Neder-L, no. 9409.b

Subject: Neder-L, no. 9409.b
From: Ben Salemans
Reply-To:Elektronisch tijdschrift voor de neerlandistiek
Date:Fri, 16 Sep 1994 19:32:15 +0100
Content-Type:text/plain
                           *********************
*-------------------------- Neder-L, no. 9409.b -----------ISSN-0929-6514-*
|          ******************************************************         |
|          * Neder-L, elektronisch tijdschrift voor neerlandici *         |
|          ******************************************************         |
|                                                                         |
| Onderwerpen in dit bulletin:                                            |
| ============================                                            |
| (1) Col: 9409.08: Column Coppen: Linguistisch Miniatuurtje XV:          |
|                   "De Competence-Collaps"                               |
| (2) Col: 9409.09: Column Willem Kuiper, no. 10:                         |
|                   "Het verzworen oog van Moenen"                        |
| (3) Med: 9409.10: Afrikaanse poslys: nieuwe discussielijst voor         |
|                   Afrikaans                                             |
| (4) Col: 9409.11: Column Wim Husken: Eerlycke Tytkorting, no. 3:        |
|                   "Tesselschade-Schade"                                 |
|                                                                         |
| Informatie over Neder-L:                                                |
| ========================                                                |
| Algemene informatie opvragen over Neder-L: stuur mail naar              |
|   listserv@nic.surfnet.nl met daarin de boodschap: GET NEDER-L INFO     |
| Abonnement nemen op Neder-L: stuur mail naar listserv@nic.surfnet.nl    |
|   met als boodschap: SUB NEDER-L                                        |
| Oude Neder-L-bulletins opvragen: stuur mail naar listserv@nic.surfnet.nl|
|   met daarin een boodschap als: GET NEDER-L LOG9206                     |
|   (resultaat: logboek met Neder-L-artikelen van juni '92 wordt gestuurd)|
| Gopher-toegang tot Neder-L: alle oude en nieuwe Neder-L-bulletins zijn  |
|   via Gopher in te zien op gopher.nic.surfnet.nl, in de directory       |
|   SURFnet informatie/LISTSERV archieven (nic.surfnet.nl)/NEDER-L        |
| Neder-L wordt ook verspreid via de Internet newsgroup bit.lang.neder-l  |
| Bijdrage voor Neder-L opsturen: stuur mail naar neder-l@nic.surfnet.nl  |
|   (dit geldt ook voor Internet-gebruikers die bijdragen willen leveren) |
*--------------------------                     --------------------------*
                           *********************

(1)-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=
Date: Tue, 06 Sep 1994 09:52:44 +0100 (MET)
From: "Coppen, Peter-Arno" <U250005@VM.UCI.KUN.NL>
Subject: Col: 9409.08: Column Coppen: Linguistisch Miniatuurtje XV: "De Competence-Collaps"

LINGUISTISCH MINIATUURTJE XV: “De Competence-Collaps”

Iedere linguist kent het verschijnsel dat je een ingewikkelde constructie aan het bekijken bent, en plotseling weet je met de beste wil van de wereld niet meer hoe je intuitiepatroon er ook al weer uitziet. Grammaticaliteitsoordelen over betrekkelijk eenvoudige zinnetjes zijn dan opeens volslagen onmogelijk geworden. Je kunt je misschien nog wel herinneren wat je er eerder van dacht, maar je kunt geen nieuwe oordelen meer genereren. Op dat moment ben je slachtoffer geworden van de gevreesde “Competence-Collaps”. Alleen absolute rust kan nog helpen. Laatst overkwam me dat. Lees en huiver.

Ik zat nietsvermoedend op een zaterdagochtend met mijn vriendin de kranten te lezen, toen ze me iets uit een bericht voorlas over Johannes van Damme. Wat precies, dat weet ik niet meer, maar ze besloot haar verhaal met de opmerking: “En hij is ook nog gepoogd te vergiftigen”.

Collega-linguisten, ik weet dat jullie hetzelfde zouden hebben gedaan als ik. Jullie zouden gezegd hebben: “Wat zeg je nou? Dat kun je toch zo niet zeggen?” En dat was dan ook precies wat ik zei. Maar nou komt het, ik had het kunnen weten. “Waarom niet?” vroeg ze. Tja, waarom eigenlijk niet?

Kijk, je kunt natuurlijk niet zeggen dat dit een illegale raising vanuit de objectspositie van een interne argumentszin naar de subjectpositie van de matrixzin is. Afgezien van de vraag of dat wel juist is, weet ik zeker dat mijn vriendin daar niet intrapt. En je kunt ook niet zeggen dat “hij” niet het lijdend voorwerp van “pogen” is maar van “vergiftigen”, want dat klopt wel, maar je weet zelf dat dat niet de werkelijke reden kan zijn.

Dus ik zeg: “Maar kun je dan ook zeggen: hij WORDT gepoogd te vergiftigen?, of: hij wordt GEPROBEERD te vergiftigen?”. “Ja waarom niet,” zegt ze, “met ‘wordt’ klinkt-ie wel gekker, maar waarom zou dat niet kunnen?” “En: hij wordt geprobeerd OM te vergiftigen?” “Nee, dat niet”. Gelukkig.

Ik zit zeker een half uur te proberen zinnen te verzinnen die licht moeten werpen op dit eigenaardige geval. “Het boek wordt geleerd te lezen”, “het lied wordt gehoord te zingen”, allemaal afschuwelijke zinnen. Maar we gaan door: “de deur wordt geholpen te verven”, “het veldje wordt geprobeerd te laten verwilderen”, hee! Ongeveer op dit moment treedt bij mij de Competence Collaps in werking. Die laatste is toch niet zo gek? En als ik die eerste nou eens wat vaker oefen? Waar ben ik eigenlijk mee bezig? Als iemand spontaan zo’n zin maakt en daar bij reflectie niet op terug komt, dan hebben we toch een feit? Of niet soms?

Nu heb ik over deze zinnen voorlopig geen intuities meer. Ik kan alleen maar redeneren. En ik kan het volgende verzinnen: in de zin “0 wordt geprobeerd 0 hem te vergiftigen” is “geprobeerd” passief. Daardoor heeft z’n objectpositie geen casus, en z’n subjectpositie geen theta. In principe is die subjectpositie dus toegankelijk voor een geraisde NP. Als die niet komt, zetten we er “er” neer. Of niks.

Je kunt niet zeggen “De Nigeriaanse regering wordt geprobeerd hem te vergiftigen” (nee toch?). Dus: de objectszin van “proberen” lijkt in principe niet transparant voor raising. Maar hoe komt dat? Is de argumentszin een CP met voegwoord “om” dat vervolgens gedeleerd wordt en houdt de specifierpositie van CP de raising tegen? “Minimality” of zo? Maar waarom kun je dan wel raisen vanuit de objectzin van “schijnen”? O, “schijnen” selecteert geen CP (“schijnen te”). Maar ja, wel natuurlijk als hij finiet is (“het schijnt dat”).

Het nadeel van bovenstaande verklaring is, dat hij raising vanuit het complement van “proberen” in het algemeen uitsluit. Ik kan me echter niet meer aan de indruk onttrekken dat “hij wordt geprobeerd te vergiftigen” beter is dan “de regering wordt geprobeerd hem te vergiftigen”. Dat laatste is absoluut koeterwaals. Het eerste lijkt me slechts betrekkelijk koeterwaals. Dus de oordelen over beide zinnen kunnen niet dezelfde oorzaak hebben.

Er is natuurlijk wel een verschil tussen beide zinnen. In de tweede zin wordt de NP “de regering” geraised vanuit een thetapositie naar een nonthetapositie. Normale raising dus. Stel nu dat passivisatie van “proberen” ook passivisatie van “vergiftigen” tot gevolg heeft. Dan is de subjectspositie van “vergiftigen” nontheta. “Hij” kan raisen van de objectpositie naar de subjectpositie (normale raising), maar een verplaatsing naar de subjectpositie van “proberen” zou vervolgens een beweging van nontheta naar nontheta zijn. En dat is dus iets anders. Dat zou ook dat rare oordeel over die zin met “laten” verklaren: “het veldje wordt geprobeerd te laten verwilderen”. “Het veldje” raist van de subjectpositie van “verwilderen” naar de nontheta objectpositie van “laten”. Vervolgens krijgen we alleen maar nontheta-naar-nontheta- erplaatsing.

Ik weet wel dat alle hier besproken zinnen waarschijnlijk volslagen ongrammaticaal zijn. Vermoedelijk zijn mijn hele intuities over deze materie onherstelbaar beschadigd. Maar dan nog. Is theta-naar-nontheta- verplaatsing anders dan nontheta-naar-nontheta?

Peter-Arno Coppen

(2)-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=
Date: Mon, 12 Sep 1994 14:11 +0100 (MET)
From: WILLEM KUIPER <KUIPER@ALF.LET.UVA.NL>
Subject: Col: 9409.09: Column Willem Kuiper, no. 10: "Het verzworen oog van Moenen"

Het verzworen oog van Moenen

Een paar maanden geleden heb ik het met u gehad over de heilige Brigida, en wel naar aanleiding van de sotternie DE HEXE. Ik heb u toen verteld dat haar levensverhaal geen deel uitmaakt van de grootste bundel middeleeuwse heiligenlegenden, de LEGENDA AUREA. Dat was wel en niet waar. Strikt genomen wel, maar achterin de verschrikkelijke Latijnse editie van Graesse (Graz 1890) staat een aantal samenvattingen van heiligenlevens en daartussen zit ook het leven van de heilige Brigida van Kildare (gest. 523). Het begint als volgt:

Sancta BRIGIDA virgo religiosa, videns sibi instare tempus desponsationis, dominum rogavit, ut aliquam deformitatem sibi immitteret, ut saltem hoc modo procorum instantiam vitaret. Tunc unus oculus eius crepuit et liquefactus est in capite suo.

Wat zich in hedendaags Nederlands laat parafraseren als:

Toen de heilige BRIGIDA, een godvruchtige maagd, het moment zag naderen waarop zij aan een man gekoppeld zou worden en zij de Heer vroeg haar te misvormen om toch eens eindelijk verlost te worden van dat gedoe van die vrijers, toen maakte Hij haar oog stuk en er kwam (voortdurend) vocht uit.

Een druipoog dus. Niet alleen onprettig om naar te kijken, maar vermoedelijk even onplezierig om te ruiken. Hoe dan ook, afdoende bescherming tegen mannelijke avances.
Het kan ook anders. Ik ken een verhaal van soortgelijk jong meisje dat omwille van haar relatie met Jezus van Nazareth het zwaard van haar vader onder diens hoofdkussen vandaan griste, dat onder haar neus plaatste en met kracht naar boven duwde, en zich zo de neus afsneed! Wij kennen nog het spreekwoord: wie zijn neus schendt, schendt zijn aangezicht. Gedurende de Middeleeuwen was dat maar al te waar. Had iemand iets geflikt dat voor de doodstraf in aanmerking kwam – maar zag men om wat voor reden dan ook van terechtstelling af – dan was het niet ongebruikelijk iemand van zijn neus en/of oren te beroven. Dan was zowel de persoon in kwestie als de rest van de samenleving gewaarschuwd. Of het liep met een sisser af – letterlijk wel te verstaan – het geluid dat brandmerken maakte. Een meisje zonder neus was onhuwbaar.
Niet religieus bevlogen maagden hanteerden stank als wapen om zich de mannen van het lijf te houden. Zo vertelt de Benedictijnse monnik Paulus Diaconus (ca 720 – ca 799) in zijn HISTORIA LONGOBARDORUM hoe de kuise dochters van de ontuchtige Romilda kipkluifjes tussen hun borsten stopten wat na een paar dagen zo godallemachtig ging stinken, dat toen de Avaren zich aan hen wilden vergrijpen, hun neus het van hun lust won. Deze truc treffen we ook aan in de van oorsprong Franse, laatmiddeleeuwse prozaroman PARIS ET VIENNE, die in eigen land zo onbekend is dat hij ontbreekt in het prachtige DICTIONNAIRE DES LETTRES FRANCAISES (Le Moyen Age). Hadden wij ook maar zo’n boek. De Goudse incunabeldrukker Gerard Leeu heeft hem vertaald in het Hollands. De roman is (nog) onuitgegeven. Vienne mag niet trouwen met de man waarmee ze wil, en wil niet trouwen met de man waarmee ze moet. Ze wendt voor ongeneeslijk ziek te zijn en al in een terminaal stadium te verkeren. Om dit kracht bij te zetten loopt ze met kippepootjes onder haar oksels. Als haar ‘verloofde’ haar komt opzoeken, omdat hij het niet vertrouwt, gaat hij bijna van zijn graat en hoeft niet meer.

Door dat druipoog van Brigida moest ik aan Moenen denken, de bekendste duivel uit de Middelnederlandse literatuur. Moenen die niet alleen Mariken een rad voor ogen draaide, maar ook nu nog slachtoffers maakt. Dankzij Moenen denken ‘wij’ dat duivels zich niet als mens kunnen vermommen zonder een gebrek te vertonen. Ik las het onlangs weer eens in de Volkskrant…
Welnu, dat is dus niet waar. Dat kan Moenen nu wel zeggen dat zij geesten de macht verloren hebben om zich te volmaken (ed. Coigneau, p. 67), maar in andere middeleeuwse verhalen is daar niets van te merken. Integendeel, de gelijkenis is perfect. De duivel kan niet alleen de gedaante van een man of vrouw aannemen, maar ook die van een engel, ja zelfs van Maria, zijn grootste vijand. Ik ken geen (Middelnederlandse) teksten ouder dan MARIKEN VAN NIEUMEGHEN waarin de duivel een gebrek vertoont.
In de LEGENDA AUREA wemelt het van de duivels. Je kunt bij wijze van spreken geen deur dicht doen of er zit een duivel tussen. En al die duivels zijn, als ze dat willen, puntgaaf en recht van lijf en leden. Van zichzelf is de duivel foeilelijk (zijn uiterlijk is afgeleid van de Griekse herdersgod Pan) en soms gebruikt hij die lelijkheid om ons angst aan te jagen, om ons dood te schrikken, in de hoop dat wij op dat moment in staat van (dood)zonde verkeren. Maar aan Jupiter (en andere antieke goden die gedurende de Middeleeuwen via afgoden in duivels veranderen) dankt hij het vermogen tot metamorfose. En als Jupiter zich in een stier verandert om Europa te verschalken of in een zwaan om Leda te beminnen dan is er niets mis aan die stier of zwaan. Integendeel!
Under cover is de duivel nog gevaarlijker dan in zijn ware gedaante. Soms is hij als knappe jonge man vermomd, veel vaker als een mooie jonge vrouw. Want HET wapen van de duivel is de wellust die de mens in zich draagt en die door de confrontatie met lichamelijke schoonheid o zo makkelijk geactiveerd kan worden. Waartegen ook koning David, koning Salomon, en de zelfs wijze Aristotiles niet opgewassen bleken.

Daarom is het zo bijzonder dat Moenen een oog heeft “die is of si mi uut waer ghesworen”. Het maakt hem exemplarisch onaantrekkelijk en daarmee ongeloofwaardig.
Mijn verklaring was (en is) dat Moenen niet zo zeer uit is op Mariken, als wel Mariken gebruikt als wapen tegen anderen. Moenen doet dat in een herberg, een duivelse plek op aarde. Dat drank ontremmend werkt, was Moenen bekend. Het publiek van MARIKEN VAN NIEUMEGHEN ook. Denk maar aan wat de kluizenaar JAN VAN BEVERLEY overkwam. Deze brave heremiet was zo godvruchtig dat het de duivel te machtig werd. Hij nam de gedaante van een engel Gods aan en vermaande Jan niet net zo heilig als zijn Heer te willen zijn. Hij moest op zijn minst EEN zonde begaan. Hij mocht kiezen uit: 1) iemand vermoorden; 2) een vrouw bekennen; 3) dronken worden. Jan koos voor het laatste…
Maar wat gebeurt? Terwijl Jan dronken is, komt zijn zuster hem opzoeken. Hij verkracht haar, en als hij zich realiseert wat hij gedaan heeft, maakt hij haar van kant. Zo zie je maar.
Moenen exploiteert Mariken door met haar een exemplarisch ongelijke verhouding te hebben. Zij een mooi jong meisje, hij een lelijke man die haar vader had kunnen zijn. Dat kan geen zuivere koffie zijn. ‘Male quesite male perdite’ denken de gasten in de herberg De Gulden Boom, maar vervolgens richt hun agressie zich tegen elkaar en vallen er dagelijks doden en gewonden.
In ‘Mariken van Nieumeghen, een gerenoveerd Maria-mirakel’ (Spektator 15, (1985-1986), p. 249-267) interpreteerde ik het verzworen oog als een variatie op het manke been van Vulcanus, de ongelijke echtgenoot van Venus. Het maakte hem lelijk. Niets meer en niets minder. Nu twijfel ik.

Aan het slot van MARIKEN VAN NIEUMEGHEN, in haar biecht, bekent Mariken de paus als man en vrouw met Moenen geleefd te hebben. Tot op heden heb ik dat altijd geloofd. Niet omdat ik het slot voor oorspronkelijk houd. Het slot is apocrief. Dat hebben anderen voor mij beweerd, mede naar aanleiding van de houtsneden, en zij die dat beweerd hebben, hebben gelijk. Het slot is apocrief. De oorspronkelijke MARIKEN eindigde met de val op het marktplein. Het weigeren van de biecht en de tocht naar Rome is er later aan toegevoegd.
De reden dat de biecht geweigerd wordt, is Marikens bekentenis als man en vrouw met Moenen samengeleefd te hebben. Zo’n zonde is zo zwaar, daar durft zelfs de paus geen absolutie voor te geven.
Mariken geeft weliswaar toe dat zij al die tijd geweten heeft dat Moenen een duivel was – de Engelse bewerking is hierin nog explicieter – maar dat klopt niet met de logica van dit type teksten: Mariken voelde wel nattigheid maar had geen zekerheid. Het is een schoolvoorbeeld van dramatische ironie, het poppenkast-effect. De kinderen zien wat een van de poppen niet ziet en zetten het op een brullen: pas op, achter je, hij wil je slaan, enz. En de pop doet net alsof hij de kinderen niet hoort, om op het laatste moment gevolg aan hun gegil te geven.
Met Mariken gaat het net zo. Iedereen weet dat Moenen de duivel is. Hij zegt het zelf. Dat hij horens draagt op de houtsnede bewijst niets. Die zijn er naderhand bijgesneden om hem toch vooral maar als duivel aan te wijzen. Nee, Mariken weet niet wat iedereen weet, namelijk dat Moenen een duivel is. Zeven jaar lang balanceert zij tussen leven en dood door enerzijds haar hoop niet op God te vestigen en anderzijds – dankzij Maria – door zich niet volledig aan Moenen over te leveren. Dankzij Maria en dankzij het verzworen oog! Ik kan me vergissen, maar stel dat Moenens verzworen oog nu eens op dezelfde manier functioneert als het oog van Brigida? Dat zou betekenen dat de verhouding tussen Mariken en Moenen NIET als man en vrouw was. Dat Moenen zich wel in jonsten WILDE versamen met Mariken, maar dat het er door dat verzworen oog (net) niet van kwam. Zou dat – naast het gebed van de professional oom Ghijsbrecht – de verklaring zijn dat Mariken zeven jaar lang langs de rand van de afgrond liep zonder erin te vallen?

Willem Kuiper – Kuiper@Alf.Let.UvA.NL

(3)-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=
Date: Tue, 13 Sep 1994 19:33:19 +0200 (GMT+0200)
From: Johan Ferreira <ferr@beldin.cs.sun.ac.za>
Subject: Med: 9409.10: Afrikaanse poslys: nieuwe discussielijst voor Afrikaans

The following text is an announcement about a new mailing list for the discussion of the language and culture Afrikaans. The announcement is in Afrikaans, but should be understandable to most Dutch speakers with little effort. Information on how to subscribe is also given in the announcement.

Afrikaans is the most understood language in South Afrikaans and resembles Dutch. Because of this and South Africa’s ties with the Netherlands such a mailing list might be of interest to the readers of Neder-L.

Met blydskap bied ek met trots aan die geboorte van die Afrikaanse poslys (mailing list). Dit is ’n forum vir die bespreking van Afrikaans in Afrikaans. Tog is dit nie eksklusief nie 😉

Hopelik sal die poslys net iets tydelik wees en sal later vervang word met ’n gepaste nuusgroep op Usenet. Persone kan hul steun en insette met andere op die poslys deel en sodoende vinniger die doel bereik.

Positiewe aspekte wat ek graag wil sien bespreek word is die nader beweeg tussen Afrikaans sprekendes en Nederlanders / Belge. As ’n wedersydse projek kan ’n elektroniese lys van verskille tussen Afrikaans en Nederlands /Vlaams opgestel word.

Aangesien Afrikaans ’n samestelling van so baie interesante tale is kom heel verskeie interesanthede in ons woordskat voor. Afrikaans was ontwikkel in die begin om ’n taal vir Afrika te wees (van daar die naam), ongelukkig het so baie mense ’n weersin daarteen opgebou (en tereg ook so). In plaas daarvan om die klem hierop te vestig, kom ons kyk liewers wat ons in gemeen het met andere en hoe dit ons saambring. Wanneer jy dus negatiewe kommen- taar oor die poslys of toekomstige nuusgroep opper, hou dit asb. in gedagte.

Nou dat jou tong behoorlik water wil jy seker inteken op die poslys. Dis eenvoudig. Stuur elektroniese pos aan listproc@oliver.sun.ac.za met die volgende lyntjie teks (vervang <jou naam> met jou naam en van):

subscribe afrikaans <jou naam>

Om hulp te kry van al die opdragte wat die poslys program verstaan stuur die woordjie “help” as teks aan die adres hierbo. Die volgende paar paragrawe is die result as jy vir die poslys program om inligting oor die Afrikaanse poslys vra met “information afrikaans”:

—– 8< knip
Die Afrikaanse poslys is ’n informele forum vir die bespreking in Afrikaans van die taal, die kultuur, die geskiedenis en die toekoms van Afrikaans. Besprekings is nie beperk tot Afrikaans of tot in Afrikaans nie, maar daar moet tog gepoog word om nie te ver daarvan te dwaal nie.

Die lys word ge-administrateur deur Johan Ferreira en sou jy enige probleme of vrae he^, pos dan ’n nota aan hom by ferr@beldin.sun.ac.za.

So ’n posstuk wat die poslys aan jou pos bons, sal jy van die lys verwyder word. Geen vrae sal gevra word nie, en geen waarskuwings word gegee nie.
—– 8< knip

–Johan Ferreira
ferr@beldin.sun.ac.za

(4)-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=
Date: Fri, 16 Sep 1994 13:35 +0100 (MET)
From: Wim Husken (per e-adres: B.Salemans@lett.kun.nl)
Subject: Col: 9409.11: Column Wim Husken: Eerlycke Tytkorting, no. 3: "Tesselschade-Schade"


Wim Husken Eerlycke Tytkorting, no. 3

Tesselschade-Schade

Van een uit Duitsland of Oostenrijk afkomstig beroemd Nijmeegs hoogleraar ~ hij was professor in een der sociale wetenschappen ~ deed in de jaren ’50 het gerucht de ronde dat hij van letterkundigen niet veel moest hebben. Hij beweerde, met een zwaar nasaal aangezet stemgeluid en voorzien van een onvervalst Duits accent: ‘Ach ja, u weet hoe het is: ze lezen twaalf boeken en schrijven dan zelf het dertiende, niet waar?’ De afgelopen veertig jaar heeft de neerlandistiek het ongelijk van de man, dunkt mij, op meer dan overtuigende wijze bewezen. Maar toch ligt nu en dan het gevaar op de loer van een al te blind willen varen op resultaten van meer of minder gerenommeerd onderzoek. Zelfs de besten in het vak lijken er niet aan te ontkomen. Zo ook niet de Amsterdamse neerlandica Mieke B. Smits-Veldt die op 24 maart 1994 ~ de vooravond van de dag waarop men Tesselschade’s vierhonderdste geboortedag herdacht ~ het eerste exemplaar ten doop hield van haar biografie over de vrouw wier leven als van geen ander door latere generaties is geromantiseerd: Maria Tesselschade: Leven met talent en vriendschap. Zutphen: Walburg Pers, 1994.
Na J. A. Worps uitgave van ‘Brieven en verzen van en aan Maria Tesselschade’, Een onwaerdeerlycke Vrouw (‘s-Gravenhage: Martinus Nijhoff, 1918), waarin vrijwel alles wat aan het begin van deze eeuw van en over de schrijfster bekend was, is er nu dus een moderne levensbeschrijving van haar die men als een der belangrijkste gasten van Hoofts “Muiderkring” beschouwt. Een sympathieke biografie, dat moet gezegd, maar een die soms al te zeer voortbouwt op kennis die feitelijk reeds in 1929 achterhaald was. In dat jaar voltooide Dr. P. Leendertz Jr namelijk een manuscript (onder signatuur XX B 11 momenteel bewaard in de Amsterdamse Universiteitsbibliotheek) met tal van aantekeningen, aanvullingen en correcties naar aanleiding van Worps uitgave, bedoeld als toelichting bij een mogelijke herziene editie van _Een onwaerdeerlycke Vrouw. Dat het tot uitgave van zijn notities nooit is gekomen ~ in 1976 verscheen wel een herdruk van Worps uitgave (Utrecht: HES Publishers) ~ is jammer. Misschien is niet alles van wat Leendertz op te merken had even belangrijk ~ ’s mans stijl is nogal wijdlopig ~, maar een eventuele inleider bij een heruitgave zou van dit materiaal op zijn minst nuttig gebruik hebben kunnen maken. Dat ook Mieke B. Smits-Veldt deze kans heeft verzuimd is te betreuren, want in de toekomst zal men vooral naar haar boekje grijpen om over Tesselschade te worden geinformeerd. Aan deze opmerking moet evenwel onmiddellijk worden toegevoegd, dat de nieuwe biografie in grote lijnen voorbeeldig is: veel van de onzin die negentiende-eeuwse schrijvers over de Alkmaarse Eusebia te berde brachten, is hier gelukkig verdwenen. Zonder een saaie recensie te willen geven, is het navolgende bedoeld om enkele misslagen van de auteur te corrigeren, in de hoop dat toekomstige literatuurhistorici er baat bij zullen hebben.

We beginnen bij het eind, Tesselschade’s dood op 20 juni 1649. Smits-Veldt noemt alleen de datum van haar begrafenis, de 24ste van dezelfde maand. Zo meent ze de onzekerheid te omzeilen omtrent Maria’s laatste weken en sterfdag, waarvan Worp (blz. XLIV) noteert: ‘Misschien is zij naar Amsterdam verhuisd; daar is zij in de tweede helft van Juni 1649 gestorven en er den 24sten van die maand in de Oude Kerk begraven.’ Leendertz tekent onder het kopje “Dood” (blz. 57) hierover het volgende aan:

‘Den juisten datum van Tesselschade’s overlijden heeft Scheltema ons medegedeeld (bl. 204). Op het schutblad van een exemplaar van Huygens’ _Oogentroost_ vond hij nl. de aanteekening: _nicht maria tesselscha salgr. overleet den 20 Juny 1649. Requiescat in pace._ Voor hem had ook Jan Zoet dezen datum al genoemd in zijne omwerking van Viverius’ _Wintersche Avonden_ (uitg. 1649, bl. 506), maar deze mededeeling is door onze geschiedschrijvers niet opgemerkt.’

Tesselschade’s overlijden is door verschillende van haar vrienden in gedichten herdacht. Zo schreef Huygens een beroemd geworden grafdicht, hetzelfde waaraan Worp de titel van zijn uitgave ontleende. Het eerste kwatrijn van het gedicht luidt als volgt:

‘Grafschrift van Joffr.
Tesselschade Visscher.

Dit’s Tesselschades Graf.
Laet niemand sich vermeten
Haer onwaerdeerlickheit in woorden uijt te meten:
All watmen vande sonn derft seggen gaet haer af.’

De woordverklaring die Worp (blz. 343) bij de laatste woorden van het vierde vers voorstelde, luidt: ‘gaet haer af ~ is op haar toepasselijk’. Met andere woorden: wat voor de zon geldt, geldt ook voor Tesselschade. Deze uitleg werd gevolgd door Elisabeth Keesing (Het volk met de lange rokken. Amsterdam: Querido, 1987, blz. 113) en ook Smits-Veldt schrijft als toelichting tussen haakjes: ‘is op haar van toepassing’ (blz. 108). Dat de stap van “afgaan” naar “van toepassing zijn” tamelijk groot is, behoeft geen betoog. Maar bovendien verandert daarmee de strekking van Huygens’ woorden: Tesselschade’s onwaardeerlijkheid zou even groot zijn als die van de zon, terwijl men hier toch eigenlijk een superlatief zou verwachten. Zo leest ook, mijns inziens volkomen juist en de betekenis van Huygens’ lofprijzing beter begrijpend, Leendertz (blz. 33):

‘Worp verklaart “gaet haer af ~ is op haar toepasselijk”. Hoe die woorden deze betekenis zouden kunnen hebben, is mij een raadsel. Evenzeer, hoe Worp eene zoo onbenullige gedachte, die bovendien in het geheel niet bij het voorafgaande past, van Huygens kan verwachten. De zin is, docht mij, nog al duidelijk. “Al wat men van de zon kan zeggen, gaat van haar af”, d.w.z. “dat verliest zij; door al wat men van haar zegt, kan haar roem niet vergroot, maar slechts verminderd worden, omdat geene woorden in staat zijn hare voortreffelijkheid naar waarde uit te drukken”. Daarom zegt hij dan ook, dat niemand moet trachten Tesselschade’s onwaardeerlijkheid in woorden weer te geven.’

Een volgende kwestie die veel misverstand heeft veroorzaakt ~ en dat nu vaak nog doet ~ is die van Tesselschade’s portret. In 1952 zou de kunsthistoricus H. van de Waal, aldus Smits-Veldt, bewezen hebben dat tekeningen van een tweetal jonge vrouwen niet Anna en Maria Tesselschade Visscher voorstellen maar onbekende meisjes. De twee portretten, niettemin opnieuw in Tesselschade’s jongste biografie afgedrukt, zijn beide voorzien van een onderschrift met daarin de frase: “tussen 1808 en 1952 ten onrechte beschouwd als […]”. Leendertz koesterde in 1929 al twijfel over de juistheid van de toeschrijving van de twee tekeningen. En ook hij merkte op dat zij pas rond 1770 door Cornelis Ploos van Amstel werden geidentificeerd als portretten van de dochters van Roemer Visscher. Een doorslaggevend bewijs kon Leendertz echter niet leveren (evenmin als Van de Waal overigens), zodat hij als slotsom van zijn beschouwingen over de kwestie gaf: ‘Wanneer ik zou beweren, dat de portretten van Goltzius de zusters Heiltjen en Grietjen Gijsberts uit Sparendam voorstellen kon ook niemand bewijzen, dat dit niet zoo is.’

Waar we moeten gissen naar de precieze betekenis van zoveel interessants achter uitlatingen van sommige van Tesselschade’s vrienden, vooral wanneer het haar overgang, eind 1641, naar de katholieke kerk betreft, zijn andere gegevens minder moeilijk te interpreteren. Zo is het onwaarschijnlijk dat Hooft, Vondel en Reael al in de winter van 1622-’23 werkten aan een prozavertaling van Seneca’s treurspel Troades. Nog minder aannemelijk is hetgeen Smits-Veldt op blz. 33 van haar boekje schrijft, namelijk dat Anthonis de Hubert aan deze activiteit heeft deelgenomen. Waarom zou Vondel zijn toneelversie van deze prozavertaling (De Amsteldamsche Hecuba) dan juist aan hem hebben opgedragen? (Bovendien schrijft Vondel: “Verscheyde vaders hebben vaderlijck recht aen dit kind”, een tamelijk overbodige mededeling als De Hubert tijdens die vertaalavonden aanwezig was geweest.) Weliswaar was De Hubert in de winter van 1622-’23 van de partij bij bijeenkomsten ten huize van de in 1620 overleden Roemer Visscher, maar toen werden er uitsluitend linguistische aangelegenheden besproken. In de zomer van 1623 verhuisde De Hubert, aldus Leendertz (blz. 193), naar Leiden, een reden te meer om de befaamde vertaalactiviteiten niet voor de winter van 1623-’24 te dateren.

We hadden het hierboven al even over Tesselschade’s overgang naar de katholieke kerk. Een paar maanden nadat zij die stap officieel had gezet raakte zij in een smederij zodanig gewond aan haar linkeroog dat zij er blind aan werd. Een ongedateerde brief aan Barleaus, door Tesselschade en Maria Crombalch gezamenlijk geschreven en ondertekend, lijkt door middel van enkele duistere versregels van de hand van Tesselschade aan deze gebeurtenis te refereren. Aangezien er sprake is van een geslepen glas en een bril wordt doorgaans aangenomen ~ ook Smits-Veldt doet dit, zij het vragenderwijs ~ dat Barlaeus haar ter compensatie een bril had gezonden. Leendertz, die zich daarbij vooral afzet tegen J. F. M. Stercks beschouwingen over deze kwestie in diens Oorkonden over Vondel en zijn kring (Bussum 1918, blz. 179-186), tekent over deze veronderstelling onder meer het volgende aan (blz. 173-174):

‘Bij eene onbevooroordeelden lezing toch kan men uit het begin van den brief niets anders opmaken, dan dat hij haar oordeel gevraagd had over een geslepen glas. […] Een zeer ernstig bezwaar is, dat Sterck de voorstelling der feiten wijzigt naar zijne verklaring. Het eenige uitvoerige bericht, dat wij hebben over het ongeluk aan Tesselschade’s oog, is het gedicht van Barlaeus (Worp, bl. 250). Deze zegt zeer duidelijk, dat haar eene oog _blind_ geworden is. Daarvoor zou natuurlijk een bril niet helpen […]’.

Leendertz beperkt zich in zijn beschouwingen in hoofdzaak tot verkeerde lezingen en dito interpretaties bij brieven en gedichten van en aan Tesselschade, zoals deze door Worp in 1918 werden uitgegeven. Dat zijn opmerkingen van nut zijn voor wie een biografie over de dichteres schrijft, moge uit het bovenstaande zijn gebleken. Dit alles neemt echter niet weg dat Smits-Veldt ook veel goed werk heeft verricht. Langs een omweg bewijst de schrijfster daarmee, dat de ondertitel van het boekje niet alleen van toepassing is op haar object maar evenzeer op de wijze waarmee zij het heeft benaderd.

-Einde-------------------- Neder-L, no. 9409.b --------------------------