Tag: Willy Dols

Toen de phonologie in de N.R.C. stond

Door Marc van Oostendorp

Ooit waren fonologen – ik ben een fonoloog, ik bestudeer de klanken van het Nederlands – de grote helden van de taalwetenschap. In de jaren twintig en dertig kon je als jonge ambitieuze taalkundige niets beter doen dan fonologie bestuderen. Dát was waar de nieuwe taalwetenschappelijke inzichten konden worden bestudeerd! Dát was waar alle groten van, bijvoorbeeld, de Nederlandse taalkunde zich op richten.

In 1939 werd daarom de Phonologische Werkgemeenschap opgericht. Omdat de administratie daarvan eerst werd gedaan door P.J. Meertens en later door Jo Daan, die hoofd dialectologie was op het instituut waarvan Meertens de directeur was, bevinden die archieven zich op het Meertens Instituut. Het is voor een taalkundige een ontroerend moment om zo’n map open te slaan en daar zoveel bekende namen te zien: Nicolaas van Wijk, Jac. van Ginneken, Berend van den Berg, Klaas Heeroma, P.J. Meertens en Jo Daan; Branco van Dantzig, de ‘moeder van de logopedie’, die een paar jaar later in Auschwitz zou worden vermoord. Lees verder >>

Col: De ontdekking van de Limburgse korte i

Dit jaar was een klein beetje een Willy Dols-jaar. Dit jaar vierden we de honderdste geboortedag van deze Limburgse taalgeleerde, die zelf overigens maar 33 keer zijn verjaardag heeft mogen vieren voor hij in 1944 omkwam in een Duits kamp. Dols’ streekgenoot Lei Limpens publiceerde dit jaar een heel aardige biografie over Dols, die u overigens nog steeds kunt bestellen. Ik vatte dat in mijn eigen woorden samen in een artikel voor Onze Taal.

Deze week stuurde Limpens me op de valreep van het Dols-jaar nog een aardig nagekomen bericht: een onlangs teruggevonden brief die Dols in 1940 schreef aan de Leidse hoogleraar Nicolaas van Wijk. Met Limpens’ toestemming publiceer ik die brief nu als een pdf-bestand.

De Limburgse dialectologie is het onderzoeksgebied bij uitstek waar iedereen het permanent van harte met iedereen oneens is. Je bent geen goede kenner van het Limburgs als je niet denkt dat alle andere (‘zogenaamde’) kenners volstrekte idioten zijn. Het was dan voor mij ook even slikken om te merken dat ik het in de in deze brief aangeroerde kwestie volkomen met Dols eens ben.

Kort gezegd komt het op het volgende neer. Het standaard-Nederlands en de Nederlandse dialecten onderscheiden klinkers die ‘kort’ zijn van klinkers die ‘lang’ zijn. Je kunt dat onderscheid op twee manieren maken: door te meten hoeveel milliseconden de klinkers duren, of door te kijken naar in wat voor lettergrepen ze voorkomen. Korte klinkers kunnen door veel meer rijtjes medeklinkers gevolgd worden dan lange: je kunt wel arm, storm, kerm zeggen, maar geen aarm, stoorm, keerm.

Het gekke is dat die twee criteria niet altijd in overeenstemming zijn. Met name geldt dat voor zogenaamd ‘hoge’ klinkers zoals de ie. Als je die gaat meten is hij bijzonder kort, korter zelfs dan de juist genoemde ah, oh, eh; in het Limburgs bestaat er bovendien een lange versie van die ie-klinker. Tegelijkertijd kan die heel korte ie helemaal niet in zo’n ingewikkelde lettergreep staan.

In zijn brief schetst Dols een oplossing: de twee criteria gaan feitelijk over verschillende dingen. Je meet lengte, maar de mogelijkheid om er medeklinkers achter te plaatsen heeft te maken met iets wat Dols, in navolging van de invloedrijke structuralist Troebetskoj Silbenschnittkorrelation noemt. Precies diezelfde oplossing heb ik vijfenvijftig jaar later uitgewerkt in mijn proefschrift.

Ik ben het dus eens met een andere kenner van het Limburgs. Ik moet deze kerst maar eens goed nadenken wat er mis is met mij.

Lit: Te verschijnen: Willy Dols 1911-1944

Op 21 maart 2011 zal het honderd jaar geleden zijn dat de Sittardenaar Willy Dols geboren is. Hij was een veelbelovend geleerde die aan het einde van de Tweede Wereldoorlog op tragische wijze om het leven gekomen is. Tijdens zijn studie al publiceerde hij een aantal artikelen op taalkundig gebied waarin hij reeds blijk gaf van zijn grote interesse voor het Limburgse dialect. Zijn in 1953 postuum uitgegeven proefschrift wordt gerekend tot de beste die in Nederland ooit over een taalkundig onderwerp geschreven zijn.
De neerlandicus Lei Limpens heeft het leven van deze geleerde beschreven in een boek waarbij hij ook aandacht schenkt aan het wetenschappelijk werk van Willy Dols. Zo geeft de auteur voor een breed publiek een samenvatting van Dols’ gepubliceerde en niet-gepubliceerde werk, waaruit de brede belangstelling van deze erudiete geleerde blijkt. Verder onder andere de nog nooit gepubliceerde recensie van J.P.C. Kats, Het phonologisch en morphologisch systeem van het Roermondsch dialect uit1939. Tenslotte hebben de hoogleraren Marc van Oostendorp, Ben Hermans en Carlos Gussenhoven als hommage aan hun collega uit het begin van de Twintigste Eeuw een artikel geschreven over een aspect van het Limburgse dialect.
Medio maart 2011 zal de presentatie van het boek plaatsvinden. U kunt hier al intekenen voor het boek.

Sittardse diftongering

Door Marc van Oostendorp

Als er één taalkundig leven verfilmd moet worden, is het dat van Willy Dols. Een lange film hoeft het niet te worden.

Dols schreef vlak voor de oorlog een proefschrift bij Jac. van Ginneken over diftongering in het Sittards. Van Ginneken vond dat proefschrift briljant, en hij probeerde zijn leerling al voor de verdediging een baan te bezorgen. Sterker nog, zelfs voordat Dols afstudeerde, was er al een hoogleraarspost voor hem geregeld in Estland. Jammer genoeg voor Dols kreeg hij, toen de zaak bijna rond was, concurrentie van de Duitse Exil-geleerde Agathe Lasch. Dat leverde nogal wat vertraging op. Voordat de Esten konden beslissen, vielen de Duitsers hun land binnen en werd de hoogleraarspost opgeheven. Dit was nog geen onoverkomelijke ramp — een paar maanden later kreeg Dols al een nieuwe baan aangeboden: lector Nederlands in Praag. Als voorbereiding op die baan stortte Dols zich op de studie van het Tsjechisch bij de beroemde Leidse slavist Nicolaas van Wijk. Toen vielen de Duitsers ook Tsjechië binnen.

Niet lang daarna was heel Europa in oorlog geraakt. Willy Dols schreef aan zijn proefschrift en werkte ondertussen als leraar op een paar middelbare scholen in Limburg. In het voorjaar 1944 zag Van Ginneken zijn emeritaat naderen en bepaalde in een notitie dat Dols hem dan maar moest opvolgen in Nijmegen. Dols besloot toen tijdens zijn zomervakantie zijn proefschrift in Arnhem te voltooien. Lees verder >>