’t Dialectenbureau (en ik), afl. 12

door Jan Stroop

Een of twee keer per jaar organiseerde ’t Dialectenbureau een symposion. Preciezer geformuleerd: “hield de Dialectencommissie een symposion”, dat door ’t Dialectenbureau georganiseerd werd. De Dialectencommissie was een gezelschap van 6 à 7 heren die hun sporen op ’t terrein van ’t dialectonderzoek of dat van de historische taalkunde ruimschoots verdiend hadden. De commissie fungeerde als toezichthouder; veel ideeën of opdrachten hebben ons vanuit die commissie overigens niet bereikt. Voorzitter was in die jaren professor Klaas Heeroma uit Groningen. ’t Hoofd van ’t Dialectenbureau, Jo Daan dus, was secretaresse.

Vergaderzaal van de KNAW. Foto: Wim Ruigrok.

De symposions (of symposia) speelden zich af in de Grote Vergaderzaal van ’t Trippenhuis, op zaterdagmiddag. Tafels met ‘dekmantels’ en stoelen waren in rijen opgesteld. Vooraan stond de tafel met de stoelen naar de zaal gericht. Daar nam de Dialectencommissie plaats.

’t Programma kende altijd twee lezingen, die onmiddellijk op elkaar volgden. Daarna was er pauze. ’t Was niet gebruikelijk dat de sprekers hulpmiddelen aanwenden. Beamers bestonden toen nog niet en handouts werden zelden gebruikt. Wel werden er wel eens kaart opgehangen, maar meestal was ’t formaat zo klein dat je er weinig op kon zien.

De sprekers lazen hun tekst vaak voor alsof ze er zelf niet in geloofden. Bij Heeroma was dat niet zo; die las een tekst voor als de dichter die hij was. En hij wist zodoende de aandacht vast te houden. Dat lukte anderen overigens niet bij hem, want als hij toehoorder was, dommelde hij vaak in. Heeroma werkte meestal snachts. ’t Was ook de tijd dat ie dag en nacht bezig was met zijn uitgave van ’t Gruuthuse-handschrift. Dat verklaarde veel.

Was ’t pauze dan begaf men zich naar aangrenzende Bilderdijkzaal, alwaar koffie en thee geserveerd werden. Dan kreeg je ook goed oog uit wat voor mensen ’t gehoor bestond: ouderen en oudere jongeren, academisch gevormde echtparen en ’t wetenschappelijk personeel van ’t Dialectenbureau, plus technisch medewerker Ab Spaargaren, die met een enorme koptelefoon op ’t hoofd voortdurend de geluidsversterking controleerde.

’t Eerste symposion dat ik meegemaakt heb, was dat over de Vaktalen van imkers en riviervissers, op zaterdag 7 januari 1967. Sprekers waren respectievelijk Frans Gelens en Theo van Doorn. Van Doorn is degene die later als eerste ’t auteurschap van Marnix van Sint Aldegonde van ’t Wilhelmus aangevochten heeft. http://www.cubra.nl/wilhelmusvannassouwe/.

Wat de sprekers ons vertelden was o.a. dat de benaming imker afgeleid is van ’t oude woord imme voor ‘bijenzwerm.’ En dat de riviervisserij tot de primaire beroepen behoort, waardoor de terminologie veel oude woorden bevat, bijv. want voor ‘net’ en spoel voor ‘houten naald’.

De teksten van de lezingen op de symposia werden gepubliceerd in de reeks Bijdragen en Mededelingen. Wat me verraste bij ’t terugzien was dat in de publicatie van de twee lezingen van 7 januari 1967 summaries in ’t Engels waren toegevoegd. Dat had ik bij eerdere publicaties nog niet gezien. Wat de reden ervan was, heb ik niet kunnen achterhalen.

In de publicatie werd, zoals steeds, ook uitvoerig verslag gedaan van de discussie, waarvan ’t nu volgende een impressie is. De heer A. Weijnen vroeg aan de heer F.M. Gelens of deze beschikt over historische bewijzen dat de imkerij in vroeger tijd een afzonderlijk bedrijf is geweest. Ja, er zijn aanwijzingen. Nog eens de heer Weijnen, die suggereert om de etymologie van mèèrel voor ‘dar’ in de romaanse taalwereld te zoeken. Zal spreker nagaan. De heer D.P. Blok vraagt of men reeds vroeger wist dat darren mannetjes waren. De heer Gelens antwoordt dat men de dar vroeger eerder voor een vrouwtjes- dan voor een mannetjesbij hield. De heer Meertens vraagt of het waar is dat de pastoors zich veel met het imkeren bezig hebben gehouden. Antwoord is ja.

Aan de heer Th. H. van Doorn werd door Mw. J. Daan de vraag gesteld of er reden is de taal van de zeevissers buiten beschouwing te laten. Nee, en Van Doorn betrekt die er wel degelijk in.

’t Eerstvolgende symposion zal zijn op 6 januari 1968. Mw. Daan en de heer H. Heikens zullen dan spreken over “Amerikaanse Nederlanders en hun taal”.

Over Jan Stroop

Jan Stroop is gastonderzoeker bij de capaciteitsgroep Nederlandse taalkunde van de Universiteit van Amsterdam. Van hem verschenen bij Athenaeum: Hun hebben de taal verkwanseld en Die taal, die weet wat . Dit is zijn website.
Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter