwel om gaat, is te laten zien dat Christus’ Verrijzenis niet alleen historische betekenis heeft. Met een al dan niet bewuste verwijzing naar Luthers _Sola fides-_leer wijst hij deze gebeurtenis namelijk aan als kernpunt van het Christelijk geloof:

Dit wonderlijck verrijsen
En laet sich niet bewijsen,
Als door ’t geloove alleen; ghy blijft hier in den dut;
En waer ’t geloove spreekt, daer is u ’t swijgen nut.

Eerst na dit geconstateerd te hebben, durft De Decker het aan om op zijn eigen Opstanding te mogen hopen. Deze bestaat, anders dan bij Huygens, niet uit een verrijzenis uit de dood maar, hier en nu, uit de zonde: “En geef my daer beneven || Dat self in desen leven || Ik eens verrijsen leer uyt mijner sonden graf; || Trek, trek my buyten en van my selven af”.
Tot slot, de vrij onbekende dichter Matthys vander Merwe. Zelf in zijn jeugd geen lieverdje, doch later tot inkeer gekomen, houdt hij in zijn gedicht “Paesschen” (editie Gerrit Komrij in De Nederlandse poezie van de 17de en 18de eeuw in 1000 en enige gedichten; Amsterdam: Bert Bakker, 1986) eenieder die op roem en rijkdom aast deze spiegel voor:

Wat meent gy Gierigaert, Bloed-kop van Weeuw en Weesen,
Dat gy soo regel-recht loopt na den Hemel toe,
Als gy Gods oordeel niet schijnt aen sijn Disch te vreesen,
En u besoedeld’ hand daer plukt u eygen roe?

Vergelijking van de historische feiten met het heden levert volgens Vander Merwe een onthutsend beeld op: “was daer onder twaelf een die de Duvel minde, || ‘kLoof datm’er hier wel elf sou onder twaellif vinden.”
Zo trachtte elk dichter zijn eigen invulling te geven aan het Paasfeest: de meer religieus ingestelde beschouwde deze dag vanuit het perspectief van de eigen Opstanding; de aards georienteerde keek daarentegen om zich heen en trok uit de geschiedenis een les voor zichzelf en voor zijn omgeving. Wat dit laatste betreft konden zeventiende-eeuwse burgers dus verwachten om op Pasen niet alleen vanaf de kansel moreel toegesproken te worden, maar, van de zijde van de dichters, bovendien ook nog eens in geschrifte.

-Einde-------------------- Neder-L, no. 9504.a --------------------------