Goud. Van middagzon

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (109)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

In gedichten is het einde van regels belangrijker dan het begin en niemand weet precies waarom. Aan het einde bevindt zich bijvoorbeeld doorgaans het rijm (ik ken geen conventie waarbij de eerste woorden van regels systematisch op elkaar moeten rijmen). Ook veroorloven dichters zich doorgaans meer vrijheden tegenover het metrum aan het begin van een regel dan aan het eind.

En dan is er het enjambement, de woordgroep die zich over een regel uitstrekt, zoals in het sonnet Hoogvlak van Hélène Swarth:

Ik blik verwonderd neer van ’t hoogvlak: was
Dat ijl klein bosch mijn heilig smartewoud,
Waar ‘k handenwringend doolde in donker? – Stout
Beklom den berg spiralend de enge pas.

De reine wind der hoogte omwaait me en goud
Van middagzon uit blauwen hemelplas
Verblindt mijn blik, die weg zich wendt al ras
Van ’t kleine bosch, vol rouwen dat mij rouwt.

Armzaalge boomgroep! kinderspeelgoed-tuin!
De kruinen wuiven, suizlend droeven groet.

In d’ afgrond rolt een brokje rotsepuin,
Als eenig antwoord van mijn trotschen voet,
Die hooger stijgt, naar d’ ijsbekroonde kruin,
Waar ‘k wel van weet, dat ik er sterven moet.

Wanneer er precies sprake is van enjambement is een kwestie van gradatie. Het hangt er maar vanaf hoe sterk je de band rekent tussen het woord aan het eind van de ene regel en dat aan het begin van de andere. Strikt genomen zou je een zin die zich over twee regels uitstrekt al tot het enjambement kunnen rekenen. Maar volgens de meeste definities is er in dit sonnet sprake van in de regels 1-2, 3-4, 5-6 en 7-8.

Je zou dat als enigszins iconisch kunnen zien, want het gedicht gaat over allerlei verbanden: tussen nu en vroeger, tussen het ‘hoogvlak’ en het bosje in het dal, tussen het handenwringend gedool en het ferm hoger stijgen, de dood tegemoet. Maar enjambement heeft ook altijd een ritmisch effect: dat de woorden aan het eind van de oneven regels (was, stout, goud, ras) extra benadrukt worden

Waarom is er niet hetzelfde effect op de woorden aan het begin van de volgende regels? Waarom zijn in dit geval die woorden zelfs nadrukkelijk allemaal betekenisloos (dat, waar, van, van)? Ook hier zie je weer het effect dat het einde van de regel sowieso belangrijk is.

Het heeft waarschijnlijk iets te maken met een natuurlijke neiging om aan het eind van zinnen en zinsdelen een beetje trager te worden. Ook in alledaagse conversatie kun je dat meten: een woord wordt wat langer als het aan het eind van de zin staat. Wat gedichten aan die alledaagse ordening toevoegen is een extra laag van groepering – dat van de versregel. Ook daar heb je kennelijk inderdaad de neiging om het woord iets langer te maken.

Maar dat gaat dan interfereren met het feit dat ook de belangrijke woorden in de zin vanzelf iets langer worden. Omdat ‘goud / van middagzon’ geen normale groepering is, ben je dus geneigd om goud als belangrijk te beschouwen. Het is immers langer. Met die verwarring speelt het enjambement.

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , . Bookmark de permalink.

Één reactie op Goud. Van middagzon

  1. Rob Delvigne schreef:

    Een spannend enjambement bij PC Hooft; je denkt dat de zin afgelopen is aan het eind van de regel, maar dan blijkt de zin toch nog verder te gaan:
    “Vroeg in de dageraad de schone gaat ontbinden /
    De gouden blonde tros”.

Reacties zijn gesloten.