’t Dialectenbureau (en ik), afl. 10

door Jan Stroop

Midden 1969 kregen we te horen dat we zouden gaan verhuizen. De Anna Visscherschool werd te klein. Er was van de kant van de Akademie geld vrijgekomen om nieuwe medewerkers aan te trekken, maar de oude school had daar te weinig ruimte voor. We zouden naar een voormalig Bankgebouw gaan aan de Keizersgracht, nummer 569-571.

Ruim van te voren werd er vergaderd over de verdeling van de ruimtes, welke afdeling komt op welke verdieping. In ’t oude gebouw zaten we  gelijkvloers en de verdeling van de ruimtes daar was een gevolg geweest van anciënniteit. De afdeling die ’t  er eerste was, was Dialectologie. Die hoefde dus niet te kiezen. De andere Volkskunde en Naamkunde werden later opgericht en die kregen dus wat er aan kamers overbleef (Volkskunde) of wat er speciaal voor bijgebouwd was (Naamkunde).

In 1969 was de situatie heel anders. De afdelingen hadden nu gelijke rechten, vonden ze, maar hoe kun je die honoreren in een gebouw met etages?  Allemaal willen ze wel op de begane grond, niemand wil de bovenste etage; bedenk, ’t gebouw had geen lift.

Er was één argument waar niets tegen in te brengen viel: de directiekamer op de eerste verdieping was natuurlijk voor directeur Blok, [“De directeurskamer is voor de directeur! zei Balk kortaf”]. Daarom werd die verdieping vanzelf ook die van zijn afdeling, Naamkunde. Bleven over de afdelingen Dialectologie en Volkskunde, die vertegenwoordigd werden door Mevrouw Daan en Han Voskuil.

’t Overleg daarover ging niet zo soepel als gehoopt werd, maar wel precies zoals te verwachten was van afdelingshoofden die op hun strepen staan en elkaar niet liggen. Toen bleek na lange en heftige discussies dat Voskuil wel de naar tweede verdieping wilde. Dat had  ie al die tijd voor zich gehouden! Was ’t probleem toch nog onverwacht snel opgelost. Dialectologie werd beganegrond en mevrouw Daan kreeg zodoende de tweede mooiste kamer van ’t gebouw.

De verhuizing zelf was een omvangrijke operatie. Behalve de normale inventaris was er ’t archief van de vragenlijsten, de geluidsbanden, ’t enorme kaartsysteem van Volkskunde en drie bibliotheken. ’t Was aan de afdelingen om zelf de verhuisdozen te vullen, die dan door een verhuisondernemer naar de Keizersgracht gebracht werden. Dat betekende een aantal keren heen en weer rijden, wat de nodige vertragingen opleverde.

[“ ‘Ik zie aankomen dat wij vandaag niet aan de beurt komen’, zei Wim Bosman tegen de rug van juffrouw Haan, die aan haar bureau was blijven zitten.
‘Dan kunnen we dus gewoon aan het werk blijven,’ zei ze zonder van haar werk op te zien.
‘Nou, ik heb anders alles al ingepakt,’ zei Flip.
‘Dan pak je het weer uit.’
Flip moest daar hartelijk om lachen”]

Dat ik daar toen om moest lachen, verbaast me niet. Dat was wel vaker mijn reactie als mevrouw Daan weer eens streng (“ik ben boos”) uit de hoek wilde komen.

Kort na de verhuizing was er links naast de ingang al een naambord aan de muur geschroefd. Ik zag meteen dat er iets niet klopte. Ik las: Dialectologie, Volkenkunde en Naamkunde. ‘Volkenkunde’, ai, grote fout! Directeur Blok had ’t kennelijk ook gezien, want de volgende dag was ’t bord al verwijderd. Dat verklaart misschien ook waarom niemand van mijn toenmalige collega’s ’t gezien heeft of ’t zich herinnert. Een paar weken later hing er een nieuw bord: Dialectologie, Volkskunde en Naamkunde.

 

 

de nieuwe afdeling Dialectologie; in de verte juffrouw Francken, op de voorgrond mijn persoontje

 

 

De inhuizing in ’t nieuwe gebouw ging gepaard met een paar andersoortige veranderingen. We mochten nu ‘Jo’ gaan zeggen tegen mevrouw Daan, wat me in ’t begin nog niet gemakkelijk afging, net zo min als toen professor Weijnen me na mijn promotie (in 1977) opdroeg: “zeg maar Toon”.  Verder markeerde Jo zelf de nieuwe tijd door nu regelmatig ook pantalons te gaan dragen. Tegen ’t eind van ’t jaar, 1969,  kregen we er een nieuwe medewerker bij, Jan Berns uit Nijmegen, ook al een leerling van Toon Weijnen. Hij zou zich in ’t bijzonder bezig gaan houden met de landbouwterminologie.

Over Jan Stroop

Jan Stroop is gastonderzoeker bij de capaciteitsgroep Nederlandse taalkunde van de Universiteit van Amsterdam. Van hem verschenen bij Athenaeum: Hun hebben de taal verkwanseld en Die taal, die weet wat . Dit is zijn website.
Dit bericht is geplaatst in column, geen categorie met de tags , , , . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter