Tag: woordvolgorde

Uit kracht dan van de bevoegdheid

Door Ton van der Wouden

Promotieplechtigheid aan de UvA. Bron: Wikimedia

“Het is de doem van de taalkundige om voortdurend met zijn objekt van studie gekonfronteerd te worden”, aldus de laatste stelling, behorende bij het proefschrift van Jack Hoeksema (Groningen 1984). Dat werd maar weer eens bewezen toen ik nietsvermoedend een Leidse promotie bijwoonde. De kandidaat had zich met succes door het rituele spel van vraag en antwoord geworsteld, de commissie had zich teruggetrokken voor beraad en had haar (commissie is toch vrouwelijk?) plaats weer ingenomen achter de tafel, en de promotor kreeg het woord voor de rite de passage van de doctor-wording. De uitgesproken formule culmineerde in de volgende slotzinnen:

Volgaarne aanvaard ik de taak, mij door de rector magnificus der universiteit opgedragen. [staande] Uit kracht dan van de bevoegdheid, ons bij wet toegekend, volgens het besluit van de commissie, hier tegenwoordig, verklaar ik bij dezen u, [naam voluit] te bevorderen tot doctor. Ten bewijze hiervan zal u het diploma, door rector, secretaris en promotor ondertekend en met het grootzegel der universiteit bevestigd, ter hand worden gesteld.

Al tientallen malen had ik die formule gehoord, maar voor de eerste keer realiseerde ik me dat er iets bijzonders aan de hand is met die tweede zin. Wat doet dat dan midden in de complexe voorzetselgroep uit kracht van de bevoegdheid, ons bij wet toegekend? Dit voorbeeld staat niet alleen, andere voorbeelden van dit soort voegwoordelijke bijwoorden of partikels in complexe voorzetselgroepen met een voorzetseluitdrukking als hoofd zijn gemakkelijk te vinden: 

Lees verder >>

Je werkwoorden op een rijtje zetten in de Nederlandse dialecten

Door Marc van Oostendorp

De onderzochte dialecten en hun basiswoordvolgorde

Dialecten zijn de fruitvliegjes van het taalonderzoek: omdat bijna iedere persoon net wat anders spreekt dan zijn buurman, heb je er een gigantische hoeveelheid van. Dat helpt om heel precies in kaart te brengen op wat voor manieren talen van elkaar kunnen verschillen.

Neem de volgorde van werkwoorden aan het eind van een zin. Het is helemaal niet moeilijk om een Nederlandse zin te laten eindigen op drie werkwoorden:

  • Ik vind dat iedereen moet kunnen zwemmen.

Nu kun je groepjes van drie dingen op zes manieren ordenen in een rij:

  1. Ik vind dat iedereen moet kunnen zwemmen. (1-2-3)
  2. Ik vind dat iedereen moet zwemmen kunnen. (1-3-2)
  3. Ik vind dat iedereen kunnen moet zwemmen.(2-1-3)
  4. Ik vind dat iedereen kunnen zwemmen moet. (2-3-1)
  5. Ik vind dat iedereen zwemmen moet kunnen. (3-1-2)
  6. Ik vind dat iedereen zwemmen kunnen moet. (3-2-1)
Lees verder >>

Hij heeft de foto’s zien gelaten

Door Henk Wolf

Een collega van me schrijft ‘sjenlitten’ altijd aan elkaar, alsof de Friese woorden sjen (‘zien’) en litten (‘gelaten’) samen één woord vormen. Dat is ook niet zo gek, want het is in het Fries niet meteen duidelijk of je nu met één of met twee werkwoorden te maken hebt.

Ik kan me best voorstellen dat ‘laten zien’ als betekeniseenheid wordt opgevat. Immers, die twee woorden samen betekenen vrijwel hetzelfde als het ene werkwoord ‘tonen’. Dan is het niet zo gek om ze als één werkwoord te gaan zien. De schrijfwijze van mijn collega verraadt dat zij in het Fries vermoedelijk zo denkt. Ik heb het voor de zekerheid nog even nagevraagd en inderdaad ervaart ze de twee als één woord.

Het voltooid deelwoord als lakmoesproef

In het Nederlands kun je veel makkelijker nagaan of je met één werkwoord te maken hebt of met twee. Anders dan in het Fries heeft het aantal werkwoorden namelijk invloed op de vorm van de voltooide tijd. Heb je in het Nederlands één werkwoord dat je in de voltooide tijd zet, dan krijgt dat de vorm van het voltooid deelwoord. Heb je twee werkwoorden, dan hebben ze allebei de vorm van de infinitief (het ‘hele werkwoord’). Zie het volgende voorbeeld: Lees verder >>

Anne sei dat er my hie sjoen

Door Marc van Oostendorp

Sommige dingen kun je nu eenmaal op verschillende manieren zeggen. Er lijkt bijvoorbeeld geen verschil of je nu

  • Anne zegt dat hij me gezien heeft.

zegt, of:

  • Anne zegt dat hij me heeft gezien.

De meeste mensen hebben het idee dat allebei de vormen grammaticaal zijn, en dat je ze allebei kunt zeggen (al vind je de ene vorm misschien wat vaker in de ene regio en de andere in de andere).

In het Fries is dat niet zo. Friestaligen hebben een duidelijke voorkeur voor de eerste vorm boven de tweede:

  • Anne sei dat er my sjoen hie.
  • Anne sei dat er my hie sjoen.

De tweede vorm vind je tegenwoordig ook wel, maar dat wordt dan meestal als een neerlandisme beschouwd: invloed van het Nederlands. Lees verder >>

Rodes Verb unn grienes Verb

Rotes Partizip? (W. Hagens, PD)

Ist Introspektion des Teufels, oder ist es die einzige Art, richtige Sprachwissenschaft zu machen? Diese Entscheidung möchten wir hier in unserem Blog auf keinen Fall treffen. Ab und zu entschließe ich mich aber dazu, mich selbst zu introspizieren. Und wie ich so in meinen Sprachfertigkeiten nachschaue, lässt sich der Dialekt meist schwer unterdrücken.

Die letzte Introspektion, an einem verregneten Donnerstagabend, brachte Erstaunliches über die niederländisch-saarländische* Syntax zutage.

Im Niederländischen unterscheidet man, das lernen recht schnell auch Anfänger, zwischen der sogenannten groene und rode werkwoordsvolgorde. Kommen in einem Nebensatz mehrere Verben vor, steht bei der “roten” Reihenfolge zuerst die konjugierte Form und danach das Partizip. Dies ist vor allem bei Hilfsverben wie hebben der Fall, kann aber auch bei Modalverben auftreten:


Lees verder >>