Keert weêr de kroonprins

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (105)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Een nuttige term die geloof ik in de traditionele zinsontleding ontbreekt is wat in de wetenschappelijke literatuur wel topic wordt genoemd.

Je kunt een Nederlandse zin niet goed begrijpen zonder die term, maar je moet enige terminologische verwarring . Topic kun je buiten deze technische context natuurlijk ook vertalen als ‘onderwerp’, maar dat betekent ín de context toch net wat anders.

Nog verwarrender is daarbij dat ‘onderwerp’ soms gedefinieerd wordt ‘als waar de zin over gaat’. Maar die definitie is aantoonbaar onjuist. Neem een zin als:

  • Dat boek heb ik gelezen.

In die zin is ik het onderwerp, maar eigenlijk gáát hij over ‘dat boek’: je gebruikt hem bijvoorbeeld als je temidden van een stapel boeken staat en er één aanwijst. Je vertelt met die zin niet in de eerste plaats iets over jezelf (de spreker), maar over het boek. (Je zou als je het heel precies wil zeggen kunnen zeggen dat ik degene is waarover het gezegde van de zin gaat, en dat boek hetgene waar de hele zin over gaat.)

Daarom is het handig om twee verschillende woorden te hebben: in de bovenstaande zin is ik het onderwerp, en ‘dat boek’ het thema. We kunnen nu ook een formele definitie geven van een thema: dat is het zinsdeel dat onmiddellijk voor de persoonsvorm staat (het onderwerp is het zinsdeel dat getal en persoon van de persoonsvorm bepaalt). In veel gevallen zijn natuurlijk het onderwerp en het thema hetzelfde:

  • Ik lees zulke boeken niet.

Er zijn ook zinnen zonder thema: ja/nee-vragen bijvoorbeeld (‘Kom je?’) en telegramstijl (‘Denk ik wel’; om preciezer te zijn wordt hier het thema natuurlijk verzwegen).

Het sonnet Incognito van Hélène Swarth begint met nog een ander soort themaloze zin:

Keert weêr de kroonprins, dien zijn vader zond
Naar vreemde landen, zonder pracht of praal,
Dan vraagt de koning naar het reisverhaal
Van hem, die wandelde over ’t wereldrond.

– Uw zoon onwaard was ’t liefdeloos onthaal
Dat ik, o vader! bij de menschen vond.
Slechts éen herkende me aan mijn lokkenblond,
Viel mij te voet en bood me een koningsmaal.

Tuchtig die volkren niet met vuur en zwaard,
Doch schenk dien éenen vorstlijk gunstbetoon,
Weze ook wellicht die éene uw gunst onwaard.

Was ’t reine liefde of lage lust naar loon?
Ik wil ’t niet weten: zwervend over de aard,
Was ’t woord mij welkom: ‘Heil u, koningszoon!’

Het is niet duidelijk dat er echt een thema is weggelaten, al zou je als eerste woord natuurlijk iets algemeens als nu (of, meer in de stijl van het gedicht, thans) kunnen invullen. Het is een verhalend soort gebruik van de themaloze zin, dat we tegenwoordig eigenlijk niet meer van enigszins plechtstatige sonnetten kennen, maar vooral van moppen: de ‘komt een vrouw bij de dokter’-constructie.

Hij wordt hoe dan ook alleen aan het begin van een verhaaltje gebruikt. De eerste zin is nog themaloos, hij gaat nergens over, want we treden een nieuwe wereld binnen waarin we nog niets hebben waarover we kunnen praten. De personages in deze wereld worden juist in deze zin geïntroduceerd. Daarna pas kunnen we over ze in gesprek.

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , , . Bookmark de permalink.

Één reactie op Keert weêr de kroonprins

  1. Wouter Steenbeek schreef:

    De eerste regel heeft nog wel een aardig detail: het gebruik van de naamvals-n om een de woordvolgorde vrijer te maken. Je kunt nu zien dat “dien”, dat op de kroonsprins terugslaat, lijdend voorwerp moet zijn, waaruit je weer kunt opmaken dat “zijn vader” onderwerp is.

    Als dit gedicht na 1946 was gepubliceerd en er had gestaan “Keert weer de kroonprins, die zijn vader zond”, had iedereen gedacht dat de kroonprins de koning had weggestuurd, om pas na heel veel context te concluderen dat de omgekeerde betekenis bedoeld werd. In modern Nederlands is een zin als deze alleen in theorie dubbelzinnig; in de praktijk zal ook in een bijzin nooit het lijdend voorwerp voorop komen als er verwisseling mogelijk is. Je kunt zeggen [ik zet ook in de hoofdzin de woorden maar even op de goede plek]:

    De kroonprins keert weer, die hij zond.
    De kroonprins keert weer, die zijn ouders zonden.

    Zin 1 kan omdat de bijzin een persoonlijk voornaamwoord bevat, en persoonlijke voornaamwoorden worden wél naar naamval verbogen. Zin 2 kan omdat de persoonsvorm in de bijzin dubbelzinnigheid uitsluit. Maar de zin uit dit gedicht? Als je daar per se de volgorde wilt veranderen, ben je op de lijdende vorm aangewezen: “De kroonprins keert weer, die door zijn vader werd gezonden.”

    Stijladviseurs roepen vaak op om erg voorzichtig te zijn met de lijdende vorm. Een reden om hem toch te gebruiken is dat het lijdend voorwerp dan tot onderwerp wordt, zodat het vooraan in de zin komt te staan. Zo wordt hetgeen waarop een handeling wordt verricht ineens tot – jawel – topic/thema, zonder gevaar voor dubbelzinnigheid.

Reacties zijn gesloten.