Kust andere borsten en denkt aan de mijne

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (185)
De laatste 14 afleveringen van deze reeks zijn gewijd aan 14 gloednieuwe, speciaal voor deze reeks geschreven sonnetten door hedendaagse Nederlandse en Vlaamse dichters.

Door Marc van Oostendorp

Queeste

Valencia lokt hem naar haar kathedraal
ontbloot voor zijn ogen het hart van de stad
haar gotische poort en haar heilige graal
die eenmaal gevonden geen waarde meer had.

Hij hangt de toerist uit en kuiert langs pleinen
die aangenaam stralen in laatwinterlicht
kust andere borsten en denkt aan de mijne
die wit zijn en heilig en altijd uit zicht.

En ik die al veertien jaar woon in gezangen
mijn liefdesverklaringen schreef in de wind
vanwaar raak ik plots in de ban van dit wrange

besef dat ik mij op een tweesprong bevind?
En hoe kom ik af van dit bange verlangen
naar rijtjeshuis, echtgenoot, kind?

(Mieke van Zonneveld)

Wie sommige hedendaagse dichters flink bang wil maken, moet ze vragen om een sonnet te schrijven. Mijn plan om het aan veertien van hen ook echt te vragen, bleek menige virtuele angstige blik op te leveren: moesten ze nu per se aan het rijmen gaan? Zou ik niet boos worden als het metrum niet helemaal lekker liep? Soms stuurde iemand me een paar weken voor de deadline nog een noodkreet: zo’n strakke vorm, dat ging echt niet lukken.

Steeds liet ik de bedrukten weten dat mijn vraag alleen maar was om een “sonnet” en dat ik ervan uitging dat niemand beter weet wat dat precies voor een ding is, aan het begin van de eenentwintigste eeuw, dan de dichters. Het einde van deze lange, lange reeks is vooral een onderzoek naar wat dichters nu nog denken bij het gedicht. En zoals jullie de komende weken zullen merken: met rijm of metrum heeft dat weinig te maken. Het enige vaste aan de vaste vorm zijn, zo lijkt het wel, de veertien regels.

Mieke van Zonneveld is de uitzondering – niet voor niets, zou je zeggen, debuteerde ze in het tijdschrift De Tweede Ronde, het inmiddels ter ziele gegane bastion van de vorm. Hoewel Van Zonneveld geloof ik nog geen sonnet publiceerde, woont de ik in dit gedicht al ‘veertien jaar’ in gezangen.

En vooral: dit sonnet is geschreven in zogeheten amfibrachen, iedere regel bestaat uit vier keer het patroon taDAMta. In dat metrum zijn in het Nederlands heel weinig gedichten geschreven, en bij mijn weten nooit een sonnet.

Het past wonderwel bij de inhoud van het gedicht, de lichtzinnigheid van de hij, de erotiek van de kathedraal en van ‘andere’ borsten, en dan de omslag (de klassieke omslag tussen het octaaf en het sextet) naar het getob van de ik, inclusief de laaste regel waaraan een voet ontbreekt zodat het gedicht abrupt eindigt?

Queeste laat zien dat het sonnet niet dood is, maar dat het ook nog danst. Tot aan het eenentwintigste-eeuwse rijtjeshuis.

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , , . Bookmark de permalink.

3 reacties op Kust andere borsten en denkt aan de mijne

  1. Wouter Steenbeek schreef:

    Ik heb de amfibrachys (want daarover hebben we het hier) regelmatig gebruikt in een sinterklaasgedicht. Misschien ook weleens in een sinterklaassonnet. Maar ik vergeef het u als u die niet kent, want ze zijn niet gepubliceerd.

  2. Stan Hollaardt schreef:

    geef me een kader dan lijst ik het in
    ’t laatwinterlicht van de stad die ik min

  3. Inge Boulonois schreef:

    Ik citeer: ‘En vooral: dit sonnet is geschreven in zogeheten amfibrachen, iedere regel bestaat uit vier keer het patroon taDAMta. In dat metrum zijn in het Nederlands heel weinig gedichten geschreven, en bij mijn weten nooit een sonnet.’

    Harmen Wind schreef een amfibrachisch sonnet. Het is opgenomen in deel II van de Dikke Komrij.

    Vrouw

    Ik zie haar nog zitten: een simpele bank
    met een simpele vrouw met twee simpele handen
    omhoog naar de lucht, voor het rood van de
    tuin in de zon, als een meisje zo rank,

    als een kind zo verwachtingsvol, ondanks haar jaren.
    Ze neuriede zacht en ze lachte daarbij
    in geboeide vervoering. Ze keek niet naar mij,
    ze keek naar haar handen. Die maakten gebaren.

    Als bloemen, dan bloeide zij, vissen: zij zwom,
    als vogels: daar vloog zij. En ik? Liever dan
    te geloven in wonderen, onder het mom
    van een groet, als voorbijganger, brak ik de ban
    en ik wandelde verder en keek niet meer om
    en maakte er simpel een ziektebeeld van.

    Uit: Buiten Adem, 2001

Laat een reactie achter