De staat van het Nederlands in de wereld moet genuanceerder

Door Ralf Grüttemeier
hoogleraar Nederlandse letterkunde, Carl von Ossietzky Universität Oldenburg, Duitsland

De IVN heeft een tekst met de mooie titel De staat van het Nederlands in de wereld gepubliceerd. Daarin staat veel interessante informatie, bijvoorbeeld m.b.t. tot de relatieve terugloop van het aandeel van de IVN aan het (ook in absolute getallen sinds 2010 danig gekrompen) budget van de Taalunie, van ca. 24 % in 2010 naar ca. 21% voor de periode 2016-2020. Met de algemene strekking van de tekst kan ik het ook alleen maar eens zijn: „investeer in de internationale neerlandistiek“. Het bedrag dat daar momenteel voor ter beschikking staat is met 2 miljoen € voor een wereldwijd bereik wel erg laag. Om een idee te geven ter vergelijking: het – zonder meer zinvolle – Interreg-project „Spreek je buurtaal“ voor een veertigtal basisscholen aan beide kanten van de grens in de Euregio tussen grofweg Aken en de Achterhoek heeft een budget van 2,6 miljoen ter beschikking. Hier zijn de proporties zoek. Ieder initiatief om daar verandering in te brengen is toe te juichen, uiteraard ook dat van de IVN.

Toch heb ik een aantal kritiekpunten, zowel op het diagnostisch deel van het stuk als ook op de daaruit voortvloeiende aanbevelingen. Mijn voornaamste bezwaar is dat IVN door een nogal sombere bril kijkt. Over de 13.000 studenten die buiten Nederland en Vlaanderen Nederlands studeren lezen we: „Die studenten en hun docenten hebben in toenemende mate te lijden onder de afnemende financiële steun van de politiek.“ En over Duitsland staat er: „ondanks de ogenschijnlijk bloei van het Nederlands in Duitsland noemen onze respondenten het vak ‚fragiel’ en de toekomst ‚donker’“. Dit suggereert een eensgezindheid onder de respondenten die er onmogelijk geweest kan zijn – allen met wie ik zo snel heb kunnen spreken heeft de IVN dat onmogelijk kunnen horen zeggen. Hoe dan ook, het tegendeel van die kwalificaties is het geval: het vak is in Duitsland stabiel als nooit tevoren en de toekomst heeft zelden zo veel kansen geboden om er iets moois van te maken als nu.

Laat ik dat met een paar cijfers proberen te onderbouwen. Toen ik in 1982 in Aken en Keulen begon met mijn studie Nederlands, waren er zes hoogleraren Nederlandse Taal- of Letterkunde in Duitsland: Berlijn, Keulen, Leipzig, München, Münster en Oldenburg. Toen ik in 1997 in Oldenburg werd benoemd waren dat er al acht: in Berlijn en Oldenburg was er een tweede bij gekomen (met het Zentrum für Niederlandestudien (ZNS) in Münster, met een zwaartepunt op geschiedenis en politiek, kom je zelfs op negen). Op dit moment zijn het er 10 op het terrein van taal- of literatuurwetenschap (resp. 11 met het ZNS): twee in Berlijn, Duisburg-Essen, Keulen, Münster en Oldenburg. Een duidelijk geval van gestage groei over de afgelopen 35 jaar. Dat geldt ook voor de afzonderlijke vakgroepen – om me tot Oldenburg, te beperken: in 1982 was de structurele formatie 2 fte, in 1997 4,75 fte en in 2017 5,5 fte, met op dit moment daar bovenop 5,5 fte tijdelijke formatie (voornamelijk aio’s en postdocs)  – en dan heb ik het nog niet over de 1,0 fte aan het talencentrum van de universiteit voor Nederlands voor alle vakken, met name voor de coöperatie van onze medische faculteit met Groningen. Waarom de toekomst donker zou moeten zijn, kan ik me tegen deze achtergrond met de beste wil niet indenken, en fragiel is de situatie hooguit in de zin van Pascal dat ieder mensenleven fragiel is.

Verhalen als dit kunnen volgens mij niet alleen over Duitsland of over Oldenburg worden verteld, maar ook over de neerlandistiek in veel andere landen en universiteiten. Wat ik in De staat van het Nederlands in de wereld daarom met name mis is het systematisch en expliciet onderscheiden tussen landen resp. universiteiten waar het goed gaat met de internationale neerlandistiek (en waar de genoemde bezuinigingen niet of nauwelijks tot „lijden“ hebben geleid) en landen resp. universiteiten waar het minder goed ging, tot aan sluitingen toe. Pas een dergelijke expliciete onderscheiding maakt het mogelijk om beter en met meer kans op duurzaam succes na te denken over waar eventuele nieuwe investeringen voor gebruikt zouden moeten worden. Ik ben ervan overtuigd dat men daarmee uiteindelijk ook „de“ politiek in Nederland en Vlaanderen beter kan overtuigen dan met een summier verhaal van „hebben in toenemende mate te lijden“.

Om een voorbeeld te geven: in de lijst van hoogleraren in Duitsland hierboven valt op dat de opleidingen voor een BA of een Master Nederlands die op dit moment bestaan, allemaal twee hoogleraren hebben. Verdwenen zijn daarentegen de eenmans-hoogleraarsposten in München en Leipzig. Ondanks alle verschillen (Carel ter Haar was in München hoogleraar op persoonlijke titel) kun je daar uit afleiden dat eenvrouws- of eenmans-posten bijzonder kwetsbaar zijn, en dat de kans op “blijven” veel groter is wanneer het om twee hoogleraren (liefst met enig leeftijdsverschil) gaat. Die kunnen dan een rol in de opvolgingsprocedure van de ander spelen, normaal gesproken verdeeld over respectievelijk taal- en literatuurwetenschap. Zou het daarom niet zinvol zijn om vakgroepen wereldwijd uit te nodigen met doortimmerde plannen voor een structurele tweede hoogleraarspost met infrastructuur te solliciteren, waarbij de Taalunie in een beperkt aantal gevallen bij voldoende garanties de eerste zes jaar voor haar rekening neemt?

Of, ander voorbeeld: wanneer ik de Duitse situatie goed overzie, dan is het succesverhaal er niet in de laatste plaats aan te danken dat de collegae uitstekende contacten binnen hun faculteit of zelfs binnen hun universiteit hebben opgebouwd. Ook dat lijkt me de kans op “blijven” significant te verhogen (al is dit hooguit een noodzakelijke, maar beslist geen toereikende voorwaarde). Een subsidieprogramma (financieel en/of door gastdocenten) van de Nederlandse Taalunie en de IVN dat tegen die achtergrond het opstarten van duurzame samenwerking mogelijk maakt in onderwijs of onderzoek binnen specifieke faculteiten/universiteiten, lijkt mij daarom meer dan de moeite waard.

Maar één aspect moet daar in ieder geval nog aan worden toegevoegd: zelfs wanneer er extra geld voor de internationale neerlandistiek komt, en zelfs wanneer daarmee bijzonder zinvolle en duurzame dingen worden gedaan, is dat niet de crux van het probleem. Die ligt in mijn ogen in de volstrekt ontoereikende financiële en politieke steun voor de neerlandistiek in Nederland en Vlaanderen, zichtbaar in fenomenen die reiken van de verengelsing van het hoger onderwijs tot aan gebrek aan academisch geschoolde leraren Nederlands. Maar dat is een onderwerp voor een ander stuk. Ik wil maar zeggen: iedere investering in de internationale neerlandistiek is op de middellange en op de lange termijn alleen zinvol wanneer die gepaard gaat met navenante investeringen in de neerlandistiek in Nederland en Vlaanderen.

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter