Neder-L, no. 9410.a

Subject: Neder-L, no. 9410.a
From: Ben Salemans
Reply-To:Elektronisch tijdschrift voor de neerlandistiek
Date:Wed, 5 Oct 1994 18:30:05 +0100
Content-Type:text/plain
                           *********************
*-------------------------- Neder-L, no. 9410.a -----------ISSN-0929-6514-*
|      ************************************************************       |
|      * Neder-L, elektronisch tijdschrift voor de neerlandistiek *       |
|      ************************************************************       |
|                                                                         |
| Onderwerpen in dit bulletin:                                            |
| ============================                                            |
| (1) Med: 9410.01: 18e symposium Werkgroep 19e Eeuw op 19 november 1994  |
|                   1994 te Amsterdam: 'Het beeld van de middeleeuwen in  |
|                   in de negentiende eeuw'                               |
| (2) Rea: 9410.02: Moenens oog; een reactie op Kuipers' col. 10 (9409.09)|
| (3) Med: 9410.03: Dutch for Foreigners: over cursussen Nederlands voor  |
|                   voor buitenlanders                                    |
| (4) Vra: 9410.04: Waar spreekt Hooft over "aerdsche zonnen" en wie kent |
|                   een verhaal waarin een man door het drinken van een   |
|                   liefdesdrankje gek wordt en sterft?                   |
| (5) Rec: 9410.05: Boekbespreking dissertatie van E. Groenenboom-Draai   |
|                   over de 'Rotterdamsche Hermes' (1720-1721) van Jacob  |
|                   Campo Weyerman                                        |
| (6) Rea: 9410.06: `Competence-collapse' en/of een `clash tussen         |
|                   dialecten'; een reactie op Coppens Linguistisch       |
|                   Miniatuurtje XV (9409.08)                             |
| (7) Rea: 9410.07: Korte reactie of naschrift Coppen n.a.v. Rea: 9410.04 |
| (8) Med: 9410.08: SHARP Call for Papers                                 |
|                                                                         |
| Informatie over Neder-L:                                                |
| ========================                                                |
| Algemene informatie opvragen over Neder-L: stuur mail naar              |
|   listserv@nic.surfnet.nl met daarin de boodschap: GET NEDER-L INFO     |
| Abonnement nemen op Neder-L: stuur mail naar listserv@nic.surfnet.nl    |
|   met als boodschap: SUB NEDER-L                                        |
| Oude Neder-L-bulletins opvragen: stuur mail naar listserv@nic.surfnet.nl|
|   met daarin een boodschap als: GET NEDER-L LOG9206                     |
|   (resultaat: logboek met Neder-L-artikelen van juni '92 wordt gestuurd)|
| Gopher-toegang tot Neder-L: alle oude en nieuwe Neder-L-bulletins zijn  |
|   via Gopher in te zien op gopher.nic.surfnet.nl, in de directory       |
|   SURFnet informatie/LISTSERV archieven (nic.surfnet.nl)/NEDER-L        |
| Neder-L wordt ook verspreid via de Internet newsgroup bit.lang.neder-l  |
| Bijdrage voor Neder-L opsturen: stuur mail naar neder-l@nic.surfnet.nl  |
|   (dit geldt ook voor Internet-gebruikers die bijdragen willen leveren) |
*--------------------------                     --------------------------*
                           *********************

(1)-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=
Date: Wed, 21 Sep 1994 13:43:27 +0100 (MET)
From: Korrie Korevaart <korevaart@rullet.leidenuniv.nl>
Subject: Med: 9410.01: 18e symposium Werkgroep 19e Eeuw op 19 november 1994 te Amsterdam: 'Het beeld van de middeleeuwen in de negentiende eeuw'

Op 19 november 1994 wordt in het Vlaams Cultureel Centrum De Brakke Grond te Amsterdam het achttiende symposium van de Werkgroep Negentiende Eeuw gehouden. Het thema is: Het beeld van de middeleeuwen in de negentiende eeuw.

Het programma is als volgt:

10.00 uur Ontvangst met koffie
10.30 uur Opening door de voorzitter, prof. dr. B.P.M. Blaas
10.35 uur Dr. A.P.J. Miltenburg: De middeleeuwen in de historische wetenschappen
11.05 uur Dr. Wim van Anrooij: Pieter Jacob Andriessen en de moord op Floris V. Wetenschappelijk verantwoorde jeugdliteratuur
11.35 uur Koffiepauze
12.00 uur Dr. Saskia de Bodt: Op bezoek bij Memlinc in Brugge
12.30 uur Discussie
12.45 uur Lunch
14.00 uur Prof. dr. P.G.J.M. Raedts: De katholieke emancipatie en de middeleeuwen
14.30 uur Dr. Jacqueline Bel: De fin-de-siecle-literatuur en de mystiek
15.00 uur Theepauze
15.30 uur Prof. dr. E. van Uitert: Mystieke bevliegingen: Thorn Prikker
16.00 uur Discussie
16.30 uur Sluiting

(2)-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=
Date: Mon, 19 Sep 1994 21:20:11 +0200
From: Hans van Dijk <VANDIJK@let.rug.nl>
Subject: Rea: 9410.02: Moenens oog; een reactie op Willem Kuipers' column 10 (9409.09)

Beste Willem,

Een korte reactie op je aardige stuk (Neder-L-artikel 9409.09) over Moenens oog, om je te herinneren aan de ontmoeting van Mariken met haar duivelse vriend. In deze dialoog informeert Mariken zeer nauwkeurig naar de identiteit van Moenen om te besluiten met ‘Ghi sijt die viant vander hellen’ (Coigneau, v.214). In de druk staat achter dit vers geen leesteken. Een punt, een vraagteken en een uitroepteken zijn in beginsel mogelijk. Het hangt af van je interpretatie van Marikens conclusie. Moenen bevestigt niets in het volgende vers maar draait bekwaam om het antwoord heen. Hoe het ook zij, Mariken vermoedt van meet af aan met wie zij te doen heeft.
Anderzijds gaat de tekst op dit moment niet verder dan Marikens vermoeden en ik denk dat dat met opzet gebeurt. Op deze wijze wordt de onzekerheid van Mariken voor de lezer invoelbaar. Wij weten immers zelden zeker of wij met goede of slechte raadgevers te doen hebben. Deze onzekerheid maken Marikens gedrag zo herkenbaar voor de tijdgenoten en de boodschap (Wat haar overkomt kan ons ook overkomen) zo effectief. Bovendien wordt het verhaal spannend door de ook door jou genoemde dramatische ironie (ik voel meer voor de zakelijke term ‘kennisvoorsprong): de lezers weten dat Moenen de duivel is en vragen zich bezorgd af of Mariken wel op de juiste wijze zal reageren.

Hartelijke groet,

Hans van Dijk

(3)-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=
Date: Mon, 03 Oct 1994 12:49:46 +0100 (CET)
From: Piet Meyer <Piet.Meyer@wtm.TUDELFT.NL>
Subject: Med: 9410.03: Dutch for Foreigners: over cursussen Nederlands voor buitenlanders

BS Regelmatig wordt mij gevraagd door buitenlanders of er cursussen Nederlands op video, in computerformaat (etc.) bestaan. Tot nu moest ik de antwoorden op die vragen schuldig blijven. Ik heb Piet Meyer van de Universiteit van Delft gevraagd of hij over dat onderwerp een artikel voor Neder-L wilden schrijven. Zijn artikel ‘Dutch for Foreigner’ staat hieronder afgedrukt. Het artikel is Engelstalig om de doelgroep, buitenlanders die Nederlands willen leren, beter te kunnen aanspreken. Piet Meyer, bedankt! Ben Salemans.

DUTCH FOR FOREIGNERS.

Delft University of Technology
Applied Linguistics Unit
De Vries van Heystplantsoen 2
2628 RZ Delft
The Netherlands
Phone (31)-15784124
Fax (31)-15787105

Introduction.

The Applied Linguistics Unit of the Delft University of Technology organizes language courses for students, staff members and others. One of the sections of this unit specialises in Dutch language courses for foreigners. The section is well known for the unconventional method of teaching a second/foreign language it has developed. It offers several standard courses, four times a year, and tailor-made courses for special groups of learners. All standard courses are very intensive. Learners may use the language lab facilities, (equipped with audio and video facilities) and there is a computer lab (30 work stations).

The standard program contains Dutch language courses at three different levels of proficiency. Depending on the result obtained in the level test, learners may start in either the beginners’ course, the intermediate course or the advanced course.

Beginners course.

The beginners’ course comprises the 1200 most frequent words of Dutch in coherent texts. The texts incorporate all Dutch grammatical structures. Each day the students participate in two conversation lessons in which the content of the studied texts are discussed in small groups (15 students at most). Learners are encouraged to participate in simple conversations on everyday topics from the very first day.

Intermediate course.

Immediately after the beginners course vocabulary is expanded in the five-week intermediate course. The textbook contains material which focuses on various aspects of Dutch society. Also in this course, the lessons are mainly devoted to conversation, to acquire fluency in Dutch as soon as possible. The level of proficiency attained will enable learners to communicate in Dutch on general, non-specialist topics.

A proficiency test concludes both courses. During the course the learning process is monitored daily by a computerized audio test system.

Advanced course.

The section has developed several advanced courses, under the assumption that the proficiency acquired in the earlier courses is a necessarry basis for a subsequent course which focuses on the type of language learners will have to use in the near future. We can offer advanced Dutch language courses for special purposes and for general purposes as well.

Foreign students applying for university entrance must have proficiency in everyday and scientific Dutch to be able to understand undergraduate courses. Therefore the materials (textbooks, audio/video cassettes) of the advanced course have been derived from mathematics and physics classes for Dutch-speaking foreign students. In this course students learn the vocabulary of these fields of knowledge, and an intensive auditive training is offered as well as conversation and reading training. There are some more specific preparatory courses, such as those for the language of Space Technology, Chemistry and Civil Engineering. In these courses the vocabulary is enlarged by learning the most frequently used field-specific words, to be used during the first year of a faculty program. Apart from these technically oriented courses, an advanced course in Dutch for general purposes can be offered. The subjects of the materials (texts, videotapes) are aspects of Dutch life and society (geography, population, education etc.).

Non-university institutions have also shown interest in content-based language courses especially developed for their field of knowledge. The Applied Linguistics Unit provides help and advice, and develops purpose-specific new materials on the basis of well-established principles.

Computer-assisted language learning (CALL).

In all courses, several in-house developed CALL programs are used, such as programs to produce language tests and to analyse the tests results of individual learners and groups of learners.
Another program transforms any input text into an additional learning text which meets the Delft principles of language learning, together with a word list. Learners may use any of the exercise programs which provide them with different types of feedback. In addition, they may make use of a program which facilitates the learning task by providing the translation from Dutch of unknown or forgotten words into the language they desire (English, German, French, Spanish, Italian, Russian, Arabic, Chinese, etc.). Listening proficiency can be trained and tested by means of a computer-assisted listening program. All programs can be purchased (see address above). Teachers may adapt and/or enlarge the texts of these programs simply on the basis of knowledge of knowing how to use a word processor. More recently, the unit has been developing applications for multimedia use (interactive compact disc) and a computer dictionary system.

For more information on courses, please contact our office (see address above).

Self-study.

Ask our office for the (VHS) instruction video (English or Dutch spoken) about how to use the materials, and a wordlist in your native language (if not in the book).
Instruction video, books, wordlists, audiocassettes and computerprograms form a package that provide learners with ample means to learn Dutch through self-study.

For more information on materials (books and audiocassettes) or
orders, contact the publisher:
Uitgeverij Boom
P.o. box 400
7940 AK Meppel
The Netherlands
(31)-59220-57012

For information on software, contact the vendor:
Eurocall
P.o. box 3074
2280 GB Rijswijk
The Netherlands
(31)-70-3939408

Other courses and materials.

Dutch language courses on various levels are offered by several other Dutch Universities, by Nuffic (Netherl. Organ. for internat. cooperation in higher education, P.O.Box 29777, 2502 LT, Den Haag) and many other institutions.

Publishers of Dutch language learning materials very often distribute additional software as well. The foundation SVE (= Landelijk Studie- en Ontwikkelingscentrum voor de Volwasseneneducatie; P.O.Box 351, 3800 AJ Amersfoort) recently published in its magazine Tijdschrift Volwasseneneducatie (ISSN: 0929-2039) nr. 1, 1994, a list of available programs. The SVE has a Bulletin Board System with an electronic catalogue containing information about (electronic) learning facilities: tel. 033- 611672. Before you can access this BBS you have to contact Thomas Bersee of SVE: tel. 033-631114.

Delft University of Technology,
Applied Linguistics Unit.
Piet Meijer
e-mail: pietm@wtm-server.wtm.tudelft.nl

(4)-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=
Date: Tue, 27 Sep 1994 09:58:22 +0100 (MET)
From: Roland de Bonth <deBonth@LETT.KUN.NL>
Subject: Vra: 9410.04: Waar spreekt Hooft over "aerdsche zonnen" en wie kent een verhaal waarin een man door het drinken van een liefdesdrankje gek wordt en sterft?

Beste Neder-L-abonnees,

Tijdens het annoteren van enkele vroegachttiende-eeuwse teksten stuitte ik op passages die vooralsnog niet opgehelderd zijn. Hopelijk is er een lezer van Neder-L die mij antwoord kan geven op de volgende vragen:

(1) Waar spreekt P.C. Hooft over “aerdsche zonnen” of over “aerdsche zonnen, die de nevelen der onwetenheit hebben begonnen te verdryven”?

(2) Kent iemand (wellicht uit de Griekse, Latijnse of Germaanse mythologie) het volgende verhaal: een vrouw is wanhopig verliefd op een man. Zij probeert hem voor zich te winnen door middel van een liefdesdrank. Helaas wordt de man krankzinnig, nadat hij van het goedje gedronken heeft. Uiteindelijk sterft hij.

Met vriendelijke groeten,

Roland de Bonth
Vakgroep Nederlands, KUN
Postbus 9103
6500 HD NIJMEGEN
tel.: 080 – 61 62 73

(5)-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=
Date: Tue, 04 Oct 1994 09:34:43 +0100
From: Marco de Niet <Marco.deNiet@KONBIB.NL>
Subject: Rec: 9410.05: Boekbespreking disssertatie van Groenenboom-Draai over de 'Rotterdamsche Hermes' (1720-1721) van Jacob Campo Weyerman

Boekbespreking van:
E. Groenenboom-Draai: “De Rotterdamse woelreus, De ‘Rotterdamsche Hermes’ (1720-1721) van Jacob Campo Weyerman: Cultuurhistorische verkenningen in een achttiende-eeuwse periodiek”. Amsterdam/Atlanta: Rodopi, 1994. (Atlantis 8). [10], 628 p. Ill. ISBN 90-5183-380-6. HFL 90,-. (ook verschenen als Proefschrift RU Leiden).

De vernieuwingen die het historisch letterkundig onderzoek in de laatste decennia heeft ondergaan, hebben nauwelijks tot een betere kijk op de veelzijdige achttiende-eeuwse letterkunde geleid. De grenzen van de (kleine) literaire canon uit die eeuw zijn tot op heden onwrikbaar gebleken, waardoor het landschap kunstmatig monotoon gehouden wordt. Van Effen, Feith, Van Alphen, Wolff en Deken en Bilderdijk krijgen verreweg de meeste aandacht in handboeken en monografieen en blijven aldus de gezichtsbepalers. Af en toe duiken er, met name door de inspanningen van een kleine groep liefhebbers, andere individuen op, zoals Belle van Zuylen, Elizabeth Maria Post, Gerrit Paape, F.L. Kersteman en Jacob Campo Weyerman. Achter hen blijven nog vele schrijvers verscholen, waar we niet goed raad mee weten, omdat ze niet zo goed passen in onze theorieen over wat letterkunde is, en vooral omdat ze een andere kant van de achttiende eeuw representeren, die niet goed te rijmen valt met de twee aspecten die kenmerkend worden geacht voor de achttiende eeuw: matige Verlichting en knusse gezelligheid. Over de omvang en aard van deze “achterkant” van de achttiende eeuw weten we nog erg weinig, wat jammer is, omdat hier de basis ligt van de modernisering die het letterkundige circuit onderging na de Renaissance.
Hoe stimulerend de initiatieven zijn die er naast de geijkte kanalen worden ondernomen, blijkt onder andere uit de activiteiten van de Stichting Jacob Campo Weyerman, wel eens laatdunkend gekarakteriseerd als “fanclub”. Het onderzoeksmateriaal dat in de loop van zeventien jaar verzameld is in de “Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman” en andere uitgaven van (leden van) de Stichting blijkt een belangrijke informatiebron te zijn, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de twee dissertaties die tot op heden aan Weyerman zijn gewijd. In 1990 verscheen “Tussen zwart en ultramarijn, De levens van schilders beschreven door Jacob Campo Weyerman” van Ton Broos, en op 17 maart jl. promoveerde Elly Groenenboom-Draai op haar lijvige en veelzijdige proefschrift, gewijd aan het eerste weekschrift van Weyerman, “De Rotterdamsche Hermes”. Met haar proefschrift heeft Groenenboom-Draai gezocht naar een manier om op een leesbare wijze dit tijdschrift, dat in 59 afleveringen verscheen van 13 september 1720 tot 4 september 1721, te annoteren en becommentarieren. Omdat Broos in zijn proefschrift alle bekende biografische gegevens over Weyerman op een rijtje heeft gezet, kon Groenenboom-Draai het zich permitteren de lezer direct te confronteren met de inhoud van “De Rotterdamsche Hermes”, zonder Weyerman uitgebreid te introduceren. Bovendien was het niet nodig vele citaten uit “De Rotterdamsche Hermes” op te nemen om haar beweringen te ondersteunen. Het volstond te verwijzen naar de in 1980 verschenen een reprint van het complete tijdschrift. Dit is de leesbaarheid ten goede gekomen.
In haar proefschrift geeft Groenenboom-Draai een beeld van de wereld waarin Weyerman en zijn alter ego Hermes zich begaven. De rol van Hermes in het weekschrift is die van commentator op actuele gebeurtenissen en algemeen menselijk gedrag. Keer op keer wordt aangetoond, dat Weyerman zijn ware gezicht graag verborgen houdt achter een sluier van satire. Het is zijn spel met het publiek de feilen van anderen aan te tonen, en zichzelf boven strijdende partijen te plaatsen. Dat neemt niet weg dat hij Hermes af en toe ongezouten kritiek laat leveren op enkele personen. De grootste zondebok is Argus, pseudoniem van de schrijver Hermanus van den Burg. Weyermans ergernis aan diens weekblad “Den Amsterdamschen Argus” was de directe aanleiding tot de publikatie van “De Rotterdamsche Hermes” (Hermes was de God die in staat was het honderdogige monster Argus te doden). De eerste afleveringen openen alle met aanvallen op de gebreken van Argus’ papieren voortbrengselen. Terloops worden in de afleveringen van “De Rotterdamsche Hermes”, die aanvankelijk vier pagina’s omvatten en vanaf nummer 15 acht pagina’s groot waren, andere onderwerpen aangekaart, van lokaal, nationaal of internationaal karakter. Aan de hand van vijf overkoepelende thema’s in evenzovele hoofdstukken passeren in de dissertatie van Groenenboom-Draai zeer veel van die onderwerpen de revue. Uitgaande van passages uit diverse afleveringen van “De Rotterdamsche Hermes” wordt achtergrondinformatie gegeven, om de -vaak cryptische- mededelingen van Weyerman te kunnen doorgronden.
In het eerste hoofdstuk besteedt de auteur aandacht aan Rotterdam en de Rotterdamse ‘beau monde’ zoals Hermes die van enige afstand observeerde. Ondanks zijn verhouding met de ex-vrouw van een rijke koopman, lukte het Weyerman niet toegang te krijgen tot de betere kringen in die stad. Met zijn scherpe pen ontleedde hij het gedrag en de denkbeelden van enkele prominente Rotterdammers, zoals de quaker Benjamin Furly en zijn kring. Aan de hand van biografische gegevens toont Groenenboom-Draai aan, dat opportunisme een van de drijfveren van Weyerman is geweest om enkelen door het slijk te halen. Een belangrijk onderwerp dat in dit en in een later hoofdstuk ter sprake komt is de internationale windhandel in aandelen rond 1720. Het leedvermaak om de hebzucht en de faillissementen van de speculanten is een eindeloze bron van inspiratie voor Weyerman. In dit hoofdstuk worden de Rotterdamse actionisten geportretteerd, in hoofdstuk 5, dat handelt over de buurlanden, wordt meer verteld over dit fenomeen in internationaal perspectief.
Het tweede hoofdstuk gaat over “de boekhandel”, wat een enigszins misleidende benaming is, aangezien de auteur vooral ingaat op het internationale literaire circuit waarin Weyerman zich bevond, en niet zozeer op de boekhandel in strikte zin. Met name de Engelse auteurs bij wie Weyerman leentjebuur speelde, zoals Steele, Addison en Swift, komen ter sprake, waarbij ook opvattingen over translatio/ imitatio en plagiaat rond 1720 behandeld worden. Wat de boekhandel zelf betreft, licht Groenenboom-Draai ons in over enkele uitgevers die in “De Rotterdamsche Hermes” ter sprake komen, zoals Reinier Boitet en de fictieveling Pierre Marteau. Merkwaardig vind ik het, dat het tot pagina 529 duurt, in het bibliografische hoofdstuk 7, voor de lezer geinformeerd wordt over de contacten van Weyerman met de uitgevers van “De Rotterdamsche Hermes”, Arnold Willis en Joannes Hofhout. Het komt wel vaker voor in dit proefschrift dat informatie die mijns inziens bij elkaar hoort, uit elkaar is gehaald. Naast de reeds genoemde voorbeelden van de windhandel en de uitgevers geldt dit bijvoorbeeld ook voor de letterkunde. Worden in het tweede hoofdstuk al vele auteurs behandeld die Weyerman als bron heeft gebruikt, in het vijfde hoofdstuk volgen korte paragrafen over de Britse en Franse literatuur. Hierbij wordt weer teruggegrepen op de Poetenoorlog, die al in hoofdstuk drie ter sprake is gebracht.
Dit derde hoofdstuk is getiteld “Weyerman in de wereld van kunst en vermaak”, waarbij “de wereld” slechts Nederlandse karaktertrekken vertoont. Aan de hand van vele passages uit “De Rotterdamsche Hermes” wordt een beeld gegeven van het kleurrijke culturele leven in Nederland in het algemeen en Rotterdam in het bijzonder. Met name bij een thema als dit blijkt de historische waarde van weekschriften als die van Weyerman. Schrijvers en schilders blijven bij het nageslacht bekend dankzij de lange levensduur van hun produkten, maar de beoefenaars van vluchtigere kunsten, zoals acteurs, musici, dansmeesters en waarzeggers zouden voorgoed voor ons verloren zijn gegaan, als auteurs als Weyerman het niet de moeite waard hadden gevonden ze te prijzen of de grond in te boren. Het is ook juist deze opinierende functie naar aanleiding van feitelijke gebeurtenissen en bestaande personen, die de weekschriften van Weyerman een ander karakter geven dan de spectators die meer gericht waren op algemene morele vorming aan de hand van fictieve situaties en personages, al moet worden toegegeven, dat de grenzen vager zijn dan in het onderzoek naar spectators wel eens wordt gesteld. Door het satirische gehalte van Weyermans geschriften en het gebruik van schuilnamen valt vaak immers niet uit te maken of hij een bestaand persoon wil bekladden, en zo ja, wie.
Het vierde hoofdstuk is het omvangrijkste en biedt een boeiend overzicht van “Hermes’ geestelijke wereld: geloof, denken en wetenschap”. Het proefschrift neemt hier encyclopedische vormen aan in de beschrijvingen van religieuze en filosofische stromingen, alchimie, vrijmetselarij, libertinisme, de medische wetenschappen en beoefenaars ervan. Groenenboom-Draai heeft er goed aan gedaan zich niet strak aan Weyerman te houden bij het bespreken van de stromingen en individuen. Spinoza bijvoorbeeld komt in “De Rotterdamsche Hermes” niet ter sprake, maar met het oog op een goed begrip van de ontwikkelingen in de achttiende eeuw heeft ze hem toch in het overzicht opgenomen. Dit hoofdstuk kan dan ook aanbevolen worden als algemene inleiding op deze complexe materie.
Het vijfde hoofdstuk is het laatste inhoudelijke hoofdstuk en handelt over Groot-Brittannie, Frankrijk en Duitsland, waarbij met name de politiek en de literatuur besproken worden. Opvallende afwezig bij deze “Buurlanden” zijn de Zuidelijke Nederlanden. In eerdere hoofdstukken wordt wel een en ander terloops over Antwerpen en andere Vlaamse steden verteld, omdat Weyerman enige tijd aldaar gewoond heeft, maar een wat uitgebreider overzicht ontbreekt.
Hierna volgen twee hoofdstukken van meer technische aard. Omdat
het oorspronkelijke plan achter dit proefschrift was een geannoteerde uitgave van “De Rotterdamsche Hermes” te verzorgen, heeft Groenenboom- Draai ook informatie verzameld over de taalkundige aspecten in dit tijdschrift, voor zover ze afwijken van het hedendaags Nederlands. In hoofdstuk 6 bespreekt ze de meest opvallende syntactische en morfologische constructies in de eerste twintig afleveringen van “De Rotterdamsche Hermes”. Al met al blijft dit hoofdstuk echter een beetje een vreemde eend in de bijt, omdat het in geen enkel opzicht aansluit bij de voorgaande hoofdstukken. Afgaande op opmerkingen daarin had het meer voor de hand gelegen, dat de auteur onderzoek had verricht naar bijvoorbeeld satirische proces die Weyerman hanteerde. Met enige regelmaat stelt Groenenboom-Draai dat satire een belangrijke drijfveer was voor Weyerman, maar hoe hij die precies vormgaf, blijft onduidelijk. Daarnaast, maar dat geeft ze zelf al aan, behoort een gedegen stilistisch onderzoek tot de desiderata in het onderzoek naar Weyermans geschriften. Zijn sterk associatief vermogen, zijn rijkelijk vloeiende beeldspraak en zijn gevoel voor humor behoren tot de aantrekkelijkste kanten van zijn teksten, en verdienen een aparte studie.
Het zevende en laatste hoofdstuk is bibliografisch van aard: zoals Van Selm met zijn onderzoek naar “De Hollandsche Spectator” van Justus van Effen al had aangetoond, is de drukgeschiedenis van weekbladen zo mogelijk nog ingewikkelder dan die van gewone boeken. Eerst was er verkoop van losse afleveringen, en na beeindiging van de uitgave werd vaak een gebundelde versie verkocht, waarvoor van sommige afleveringen herdrukken nodig waren, omdat ze uitverkocht waren. Door zetselonderzoek aan de hand van transparanten heeft Groenenboom-Draai vastgesteld dat er van sommige afleveringen drie edities bestaan. Haar doelstelling was de “editio princeps” te reconstrueren, die ze gemakshalve ook de “ideal copy” noemt. Dit laatste kan betwist worden, zolang niet met zekerheid gesteld kan worden dat Weyerman niet betrokken is geweest bij de correctie die aan de herdrukken vooraf ging. In de regel wordt immers de laatste geautoriseerde versie van een tekst als “ideal copy” beschouwd. Al te gemakkelijk schuift de auteur dan ook de tweede en derde drukken van de hand als niet relevant.
De brede blik waar het proefschrift blijk van geeft en de ijver waarmee de vele feiten en feitjes verzameld zijn, dwingen de lezer respect af. Een minpuntje aan het boek vind ik wel de te grote voorzichtigheid in het formuleren van conclusies en bevindingen. Groenenboom-Draai hanteert soms speelse, maar meestal toch voorzichtige formuleringen, die bovendien -meer dan mij nodig lijkt- nog eens in ongeveer 4000 noten gedekt worden door verwijzingen naar publikaties van anderen en mondeling verstrekte informatie. Duidelijke stellingnames prikkelen de lezer meer, dan uitspraken die een zekere vrijblijvendheid kennen door een te sterke behoedzaamheid van de kant van de auteur. Het proefschrift krijgt zo, weliswaar naar goede achttiende-eeuwse traditie, toch meer het karakter van een encyclopedisch naslagwerk en compilatiebundel dan een spannend leesboek over de Nederlandse cultuur van rond 1720. Gelukkig maakt het boek ook de lezing van “De Rotterdamsche Hermes” zelf niet overbodig. Abstractere thema’s zoals liefde, huwelijk en erotiek komen niet of nauwelijks ter sprake, en zeg nu zelf: een passage als de volgende smaakt toch naar meer?

“Want alle Juffers zyn niet als de Poolsche Dames, waar van zeker Ambassadeur zeide, datze blanker waren dan hare sneeubergen, doch ook vry koelder; en dat hare ‘conversatie’ hem meer dan eens eene langdurige verkoutheit had medegedeelt. ‘Mulieres majore adeuntur periculo quam fructu’, zegt Franciscus Xaverius, dat is, ‘Daar is altoos meer gevaar dan vrucht van Vrouwen te wachten’. Doch Hermes verzoekt dat Argus, die ‘apparent’ diep in het Latyn verzonken is, dit niet vertaalt, Vruchten die gemeenlyk negen maanden groeien eer zy ryp zyn, en by Mama Eng….. te Amsterdam meer op de bedden dan tegen den muur geplant wierden.”

(RH, afl. 3)

(6)-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=
Date: Tue, 20 Sep 1994 10:26:19 +0200
From: Jan Odijk <odijkje@prl.philips.NL>
Subject: Rea: 9410.06: 'Competence-collapse' en/of een 'clash tussen dialecten'; een reactie op Peter-Arno Coppens Linguistisch Miniatuurtje XV (9409.08)

Reactie op linguistisch miniatuurtje XV.

Een korte reactie op linguistisch miniatuurtje XV, in Neder-L 9409.b, met een suggestie voor een mogelijke verklaring van de observaties.

Hoewel ik van mening ben dat het verschijnsel van de ‘competence collapse’ dat Peter-Arno Coppen beschrijft een reeel verschijnsel is (dat m.i. in verschillende gevallen een verschillende oorzaak kan hebben), denk ik dat er m.b.t. de besproken data iets meer te zeggen valt. Dit zou ook licht kunnen werpen op de vraag waarom de competence-collapse in dit geval optrad.

Alle zinnen die genoemd worden zijn in standaard Nederlands volgens mij onwelgevormd. Maar wellicht dat in (meer zuidelijke?) dialecten van het Nederlands toch het een en ander mogelijk is.

Stel dat in bepaalde dialecten, bij bepaalde werkwoorden, clustering van werkwoorden tot gevolg heeft (of: kan hebben) dat deze werkwoorden samen een nieuwe argumentstructuur definieren, en stel dat passivisatie kan werken op dit nieuw gecreeerde complexe werkwoord. Bijv. ‘proberen’ is tweeplaatsig (iemand probeert iets), en ‘vergiftigen’ is tweeplaatsig (iemand vergift iemand), maar proberen+te+vergiftigen is ook tweeplaatsig (iemand probeert+te+vergiftigen iemand). Dan is er geen onderwerp in de syntaktische representatie dat bij het werkwoord ‘vergiftigen’ hoort. Passivisatie van dit complexe werkwoord levert dan onderdrukking van het subject van dit complexe werkwoord op, en als de passief-morfologie nu uitgedrukt wordt op het meest linkse werkwoord (waarom, dat weet ik niet), dan kunnen we zinnen afleiden zoals:

(1)a En hij is ook nog gepoogd te vergiftigen
b hij WORDT gepoogd te vergiftigen
c hij wordt GEPROBEERD te vergiftigen

en, met andere werkwoorden:

(2)a Het boek wordt geleerd te lezen
b het lied wordt gehoord te zingen
c de deur wordt geholpen te verven

zonder enig mij bekend principe te schenden. Immers, deze zinnen heben nu dezelfde status als passieve zinnen met een enkelvoudig werkwoord als kern, bv. ‘hij werd vergiftigd’.

Als de werkwoorden gescheiden worden door het voegwoord ‘om’, dan heeft geen clustering plaatsgevonden, want clustering is nooit mogelijk als er een voegwoord aanwezig is. Daarom is

(3)* hij wordt geprobeerd OM te vergiftigen

volledig onmogelijk.

Een zin als

(4) *de regering wordt geprobeerd hem te vergiftigen

is volledig onmogelijk, omdat een passief-constructie (met passivisatie van het complexe werkwoord proberen-te-vergiftigen) optreedt met een accusatief lijdend voorwerp en een onderwerp. De zin heeft dus de zelfde status als

(5) *de regering wordt hem vergiftigd

De zin met ‘laten’:

(6) ? het veldje wordt geprobeerd te laten verwilderen

vindt Peter-Arno beter (ik vind ‘m onwelgevormd). Dat kan ik niet echt verklaren. Maar wellicht is hier sprake van een ander type constructie, nl. een onpersoonlijke passief (zonder ‘er’), plus topicalisatie van het lijdend voorwerp. Als dat de verklaring is, dan moet ook mogelijk zijn:

(7) De veldjes wordt geprobeerd te laten verwilderen

En als de eerste NP echt nominatief is (bv hij, zij) dan zouden die weer slechter moeten zijn.

Of deze suggestie enig hout snijdt weet ik niet, maar er zijn allerlei mogelijkheden voor verder onderzoek. Zo treedt in zuidelijke dialecten vaak auxiliary switch’ op, bv. ‘hij is niet kunnen komen’ vs. ‘hij heeft niet kunnen komen’. Wellicht hangt dit samen met bovengenoemde verschijnselen. Het complexe werkwoord ‘kunnen komen’ erft het ‘onaccusatieve’ (ergatieve) karakter van ‘komen’, en wordt daarom vervoegd met ‘zijn’, niet met ‘hebben’.

In het Duits schijnen dergelijke constructies ook mogelijk te zijn (ik heb de referentie niet zo gauw bij de hand, maar ik dacht dat Hubert Haider dit o.a. geclaimd had).

In de Romaanse talen is de onderhavige constructie ook mogelijk, zij het alleen met ‘se’, en niet het het deelwoordsaffix, bv. Spaans:

(8)a Los bocadillos se quieren comer
De broodjes SE willen eten
‘men wil de broodjes eten’
b*Los bocadillos fuen querido(s) comer

In deze talen is dit verschijnsel door verschillende mensen expliciet aan herstructureringsverschijnselen gekoppeld (bv. Rizzi, Goodall, Rosen), waarbij ieder wel een eigen invulling heeft voor de notie ‘herstructurering’.

M.a.w., de competence-collapse zou zich hier voor kunnen doen, of in ieder geval zou de kans erop vergroot kunnen worden door een clash tussen twee dialecten, nl. standaard Nederlands en een lokaal dialekt.

Jan Odijk
odijkje@prl.philips.nl

(7)-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=
Date: Tue, 27 Sep 1994 08:39:32 +0100 (MET)
From: Peter-Arno Coppen <U250005@VM.UCI.KUN.NL>
Subject: Rea: 9410.07: Korte reactie of naschrift Coppen n.a.v. Rea: 9410.04 (= voorgaande bericht van Jan Odijk)

NASCHRIFT Peter-Arno Coppen

De clustering van werkwoorden die Jan Odijk voorstelt om de (ja, ik weet het: marginale) verschijnselen te verantwoorden, lijkt me een aantrekkelijke oplossing. Misschien is een hulpwerkwoordachtige status van “proberen” al genoeg. Daarmee is dan meteen die gekke constructie met “laten” meegenomen. Het is toch al de vraag wat “laten” echt voor een complement heeft. Wat betekent bijvoorbeeld “hij laat iets slingeren”? Dat iemand laat gebeuren dat iets slingert? Al met al lijkt me een of andere vorm van verbale clustering (aux als V-adjunct?) de meest waarschijnlijke analyse voor de verschijnselen.

De suggesties voor verder onderzoek wijzen sterk in de richting van een generalisatie over alle hulpwerkwoordconstructies (is/heeft kunnen komen).

Of daarbij een vorm van herstructurering nodig is, betwijfel ik. Maar ik geloof dat dat in Jans analyse ook niet cruciaal is.

Peter-Arno Coppen

(8)-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=
Date: Mon, 26 Sep 1994 17:11:33 -0400 (EDT)
From: Jonathan Rose <JEROSE@drew.EDU>
Subject: Med: 9410.08: SHARP Call for Papers

CALL FOR PAPERS:

SOCIETY FOR THE HISTORY OF AUTHORSHIP, READING AND PUBLISHING

The third annual conference of the Society for the History of Authorship, Reading and Publishing will meet 15-17 July 1995 at the University of Edinburgh. SHARP welcomes proposals for papers dealing with the creation, diffusion, or reception of the written word in any historical period. Conference proceedings will be in English, but papers may deal with any national literature. There are no limitations on topics, but we may organize special panels on publishers’ archives, electronic texts, periodicals and newspapers, Scotland, interdisciplinarity and cultural studies, ongoing collaborative research projects, and teaching programs in book history.

Proposals (one page maximum), and inquiries concerning the conference itself, should be sent to the conference host, Dr. Bill Bell, Department of English Literature, University of Edinburgh, 5 Buccleuch Place, Edinburgh EH8 9JX, Scotland. The deadline for porposals is 1 November 1994.

If you would like to receive a SHARP membership brochure of a free sample copy of our newsletter, contact Jonathan Rose, History Department, Drew University, Madison, NJ 07940, USA, jerose@drew.drew.edu. Tel No: (201)-408-3545.

-Einde-------------------- Neder-L, no. 9410.a --------------------------