Tag: woordvorming

Ciaciao

Door Marc van Oostendorp

Van de week klaagde iemand in een reactiepaneel op dit blog dat de geesteswetenschappen zo weinig ontdekken, maar die klacht is ongegrond, er worden aan de lopende band dingen ontdekt, in ieder geval door mij. Let op! De ontdekking van de week: het Nederlands lijkt op het Ilokano.

Het begon van de week op Twitter met iemand die zich erover verbaasde dat hij zo vaak doei doei zei. Iemand anders dacht dat ik daar weleens over had geschreven, maar ik kende die hele persoon niet, laat staan dat ik erover had nagedacht waarom hij zo vaak doei doei zei.

Al snel ging de discussie echter een interessante kant op. Iemand (nee, niet iemand: de bekende taalkundige, biograaf van Piet Grijs en journalist Liesbeth Koenen) merkte tussen neus en lippen op dat veel mensen eerder doedoei zeggen. En daarop zei de wetenschapscommunicator en taalkundige Iris Roggema: ja, ik zeg geloof ik ook ciaciao en momoi. En toen zei Liesbeth, ik geloof voor de grap: we hebben een generalisatie.

Maar ik denk dat we hier inderdaad iets bij de hand hebben.

Lees verder >>

woord?woord (6/6)

Nultaal (13)

Door Jan Renkema

Zonder nul is er geen wiskunde. Zonder niets is er geen communicatie. Want niets in taal is niet niets, maar iets. In deze serie een verkenning van onder meer: de stilte, de spatie, de betekenis van de punt, wat er gebeurt tussen ‘navel’ en ‘truitje’, het inhoudsloze gesprek, ‘Dat hebt u mij niet horen zeggen,‘E 621’ op een verpakking en verbale reddingsvlotten. Niets?zeggend, nee: Iets!zeggend.

Deze mini-serie binnen Nultaal ging over het niets tussen woorden in een samenstelling van twee zelfstandige naamwoorden. In aflevering 8 is deze combinatie nader ingeperkt (om het wat gemakkelijker te maken). In aflevering 9 zijn de drie basisrelaties geïntroduceerd. Aan de hand hiervan is een schema opgesteld in de afleveringen 10, 11 en 12. Nog één opmerking voor we verder gaan met de echt moeilijke gevallen. Lees verder >>

woord?woord (5/6)

Nultaal (12)

Door Jan Renkema

Zonder nul is er geen wiskunde. Zonder niets is er geen communicatie. Want niets in taal is niet niets, maar iets. In deze serie een verkenning van onder meer: de stilte, de spatie, de betekenis van de punt, wat er gebeurt tussen ‘navel’ en ‘truitje’, het inhoudsloze gesprek, ‘Dat hebt u mij niet horen zeggen,‘E 621’ op een verpakking en verbale reddingsvlotten. Niets?zeggend, nee: Iets!zeggend.

In deze miniserie binnen Nultaal gaat het over het niets tussen woorden in een speciaal soort samenstelling. Zie hierover Nultaal 8. Startpunt van de analyse is dat de relaties tussen de woorden te herleiden zijn tot drie basisrelaties: 1 de naamwoordelijke relatie, gebaseerd op het koppelwerkwoord ‘zijn’, bijvoorbeeld hoeslaken; 2. de werkwoordelijke relatie, met onderwerp of agens, lijdend voorwerp, enz., bijvoorbeeld moederliefde ; 3 de bijwoordelijke relatie, bijvoorbeeld maandabonnement. De vorige twee afleveringen gingen over naamwoordelijke relaties en werkwoordelijke relaties. Deze aflevering gaat over de derde basisrelatie, de bijwoordelijke relatie.

Een bijwoordelijke relatie is te herleiden tot een bijwoordelijke bepaling in de zinsontleding. Hier een voorstel voor een indeling, met voorbeelden: Lees verder >>

woord?woord (4/6)

Nultaal (11)

Door Jan Renkema

Zonder nul is er geen wiskunde. Zonder niets is er geen communicatie. Want niets in taal is niet niets, maar iets. In deze serie een verkenning van onder meer: de stilte, de spatie, de betekenis van de punt, wat er gebeurt tussen ‘navel’ en ‘truitje’, het inhoudsloze gesprek, ‘Dat hebt u mij niet horen zeggen,‘E 621’ op een verpakking en verbale reddingsvlotten. Niets?zeggend, nee: Iets!zeggend.

In deze miniserie binnen Nultaal gaat het over het niets tussen woorden in een speciaal soort samenstelling. Zie hierover aflevering 8. Startpunt van de analyse is dat de relaties tussen de woorden te herleiden zijn tot drie basisrelaties: 1 de naamwoordelijke relatie, gebaseerd op het koppelwerkwoord ‘zijn’, bijvoorbeeldhoeslaken; 2. de werkwoordelijke relatie, met onderwerp of agens, lijdend voorwerp, enz., bijvoorbeeldmoederliefde; 3 de bijwoordelijke relatie, met bepalingen van tijd, plaats, enz., bijvoorbeeldmaandabonnement. De vorige aflevering ging over naamwoordelijke relaties. Deze aflevering gaat over de werkwoordelijke relaties.

Er lijkt een tweede soort van relaties te bestaan die alle herleidbaar zijn tot een relatie met het werkwoord, uitgezonderd natuurlijk het koppelwerkwoord ‘zijn’ dat de basis vormt voor de vijf naamwoordelijke relaties in de vorige aflevering. Het lijkt handig om de volgende drie te onderscheiden. Lees verder >>

woord?woord (3/6)

Nultaal (10)

Door Jan Renkema

Zonder nul is er geen wiskunde. Zonder niets is er geen communicatie. Want niets in taal is niet niets, maar iets. In deze serie een verkenning van onder meer: de stilte, de spatie, de betekenis van de punt, wat er gebeurt tussen ‘navel’ en ‘truitje’, het inhoudsloze gesprek, ‘Dat hebt u mij niet horen zeggen,‘E 621’ op een verpakking en verbale reddingsvlotten. Niets?zeggend, nee: Iets!zeggend.

In mijn verkenning van het vraagteken in woord?woord kwam ik steeds weer terug bij het volgende uitgangspunt. De betekenisrelaties tussen de woorden zijn te herleiden tot drie basisrelaties die we ook tussen zinsdelen tegenkomen: 1 de naamwoordelijke relatie, gebaseerd op het koppelwerkwoord ‘zijn’; 2. de werkwoordelijke relatie, met onderwerp of agens, lijdend voorwerp, enz. ; 3 de bijwoordelijke relatie, bepalingen van tijd, plaats, enz. Voor de goede orde, het gaat om combinaties waarin het tweede woord de kern is, zoals wipneus, en waarin steeds sprake is van een ‘soort van’-relatie, dus niet bijvoorbeeld speurneus (geen soort ‘neus’). En het gaat alleen om woordcombinaties met twee zelfstandige naamwoorden, dus niet bijvoorbeeld hardlopen met bijwoord en voorzetsel. Zie hierover Nultaal 8.

Tot de naamwoordelijke relaties reken ik alle relaties die te herleiden zijn tot het werkwoord ‘zijn’ of een variant daarop. Ik kom uit op vijf categorieën, hier geïllustreerd met steeds één voorbeeld. Lees verder >>

woord?woord (2/6)

Nultaal (9)

Door Jan Renkema

Zonder nul is er geen wiskunde. Zonder niets is er geen communicatie. Want niets in taal is niet niets, maar iets. In deze serie een verkenning van onder meer: de stilte, de spatie, de betekenis van de punt, wat er gebeurt tussen ‘navel’ en ‘truitje’, het inhoudsloze gesprek, ‘Dat hebt u mij niet horen zeggen,‘E 621’ op een verpakking en verbale reddingsvlotten. Niets?zeggend, nee: Iets!zeggend.

Deze en de komende zes afleveringen van Nultaal gaan over het niets tussen woorden in een samenstelling van twee woorden. Het gaat alleen over combinaties van twee zelfstandige naamwoorden waarvan het tweede deel de kern vormt, en waarvan de betekenis van de woorden zelf geen toelichting behoeft. Zie voor verdere uitzonderingen de vorige aflevering.

Hoe zijn deze combinaties verbonden? Wat gebeurt er in dat niets? Mijn doel is om hier enige ordening in aan te brengen. In Handboeken Morfologie staan wel onderverdelingen, maar er zit weinig systeem in. Soms meen ik het begin van een systeem te ontwaren. Daarvan doe ik hier verslag. En nu maar hopen dat meer deskundige lezers niet zullen zeggen: “Het nieuwe erin is niet goed, en het goede erin is niet nieuw.” Lees verder >>

woord?woord (1/6)

Nultaal (8)

Door Jan Renkema

Zonder nul is er geen wiskunde. Zonder niets is er geen communicatie. Want niets in taal is niet niets, maar iets. In deze serie een verkenning van onder meer: de stilte, de spatie, de betekenis van de punt, wat er gebeurt tussen ‘navel’ en ‘truitje’, het inhoudsloze gesprek, ‘Dat hebt u mij niet horen zeggen,‘E 621’ op een verpakking en verbale reddingsvlotten. Niets?zeggend, nee: Iets!zeggend.

Zo raadselachtig. Je zet twee woorden achter elkaar, bijvoorbeeld vis+meel, en je weet onmiddellijk dat het gaat om meel gemaakt van vissen. Maar doe dat eens met kinder+meel. Met de betekenis ‘gemaakt ván’ kun je toch alleen maar denken aan babyvoeding bij kannibalenouders. Bij kindermeel gaat het om de betekenis ‘gemaakt vóór. Toch is ook bij vismeel de vóór-betekenis wel mogelijk. Immers, een viskweker kan wel vismeel gebruiken, zonder vis erin maar bedoeld voor vissen. Wat gebeurt er toch wanneer we twee woorden aan elkaar plakken? Tussen die woorden zien we geen lijm, er is helemaal niets. – Niets? Lees verder >>

Tabletnek

Door Robert Chamalaun

Op woensdag 16 maart stond in het AD een artikel met de pakkende kop: “Dag muisarm, hier is de tabletnek!”. Doordat steeds meer kindertjes voorovergebogen zitten en te weinig bewegen, belandt een groeiend aantal kinderen met nekklachten bij een therapeut. In het artikel wordt melding gemaakt van cijfers van het Zorgkompas waaruit zou blijken dat 40 procent van de 8- tot 18-jarigen met nek- en rugklachten kampt. Belangrijkste boosdoener: de tablet en de smartphone.

Dat een verkeerde houding kan leiden tot ernstige gezondheidsklachten moet zonder twijfel serieus genomen worden. Ik wil dan ook zeker het probleem niet bagatelliseren, evenmin heb ik een pasklare oplossing. Wat mij vooral aansprak in het artikel is het feit dat gezondheidsklachten, al dan niet ontstaan door nieuwe technologie, vrijwel altijd hebben geleid tot interessante neologismen. Ook in het geval van klachten door voorovergebogen zitten, is een prachtige, nieuwe samenstelling ontstaan: de tabletnek.

Lees verder >>

Linguïstisch Miniatuurtje CLXI: Je kunt dit gerust geloven

Door Peter-Arno Coppen
In een artikel in Levende Talen Magazine uit 2013 bespreekt Jimmy van Rijt een les in taalbeschouwing naar aanleiding van het woord vertrouwbaar, dat een van de leerlingen spontaan had bedacht. De docent vond dit eigenlijk een vreemd woord, maar weerstond de neiging om het af te keuren, en nam het woord als aanleiding voor een taalbeschouwelijk onderzoekje. De leerlingen zochten het woord op in de woordenboeken (daar staat het in), en ze ontwikkelden een enquête die ze afnamen onder mensen op straat. Daaruit bleek dat mensen, in tegenstelling tot wat de leerlingen verwachtten, eerder kozen voor te vertrouwen dan voor vertrouwbaar, en dat leverde een mooi inzicht op voor de leerlingen in het verschil tussen norm, werkelijkheid en taalgevoel.
Echter, aan het einde merkte een van de leerlingen nog op dat ze het eigenlijk nog niet echt hadden gehad over het verschil tussen leesbaar, herkenbaar en vertrouwbaar: waar de eerste twee woorden heel gewoon waren, leek er toch iets aan de hand met het woord vertrouwbaar. Sommige mensen hadden een taalgevoel dat daar een beetje tegen in opstand kwam. Wat kon daar aan de hand zijn? Uiteindelijk bedachten docent en leerlingen dat misschien het bestaande woord betrouwbaar “in de weg zat.” Doordat betrouwbaar al gebruikelijk was, met de betekenis die je ook met vertrouwbaar zou bedoelen, was vertrouwbaar eigenlijk overbodig.
Ik zat daar laatst over te praten met Jimmy en een paar andere grammaticaonderwijsonderzoekers (of hoe zeg je dat), en wij bleven het ongemakkelijke gevoel houden dat hiermee niet het hele verhaal verteld was. Er bleef inderdaad iets knagen aan dat vertrouwbaar. Zelf had ik het idee dat het in principe een mogelijke woordvorming was (hetgeen natuurlijk alleen al bevestigd wordt door het feit dat het in de woordenboeken staat), maar toch kon ik wel meegaan in Jimmy’s gevoel dat het niet helemaal lekker zat.

Lees verder >>

Een stukkie over kissies die gekaapt zijn

door Jan Stroop
In de titel boven deze tekst staan twee woorden die je in deze vorm niet vaak in geschreven taal zult tegenkomen. Stukkie dan nog wel een enkele keer, bijvoorbeeld als het gaat om een product van de tekstverwerker. Carmiggelt noemde z’n kronkels zo. In romans en verhalen die in volksbuurten spelen, van o.a. Brusse, Querido en Heijermans, kom je kissies tegen, maar alleen als er spreektaal weergegeven wordt.
Google levert bij kissie maar twee hits op, alle twee gezongen. ‘t Stijfselkissie van Zwarte Riek (‘M’n wiegie was een stijfselkissie’) en een ander speciaal kissie van Nico Haak: ‘Honkie tonkie pianisie met je sinasappel kissie’ (spelling voor zijn rekening). Bij kassie als verkleinwoord van kas of kast is de Google-oogst al even klein: de combinatie kassie kijken, voor tv kijken, en als naam voor een dobbelspel: kassie-zes.

Lees verder >>

De opmars der genitieven

Door Marc van Oostendorp


Een dik en groen boek over de genetivus in het Nederlands en het Duits – ja, ik weet wel waarop ik mij een zaterdagmiddag trakteer, terwijl ik net doe alsof het helemaal niet heel guur is op een terras.

De ‘tweede naamval’ heeft in het Nederlands een vreemde geschiedenis gehad. Net als andere naamvallen begon hij in de veertiende eeuw of daaromtrent langzaamaan weg te slijten, zoals dat bijvoorbeeld ook in het Engels en de Scandinavische talen gebeurde. Maar anders dan in die andere talen, gebeurde er iets waardoor we nu nog steeds met de iPod der iPods zitten opgescheept.
Lees verder >>

Het is nu eenmaal een echt meisje-meisje

Door Viorica Van der Roest
Afgelopen weekend in Trouw, in de rubriek Moderne manieren, beklaagde een zekere ‘Afknapper’ zich tegen Beatrijs Ritsema over een man met wie ze een blind date zou hebben, maar die al het initiatief aan haar liet. Hij wilde dat zij datum, locatie en tijd van het afspraakje zou bepalen. Geen goede zet van de heer in kwestie, want, aldus Afknapper: “ik ben een echte ‘vrouw’-vrouw, als u begrijpt wat ik bedoel. Ik vind dat hij de moeite moet nemen om iets voor te stellen”. Beatrijs begreep blijkbaar precies wat Afknapper bedoelde, en was het nog met haar eens ook. Dumpen die man, was het advies.
Dat ‘vrouw’-vrouwwas ik nog niet eerder tegengekomen, wel al heel vaak meisje-meisje, of gewoon zonder streepje: meisjemeisje. In mijn omgeving meestal gebezigd door vrouwen die zich tegenover hun feministische vriendinnen schuldbewust verantwoorden voor de barbies en roze jurken van hun dochter: ‘het is nu eenmaal een echt meisje-meisje’. Dat echt wordt er trouwens heel vaak voor gezegd of geschreven, alsof er nog iets extra benadrukt moet worden. Of is dat een overblijfsel van toen mensen nog gewoon zeiden ‘het is een echt meisje’, net zoals je kunt zeggen ‘het is een echte jongen’? Maar nu is dus al een tijdje die verdubbeling gangbaar. Het lijkt wel bijna alsof er een algemene categorie is, meisje, en een bepaalde afdeling van deze categorie wordt bevolkt door meisjes die graag met barbies spelen en roze jurken dragen.

Lees verder >>

Somberende Sue

Uw favoriete woordsoort is het zelfstandig naamwoord. Dat is u zo overkomen omdat u ook maar een mens bent. U mag misschien denken dat u toch net wat tukker bent op de werkwoorden of zo, maar werkelijk, u verstrekt allerlei privileges aan zelfstandige naamwoorden. U vormt bijvoorbeeld veel spontaner een nieuw woord als dat nieuwe woord een zelfstandig naamwoord mag zijn. Het nieuw verzonnen zelfstandig naamwoord kiwibesmest in (1) vindt u bijvoorbeeld toch aanvaardbaarder dan het nieuwe werkwoord bekiwibesmesten in (2).
(1) Ze strooit kiwibesmest op de struikjes.
(2) Ze bekiwibesmest de struikjes. [vreemd]
U hebt ook niet minder dan 115 woorddeeltjes te uwer beschikking om zelfstandige naamwoorden te vormen.

Lees verder >>

De enige taal met een ‘zonnetje’?

En hebben we verkleinwoorden te danken aan de Moderne Devotie?

Door Marc van Oostendorp

Het ging over de Nederlandse identiteit, gisteren bij Het filosofische kwartet, en dus traden er behalve twee wijsgeren en een tv-presentator ook twee neerlandici aan, Lotte Jensen en Frits van Oostrom. Het was allemaal heel interessant, eigenlijk ook omdat de taal, het Nederlands, slechts één keer werd genoemd: door Van Oostrom. (Er lijken mij andere culturen waar het ondenkbaar is dat een groep intellectuelen een uur lang over de nationale identiteit gaat waarbij slechts eenmaal in het voorbijgaan de taal wordt genoemd.)

Van Oostrom deed tussen neus en lippen door een fascinerende observatie over verkleinwoordjes. Hij noemde de Moderne Devotie als een vroege beweging van vóór het bestaan van Nederland in eigenlijke zin, die al allerlei Nederlandse trekken zou hebben. En een daarvan was het ‘een enorme voorkeur voor verkleinwoordjes’:

De meest bekende uitdrukking, nog steeds, is “met een boekje in een hoekje”, wat toch eigenlijk een vreemde uitdrukking is: waarom niet gewoon “met een boek in een hoek”? (…) Zou er één andere taal ter wereld zijn – over identiteit gesproken: de
Nederlandse taal is toch ook een belangrijke factor – waar je de bron van alle kosmisch leven met droge ogen aan kunt duiden als zonnetje?

Om met dat laatste te beginnen: er zijn een heleboel van dat soort talen. Sommige Nederlandstaligen hebben misschien het gevoel dat onze taal uniek is in het maken van verkleinwoorden, maar dat komt denk ik vooral dat onze buur- en schooltalen (het Engels, het Frans en eigenlijk ook het Duits) er niet zo sterk in zijn. Maar andere talen maken net zo graag, en met net zulke droge ogen, verkleinwoorden. In de Engelstalige Wikipedia worden in het artikel Diminutive juist het woord voor zon zelfs heel vaak genoemd:

  • Italiaans:  solicello (van sole)
  • Litouws: saulelė, saulytė, saulutė, saulužė, saulužėlė, etc. (van saule)
  • Bosnisch/Kroatisch/Servisch/Bulgaars: sunašce (van sunce)
  • Pools: słoneczko, słonko (van słońce)
  • Russisch: солнышко (solnyshko) (van солнцеsolntse)

Dat zijn overwegend Slavische talen, maar ik weet zeker dat je in het Grieks ook ηλιακι kunt zeggen. In het Estisch kan het woord voor zon, päikene, zelfs alleen in diminutief bestaan (zo’n beetje als het Nederlandse binnenpretje).

Maar natuurlijk oppert Van Oostrom wel een interessante hypothese: zouden diminutieven inderdaad pas met de Moderne Devotie populair geworden zijn in het Nederlands (ze moeten eerder hebben bestaan, want de uitgang –tje/-ke heeft een veel oudere geschiedenis)? Het is een beetje moeilijk uit te zoeken, maar het zou wel te doen moeten zijn, bijvoorbeeld als Nederlab een beetje begint te draaien.

Ondertussen is er dan nog de uitdrukking met een boekje in een hoekje. Zou met een boek in een hoek niet ‘gewoner’ zijn? Maar de Latijnse uitdrukking is toch ook in angello cum libello? En wat voor diepzinnigs zou dat dan zeggen over de Nederlandse volksziel?

Mij lijkt het op zijn minst ook een metrische kwestie. Het ritme met een boek in een hoek (tada DAM tada DAM) ligt minder prettig dan de regelmatige afwisseling van met een boekje in een hoekje (TAM te TAM te TAM te TAM te). Als het iets over onze volksaard zegt, is het misschien wel iets over die voorkeur voor regelmatige afwisseling.

Maar om dat te kunnen doen, moeten de verkleinwoorden natuurlijk wel beschikbaar zijn. Als Van Oostrom gelijk heeft – en dat heeft hij vast, hij heeft een zeer ontwikkeld taalgevoel – lijkt mij de vraag eigenlijk vooral: waarom maakten eerdere middeleeuwse schrijvers daar geen gebruik van?

xiy xay

 Bric-à-brac          (Foto: Joe Flintham)

Snuisterijen is een leuk, maar ook een eenzaam woord. Leuk, omdat het niet gemakkelijk in verband is te brengen met andere woorden (kijk maar), en volgens mij hebben taalliefhebbers een zwak voor dat soort min of meer op zichzelf staande woorden; ik hoop op die gedachte een andere keer terug te komen.

Maar dat ik snuisterijen ‘eenzaam’ noem, heeft een andere reden, namelijk dat de ons omringende talen dit begrip aanduiden met woorden die niet op het onze lijken. Tegelijkertijd lijken ze wel op elkáár. Niet als drie druppels water misschien, maar toch wel als een drie-eiige drieling.

Lees verder >>

Geef kippenfilet een kans

Waarom zeg je kipsaté maar kippenbout? Gisterenmiddag kreeg ik een e-mail van Daan Wesselink, een Utrechtse student, over deze brandende kwestie, waarover hij met een paar medestudenten gediscussieerd had:

Men zegt kippenbout, kippekracht, en kippenhok, maar ook kipkluif, kipragout en kipsaté. We dachten dat de regel was dat je geen tussen-e gebruikt als het van kip gemaakt is i.p.v. kip bevat (…) (het verschil tussen het Franse ‘au chocolat’ en ‘de chocolat’), maar dat klopt ook niet helemaal. Het is kipburger, kipcocktail en kipgerecht (bevatten slechts kip), wat een tussen-e had gehad moeten hebben. Lees verder >>

De wereld in een tussen-n

Het is zoiets kleins, de –en in ideeënwereld, maar je kunt er eindeloos over soebatten. Over de spelling is dat ook al uitentreuren (uitetreuren) gedaan, maar er is meer. De uitspraak, bijvoorbeeld (spreek je die n nu wel of niet uit?), maar ook de betekenis: waarom zeggen we niet ideewereld? Heeft dat er echt iets mee te maken dat het gaat over een wereld van meer dan één idee?

Vorige week promoveerde Esther Hanssen in Nijmegen op een proefschrift over dit onderwerp. Ik was op reis en kon jammer genoeg niet bij de promotie aanwezig zijn. Ik heb haar proefschrift nu pas gelezen (u kunt het hier gratis downloaden).

Het leuke is dat Hanssen de vraag uit allerlei invalshoeken benadert: ze bekijkt hoe die tussenklank wordt uitgesproken in verschillende dialectgebieden — daar waar ze de n van het meervoud altijd uitspreken, daar waar ze dat nooit of alleen maar soms doen. Ze laat sprekers in experimenten luisteren naar samenstellingen om te zien of ze de associatie maken met een meervoudige vorm. En ze gaat na of mensen bij het onzinwoord moelengarmik eerder denken aan de garmik van een moel of aan de garmik van moelen.

De conclusie is steeds dezelfde: Lees verder >>