Wanneer het lichaam ginds hoog in een boom zal hangen

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (154)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Toen ik mijn eenge zoon op Gods gebod ging slachten
liet hij het blinkend mes plots uit mijn handen slaan;
wat zal hij doen, mijn vriend, als zij U villen gaan
en krijgt gij wel den tijd die engel af te wachten?

Wanneer het lichaam ginds hoog in een boom zal hangen,
dan valt Uw veege ziel, ellendig tot den dood,
de diepte in, voorgoed, maar niet in mijnen schoot,
en barst de wereld los in psalm- en vreugdezangen.

Nu laat gij nog vandaag uw rijke tafels dekken,
en niemand van mijn volk wordt aan den disch genood;
er valt geen kruimel af voor Christen of voor Jood.

Maar eenmaal komt de tijd dat u de honden lekken,
dan zult gij, als de vrek, in vuur en dorst bezwijken,
en zal geen vinger u een druppel water reiken.

(Anoniem)

In de illegale pers circuleerde dit gedicht als een van Drie sonnetten op den 50en verjaardag van den Heer A. Mussert. Het is, voor zover ik heb kunnen nagaan, altijd anoniem gebleven. De doorgaans goed geïnformeerde website Het geheugen van Nederland classificeert het bijvoorbeeld als zodanig. 

De dichter wist in ieder geval wat hij deed. Het sonnet is geschreven in een klassieke vorm: zes jamben in een regel, zoals lange tijd gebruikelijk was geweest in de Nederlandse poëzie, maar zoals in de jaren veertig ook al vele decennia niet echt meer vertoond was. Het zijn bovendien échte alexandrijnen, met steeds een pauze na de derde voet: je kunt iedere regel precies doormidden breken (‘Toen ik mijn eenge zoon / op Gods gebod ging slachten’, ‘liet hij het blinkend mes / plots uit mijn handen slaan’, enz.) Als het uitkomt voor het rijm, gebruikt hij een oude vorm als lekken in plaats van likken.

Het gedicht laat bovendien de aartsvader Abraham aan het woord, wat er natuurlijk mee te maken heeft dat dit een verjaardagsgedicht is voor een vijftigjarige, maar wat ook speelt met de ‘joods-christelijke wortels’ die de leider van de Nederlandse nationaal-socialistische bond NSB volgens de dichter verloochende.

Binnen die klassieke vorm kolkt een peilloze afkeer en haat, die de jarige van alles en nog wat toewenst: villen, ophangen, gelikt worden door de honden, bezwijken in vuur en dorst. Waarbij overigens het voornaamste verwijt – de vijftigste verjaardag was in mei 1944 – was dat er honger werd geleden door ‘het volk van Abraham’. De dichter had duidelijk nog geen idee wat er nog meer gebeurde en gebeuren zou.

We hebben gisteren ons crowdfundingdoel (al) gehaald! Dank voor de hulp

 

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , , , , . Bookmark de permalink.