’t Dialectenbureau (en ik), afl. 6

door Jan Stroop

Om ’t contact met de correspondenten/medewerkers in den lande te onderhouden organiseerde ‘t Instituut elk jaar een paar bijeenkomsten, telkens in een andere provincie. Er werd een centraal gelegen plaats gekozen, waar een zaaltje afgehuurd werd. ’t Was altijd op een zaterdag. Die bijeenkomsten werden altijd goed bezocht.

De eerste bijeenkomst die ik meemaakte was in Drachten, in Friesland. De collega’s van de drie afdelingen hielden een praatje. Ik was toen nog toehoorder. Mevrouw Daan begon haar verhaal over waar haar afdeling mee bezig was, o.a. de Taalatlas en de Atlas van de Nederlandse Klankontwikkeling (ANKO). Ze sloot  af met een hommage aan de medewerkers. “Zonder uw medewerking kunnen wij ons werk niet doen. Hartelijk dank daarvoor.”

Er werd ook altijd een kleine tentoonstelling opgesteld, voornamelijk van recente publicaties uit de serie de Bijdragen en Mededelingen van de Dialectencommissie. En verder wat kaarten van de Taalatlas en de Volkskunde-atlas. Voor die expositie gebruikten we een houten stelling die collega Heikens gemaakt had. Die stelling kon opgevouwen worden en paste dan in de kofferruimte van de auto van mevrouw Daan.

In de pauze werden aanwezigen getrakteerd op koffie met iets erbij. Of er ook alcoholisch geschonken werd, kan ik me niet herinneren, en dat betekent dus waarschijnlijk: neen. Na de pauze konden er vragen gesteld worden. Van die mogelijkheid werd meestal maar spaarzaam gebruikt gemaakt; de mensen voelden zich, denk ik, wat geremd door ’t hoge bezoek uit de Randstad. Dan namen de deskundigen maar weer ’t woord voor nog een wetenswaardigheid.

De eerste keer dat ik zelf actief was op zo’n bijeenkomst was in Zeeuws Vlaanderen, in Aksel (NB. deze spelling werd op ’t Instituut gebruikt, vooruitlopend op een wet die er nooit gekomen is), in zaal ‘De Halle’. ’t Was een reis van een paar uur autorijden. Dan de oversteek van de Westerschelde. Zeeuws-Vlaanderen was toen nog alleen met de veerpont Kruiningen-Perkpolder bereikbaar, of via de tunnel in Antwerpen.

Han Voskuil vertelde er over ’t onderzoek naar volksgeloof misschien wel aan de hand van de kaart ‘kabouter’. De kaart, hierbij, is nooit gepubliceerd omdat Voskuil er niet tevreden over was. Er waren te veel ‘open gaten’. Uit dat oordeel maar ook uit zijn brief aan zijn opvolger Theo Meder blijkt wel dat hij onderzoek als dat naar kabouters en andere vormen van kinderschrik serieus nam, al geven de romans over Het Bureau er voor de slechte verstaander een andere indruk van.

Mijn praatje eindigde met een soort quiz, waarbij ik de aanwezigen een aantal geluidsfragmenten van dialectsprekers liet horen, met de vraag: waar komen deze sprekers vandaan. Dat vonden de mensen leuk, vooral als ze ’t antwoord goed hadden. Veel aandacht gaf ik natuurlijk aan de scherpe dialectgrens tussen ’t protestantse Aksel en ’t katholieke Hulst, die maar 10 kilometer van elkaar liggen.

’t Zou best kunnen dat dit keer ook mijn eerste zelfstandige publicatie geëxposeerd is: de monografie Paardebloem à la carte, over de benamingen voor de paardebloem. Ik was op dat onderwerp gekomen door mijn lectuur (tijdens de lunch!) van Enkele bloemnamen in de Zuidnederlandsche dialecten van J. L. Pauwels. Een boeiend boek, maar Nederland blijft er buiten beschouwing. Dat kan niet, vond ik. En in ’t hoofdstuk ‘paardebloem’ stonden enkele verklaringen die me niet overtuigden. Dat kan beter, dacht ik. Zo rees ’t plan voor een kaart in de Taalatlas met bijbehorende toelichting. Maar omdat die toelichting al maar uitdijde, besloot ik er een boekje van te maken. ’t Verscheen in 1969.

Omdat we nog een lange terugreis in ’t vooruitzicht hadden besloten we ergens te gaan eten en dan was ’t handig om dat te doen in ’t restaurant in Perkpolder, op een paar honderd meter van de aanlegsteiger van de veerpont. ’t Was er zo lekker en gezellig dat we maar bleven plakken en op ’t laatst nog haast moesten maken om de beoogde pont te halen: snel afrekenen, jas en tas pakken en hollen.

Iedereen liep of holde op eigen gelegenheid en in zijn eigen tempo. Maar ik zag dat een behulpzame Voskuil mijn vrouw bij de hand genomen had en dat ze zo naar de pont toe renden. ’t Tafereel trof me omdat Voskuil iets deed wat ik niet van hem verwacht had.  Ze waren niet bij te houden, al kwam ik nog wel op tijd op de veerpont.

Op 27 april 1974 vond in ’s-Hertogenbosch de laatste medewerkersbijeenkomst plaats waar ik aan deelgenomen heb. Volgens ’t verslag in de  Mededelingen van het Instituut kwamen er op mijn betoog annex quiz “zeer vele en goede reakties uit de zaal.”

Over Jan Stroop

Jan Stroop is gastonderzoeker bij de capaciteitsgroep Nederlandse taalkunde van de Universiteit van Amsterdam. Van hem verschenen bij Athenaeum: Hun hebben de taal verkwanseld en Die taal, die weet wat . Dit is zijn website.
Dit bericht is geplaatst in taalkunde met de tags , , , . Bookmark de permalink.

3 reacties op ’t Dialectenbureau (en ik), afl. 6

  1. Marcel Plaatsman schreef:

    Mooi, die kabouterkaart! Die brengt meteen ’n Tesselse kwestie naar boven waar ik nog mee tob. De Wieringer “sammelkes” en de Tesselse “sommeltjes” zijn vast verwant, maar die klinkerwisseling, daar is iets mee. Het komt op zich geregeld voor dat een “a” op Texel een “o” is, maar in dit geval voegt dat niet zo. Ten eerste is de verschuiving a > o alleen regelmatig voor tandmedeklinkers, ten tweede levert ze dan “ò” = /ɔ/ op en niet, zoals in dit woord (getuige het woordenboek van Keyser), een ó = /ʊ/ (in de notatie van o.m. Jo Daan). Die laatste ó gaat normaal terug op *u en zou in het Wierings ook gewoon o moeten zijn, eventueel /u/ (“oe”) of /ø/ (“eu”) in open lettergreep.
    Kort gesteld: is er een etymologie van dit woord? Gaat het terug op *sam, *sum, nog iets anders?
    Om het ingewikkelder te maken: Tessels heeft ook nog “sumpie” voor “piemeltje”, wat aan het Engelse “thumb” wordt verbonden, maar natuurlijk ook weer aan dat hypothetische *sum gelinkt kan worden. Óf: alles is “thumb” en de klinker is op drie verschillende manieren ontleend (maar wat ’n malle ontlening dan eigenlijk, ondanks veronderstelbaar taalcontact tussen visserlui).

    Overigens blijft de volgende zin me ook intrigeren, daar ik het tegenovergestelde antwoord had verwacht: “Of er ook alcoholisch geschonken werd, kan ik me niet herinneren, en dat betekent dus waarschijnlijk: neen.”

  2. Mient Adema schreef:

    Ja, ik vond het woord “waarschijnlijk” ook sprekend, suggestief. Als je je iets niet kunt herinneren, komt dat dan doordat het niet plaatsgevonden heeft of door de toestand waarin je verkeerde? Ik wijt die passage over het al dan niet-alcoholgebruik maar aan de karakteristieke droge humor die de auteur weleens inspireert. Het Nederlands heeft daar een woord voor, zegt hij dan en wacht dan maar af hoe hij genadeloos zijn visie geeft op het gebruik van onnodige Engelse termen waar wat al te koketterig mee wordt omgegaan. Zoiets is immers by far het ongebruikelijkst, nietwaar?

    Het is leuk lezen, deze stukjes. Vooral ook omdat je niet weet of er nog iets achteraan komt. Dat geeft hoop en verwachting.

Laat een reactie achter