’t Dialectenbureau (en ik), aflevering 16

Dat ik me toch meer met ’t Dialectenbureau verbonden voelde, dan ik had verwacht, er zelfs een beetje aan gehecht was geraakt, merkte ik in de zomer na mijn ontslag, in 1974, toen we kampeerden in Frankrijk, in de Périgord. In de vakantiemaanden was ’t gebruikelijk dat de vakantiegangers hun achterblijvende collega’s een ansichtkaart-met-groet stuurden. Ik had daar nooit aan meegedaan maar deze keer wilde ik ’t doen, uit een soort sentiment. ’t Kwam misschien ook doordat ik een bijzondere kaart vond, die zich leende voor een toepasselijk bijschrift.

Die kaart belandde op de tafel in de koffieruimte van Het Bureau, waar ie ook door Voskuil bekeken werd. Hij doet daar verslag van:

“Hij boog zich naar voren, nam een prentbriefkaart van de tafel en bekeek de tekst. Het was een kaart uit Frankrijk van Flip de Fluiter, geadresseerd aan het personeel van het Bureau. Daarnaast had hij geschreven: Aan ommezijde een foto van de bekende dialectologen Gilliéron (met hoed) en Edmond, bezig met veldwerk ten behoeve van de Atlas Linguistique du Périgord. Hij las de tekst nog eens over omdat hij met geschreven taal, wat er ook stond, altijd enige moeite had, draaide haar om, zag tot zijn verrassing dat ze gekleurd was en nam vervolgens een man met een hoed en een groot, gevlekt varken waar, bezig met het zoeken naar truffels. Het duurde even tot de betekenis van een en ander tot hem doordrong, toen begon hij te lachen, probeerde zijn lachen in te houden door krampachtig zijn mond te sluiten, maar moest hem weer openen omdat de tranen in zijn ogen sprongen. Dat wekte de aandacht. Het werd stil en iedereen keek naar hem. Hij gaf de kaart aan Bart de Roode, die naast hem zat, niet in staat om iets uit te brengen. Terwijl hij moeite deed om zichzelf weer onder controle te krijgen, deed de kaart de ronde. Sommigen lachten een beetje, anderen lazen en bekeken haar zonder een spier van hun gezicht te vertrekken. Dat gaf hem het gevoel dat hij zich moest verklaren, maar zodra hij wat wilde zeggen begon hij opnieuw te lachen. ‘Het is heel flauw,’ bracht hij moeilijk uit, ‘maar het is meesterlijk! Zo is het! Ik herken de situatie van mijn eigen veldwerk, alleen is de man met de hoed er dan niet bij.’ Die laatste opmerking veroorzaakte enige hilariteit, misschien alleen omdat hij het was. ‘Geef maar,’ zei hij, zijn tranen wegvegend.”  (J.J. Voskuil, Het Bureau 3, blz. 515-516.)

Bij deze passage heb ik ’n leeslint zitten. Hij geeft ook een inkijkje in de werkwijze van Voskuil. Hij heeft zich de kaart toegeëigend en mee naar huis genomen, waar hij hem (jaren later?) te pas bracht in dit deel van zijn roman, dat in 2000 verscheen.

 

In 1977 werd ik, nadat ik een korte periode als leraar in Purmerend gewerkt gehad, hoofdmedewerker Historische taalkunde van het Nederlands aan de  UvA. Maar nu liet ’t Dialectenbureau me niet los. In 1979 kreeg ik een uitnodiging om lid te worden van de Dialectencommissie en ik zei, vereerd als ik was, natuurlijk ja. Een plezierige bijkomstigheid was dat Jo er ook lid van was, sinds haar pensionering in 1975.  Ze was naar Barchem (Gelderland) verhuisd, waar ze aan de Bremstraat een bungalow had laten bouwen. Maar ze kwam regelmatig met de auto naar Amsterdam. Haar aanwezigheid voorkwam dat onze vergaderingen saai werden.

De commissie kwam een of twee keer per jaar bij elkaar, meer om te kijken of alles wel goed ging, dan om nieuwe richtingen te bepalen. In datzelfde jaar 1979 werd ik trouwens ook gerekend tot de ‘geregelde bezoekers’ van ’t Instituut, lees ik in de Mededelingen. Dat moet dan geweest zijn in ’t kader van de colleges dialectologie die ik aan de UvA gaf en waarvan een bezoek aan ’t Dialectenbureau een onderdeel was.

In 1981 werden de drie afzonderlijke afdelingscommissies samengevoegd tot een nieuwe, kleine, Commissie tot Beheer. Daar zat ik ook nog in.  Jo had bedankt.

Een van mijn ‘wapenfeiten’ in die commissie was ’t indienen van een voorstel  om de oude naam ‘Taalatlas van Noord- en Zuid-Nederland’ te wijzigen in ‘Taalatlas van het Nederlands en het Fries’. Waarschijnlijk speelde de associatie met de Groot-Nederlandse gedachte daarbij mee. Mijn voorstel werd aangenomen, maar ik heb daar achteraf spijt van. Waarom moest die klassieke naam zo nodig veranderen? Als Jo erbij geweest was, was ’t zeker niet gebeurd. Bibliothecarissen waren er niet blij mee, want die waren nu gedwongen steeds een dubbele naam te vermelden: “Taalatlas van het  … ,  voorheen “Taalatlas van N en Z.”. Bovendien is de afdeling Dialectologie kort daarop met die hele Taalatlas gestopt, mede als gevolg van de veranderde koers van de taalkunde. Woordgeografie raakte uit de mode (en dat is zo gebleven).

(Wordt vervolgd)

 

 

Over Jan Stroop

Jan Stroop is gastonderzoeker bij de capaciteitsgroep Nederlandse taalkunde van de Universiteit van Amsterdam. Van hem verschenen bij Athenaeum: Hun hebben de taal verkwanseld en Die taal, die weet wat . Dit is zijn website.
Dit bericht is geplaatst in column, geen categorie met de tags , , . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter