’t Dialectenbureau (en ik) aflevering 15

door Jan Stroop

De afgelopen week kreeg ik op Twitter te maken met massale aandacht voor mijn kaart ‘Dag’ (afscheidsgroet) in de Dialectatlas van het Nederlands. Op de dag dat ik dit schrijf, dinsdag 19 juni  staat de teller op 200.035 weergaven. Dat is nog niet vaak gebeurd bij een tweet met een taalkundig onderwerpje, vermoed ik. ’t Gekleurde kaartje bij die tweet is overigens een versimpelde weergave van mijn kaartje uit 1973.

En dat laatste kaartje heeft alles te maken met ’t Dialectenbureau want ’t is gebaseerd op de antwoorden op vraag 7 van vragenlijst 48 (1973): “Wat is het meest gebruikte groetwoord in uw dialekt, bij het weggaan?” Ik meen dat ik die vraag zelf opgesteld heb, omdat mij opgevallen was dat er een nieuw groetwoord in opkomst was. Dat groetwoord was DOEG. Met dat materiaal van die vragenlijst heb ik toen niets gedaan. Maar wel heb ik in een kort stukje mijn observatie beschreven van dat  DOEG.  Dat stukje uit 1974 begon zo:

”Er is de laatste tijd (midden 1973) in Amsterdam een nieuw groetwoord in opkomst; het luidt doeg of eerder doe-oeg en wordt, steeds in een wat vertrouwelijke sfeer, gebezigd als men elkaar op straat tegenkomt, bij het weggaan, b.v. uit een winkel, en ook hoe langer hoe meer aan het einde van een telefoongesprek.”

In de jaren daarna gebeurden er twee dingen. Doeg, dat afkomstig is uit ’t Zaans, evolueerde tot de vorm doei en als doei promoveerde ’t naar de Standaardtaal. ’t Verbreidde zich over heel Nederland en zowaar zelfs in  Suriname. Ook dialectsprekers namen ’t weer uit de Standaardtaal over. ‘Iedereen’ zegt tegenwoordig doei, doei-doei, of  heftig dikke doei, vaak afhankelijk van de sociale klasse waartoe men behoort of waartoe men zich bekent. Maar Vlaanderen doet tot op heden niet mee!

Ik weet niet of ’t van invloed was, maar in dezelfde periode, in de loop van 1973, kreeg ik steeds vaker ’t gevoel dat ik afscheid moest nemen van de dialectologie of beter van ’t Dialectenbureau. Ik betrapte mezelf erop dat ik sloom werd van mijn bezigheden. Ik vond ’t bureauleven gewoon saai worden. En vanzelf drong zich de vraag aan me op: wil ik (nu 36 jaar oud) hier mijn pensioen halen? Dat die vraag in me opkwam zegt genoeg en ik besloot ontslag te nemen, niet overhaast maar over een jaar. Met die boodschap stapte ik naar Jo Daan. “Jo, ik wil ermee stoppen, ik heb  gezegd wat ik te zeggen heb. Ik ga weer voor de klas”. Jo vatte mijn mededeling nogal laconiek op: “Weet je al een opvolger?”. Ze had ’t waarschijnlijk al  zien aankomen. Ik was ook zeker van mijn besluit en heb er ’t hele jaar geen moment over getwijfeld.

OP 27 april 1974, kort voor mijn vertrek, deed ik mijn laatste medewerkersbijeenkomst, in Den Bosch. In de Mededelingen werd er verslag van gedaan: “Na de pauze [….] kreeg de heer J. Stroop het woord. Deze leidde zijn betoog in door nog eens (!) te wijzen op het grote belang van de vragenlijsten. […] Vervolgens  liet hij op de band verschillende dialektsprekers  horen en vroeg de aanwezigen de plaats van herkomst te lokaliseren. Hij wees daarbij op specifieke verschillen en eigenaardigheden en gaf die aan op een topografische kaart. Hierop kwamen zeer vele en goede reakties uit de zaal.”

Aan zo’n optreden beleefde ik altijd veel plezier, maar ook wat mijn andere werkzaamheden betreft, kijk ik met voldoening terug op mijn bureaujaren. Wat ik gedaan had: ruim honderd bandopnames gemaakt van dialecten door hele ’t land. Dat geluidsmateriaal gebruikte ik voor een artikel over werkwoordsvolgorde (1970). Een groot aantal taalkaarten getekend en gepubliceerd, waarbij ik nieuwe cartografische verworvenheden in de praktijk probeerde te brengen. Artikelen over uiteenlopende onderwerpen geschreven en een monografie over de paardebloem.

En nu, in 1973,  was ook Aflevering 9 van de Taalatlas van Noord- en Zuid-Nederland voltooid, die voor ’t eerst (en voor ’t laatst zoals later bleek), verscheen met een inhoudelijke Toelichting bij de 10 kaarten. Vier werden becommentarieerd door Ernest Eylenbosch, Doornen, Dooier, Wagenmaker en Wendakker, één door Jan Berns, Ruif,  één door G. Schutter en J. Taeldeman, Ovenpaal, en vier door mijzelf, Ponderboom, Paardebloem, Meikever en Melkbocht. Zelf had ik ook de redactie gevoerd.

Mijn proefschrift kon ik nu meer aandacht geven, doordat ik er een dag in de week thuis aan mocht werken. Dat hielp maar doordat ik vanaf augustus 1974 een volledige veeleisende leraarsbaan in Purmerend had, duurde ’t toch nog tot 1977 voor ik promoveerde.

Mijn afscheid als medewerker van ’t Dialectenbureau kreeg onverwacht een vervolg: in 1979 ik werd benoemd tot lid van de Dialectencommissie. Wordt vervolgd dus.

Over Jan Stroop

Jan Stroop is gastonderzoeker bij de capaciteitsgroep Nederlandse taalkunde van de Universiteit van Amsterdam. Van hem verschenen bij Athenaeum: Hun hebben de taal verkwanseld en Die taal, die weet wat . Dit is zijn website.
Dit bericht is geplaatst in column met de tags , . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter