Tag: wetenschapsfilosofie

Zijn er feiten zonder experimenten?

Door Marc van Oostendorp

 

‘Kurt Gödel’

Kurt Gödel staat algemeen bekend als de auteur van de stelling van Gödel, die dan ook naar hem is genoemd. Stel echter dat de stelling eerder blijkt te zijn bedacht en bewezen door een zekere Schmidt, die onder verdachte omstandigheden stierf voor hij zijn resultaten bekend kon maken. Die resultaten kwamen vervolgens in handen van Gödel, die er goede sier mee maakte. De vraag is nu naar wie verwijst de naam Gödel in de naam van de stelling? Naar de persoon die de stelling van Gödel heeft bedacht (dus Schmidt), of naar de persoon die diefstal heeft gepleegd?

De theorie van namen van de zeer invloedrijke filosoof Saul Kripke is gebaseerd op het idee dat in dit geval Gödel de naam was van de dief. Hij bewees zijn theorie met het bovenstaande verhaaltje: een gedachtenexperiment. Het lijkt volkomen absurd om te zeggen dat onder deze omstandigheden Schmidt Gödel heet.

Zo’n gedachtenexperiment werkt als volgt: je bedenkt een verhaaltje en je bedenkt wat de plausibele uitkomst is. Die zet je dan in een boek en iedereen is overtuigd van de waarde van jouw theorie. Lees verder >>

Schoonheid is begrijpelijkheid

Door Marc van Oostendorp

Een curieus verschijnsel is dat wetenschappers hun grote ideeën eigenlijk alleen nog uitdrukken in boeken voor een breder publiek. Hoe zit het universum precies in elkaar? Wat zijn de grenzen aan de wetenschap? Nooit schrijft iemand een wetenschappelijk artikel over die vragen, terwijl het artikel eigenlijk de enige vorm is waarin je in veel wetenschappen je ideeën nog uiteenzet.

Echte wetenschap gaat daarom zelden over de vragen die ten grond liggen aan de wetenschap, de aannames die je doet om uberhaupt tot enig resultaat te kunnen komen. Echte wetenschap bestaat vaak uit een betrekkelijk klein resultaat dat bereikt is op basis van impliciete aannames.

Het nieuwe boek van de Duitse natuurkundige Sabine Hossenfelder (ik schreef hier al eens over een blog van haar) gaat dan ook over een belangrijke vraag: heeft het verlangen naar ‘schoonheid’ de theoretische natuurkunde niet op het verkeerde pad gebracht?  Lees verder >>

Poëtisch naturalisme

Door Marc van Oostendorp

Hoe het met jullie is, weet ik niet, maar boeken die Het Grote Plaatje heten, kan ik niet laten liggen, vooral als de ondertitel dan ook nog belooft dat het boek gaat over de ‘oorsprong van het leven, van betekenis en van het universum zelf’.

Want dat wetenschappers belachelijk weinig aan het grote plaatje toekomen, dat is duidelijk. Er wordt heel wat afgepriegeld in de laboratoria en achter de leestafels van de geleerde wereld. Dit artikel moet nog echt even worden aangepast aan de eisen van de reviewers om meer verwijzingen naar literatuur; daar moet iemand een keynote voorbereiden voor een internationaal congres; en hier probeert iemand dagenlang met veel geduld te achterhalen hoe het precies zat met de correspondentie van Agatha Deken.

En ondertussen schrijft bijna niemand ooit een boek over hoe het grote plaatje precies in elkaar zit. Wat weten we nu eigenlijk van de wereld. Lees verder >>

Komt de wetenschap tot stilstand?

Door Marc van Oostendorp

Is de wetenschap wel zo’n beetje ten einde? Met die curieuze vraag houdt de Amerikaanse wetenschapsjournalist John Horgan zich al een tijdje bezig. Hij schreef er onlangs weer een artikel over voor het tijdschrift Scientific American, waarin hij een groot aantal bewijzen aanvoert, zoals deze grafiek: hoe meer wetenschappers er in de afgelopen decennia kwamen, des te minder resultaten (patenten, bijvoorbeeld) kwamen er.

In de moderne wetenschap wordt steeds meer in steeds grotere teams gewerkt, die eigenlijk niet zo heel veel meer opleveren dan de enkeling op zijn zolderkamertje vroeger vermocht. Bovendien moeten mensen steeds langer en specialistischer worden opgeleid om nog iets te presteren. Dat houdt ooit op: ooit wordt het zo kostbaar om nog iets nieuws te vinden, dat de mensheid het beter kan opgeven. Lees verder >>

Het probleem van professionalisme in de wetenschap

Door Marc van Oostendorp

Natuurkundigen mogen dingen die jij en ik niet mogen (tenzij jij natuurlijk natuurkundige bent, dat kan ik van hieruit niet goed zien). Ze mogen er bijvoorbeeld op wijzen dat de wetenschap een veel rommeliger bedrijf is dan veel mensen denken – ook veel wetenschappers. Dat er helemaal niet zulke vaste regels en procedures zijn om de waarheid te vinden als veel mensen denken  – ook veel wetenschappers.

Dit artikel van de astrofysicus Adam Becker op de mooie website Aeon is een goed voorbeeld. Welsprekend legt hij uit dat het een misverstand is dat wetenschappelijke beweringen altijd falsifieerbaar (weerlegbaar) moeten zijn, zoals geloof ik in eerstejaarscolleges wetenschapsfilosofie bij de sociale wetenschap nog wordt rondgebazuind. Het ideaalbeeld van die eerstejaarscolleges is: je doet als wetenschapper een voorspelling en als na meting blijkt dat die voorspelling onjuist is, moet je je theorie verwerpen. Niemand doet dat, laat Becker zien (zoals dat al decennia wordt aangetoond overigens): als een meting niet in overeenstemming is met je voorspelling kan dat aan een verkeerde meting liggen, of een onjuiste achtergrondaanname, of aan heel veel andere dingen. Becker geeft er een aantal aardige voorbeelden van uit zijn eigen vak, de sterrenkunde. Lees verder >>

Red ons van de normale taalwetenschap

Door Marc van Oostendorp

Het is een eigenaardig artikel, dat Morten Christiansen en Nick Chater onlangs publiceerden in het prestigieuze Nature Human Behaviour. Ze verbinden twee dingen aan elkaar die op het eerste gezicht niet veel met elkaar te maken hebben. In de eerste plaats constateren ze dat de taalwetenschap versnipperd is geraakt en roepen ze op tot meer geïntegreerde taalwetenschap. In de tweede plaats vinden ze dat we af moeten van de taaltheorie van Noam Chomsky.

Hoezo? Staat die taaltheorie dan integratie in de weg? Voor zover ik kan zien, is daar geen sprake van, en de auteurs dragen ook geen echte argumenten voor aan deze toch opmerkelijke stelling. Er worden of zijn in de loop van de tijd onderzoeken gedaan naar taal in het brein, taal in de vroegste fasen van het mensenleven, taal in ontwikkeling, taal in variatie, taal in de samenleving en noem maar op die op de een of andere manier aansloten op die theorie van Chomsky. Die theorie kan daarom best fout zijn – gegeven de feilbaarheid van de mens is dat zelfs zeer waarschijnlijk – maar om te zeggen dat deze inherent de integratie van de taalwetenschappen stuit, dat lijkt mij nu echt klinkklare onzin. Het past geloof ik vooral in een techniek die taalonderzoekers al decennia gebruiken om aandacht te trekken: te beweren dat ze nu definitief afrekenen met Chomsky, want die kennen de meeste mensen tenminste. Beweren dat je afrekent met Marc van Oostendorp heeft veel minder dat effect. Lees verder >>

Goed voornemen: naar meer lezingen gaan

Door Marc van Oostendorp

attachment-1-36Terwijl jullie in je huisje in Center Parksbezig waren nog snel wat A-artikelen te schrijven om op je CV te kunnen zetten, publiceerde Yves T’Sjoen een hartekreet in Knackwaarin hij zich erover beklaagde dat hij bij zijn collega-letterkundigen steeds meer ambitie ziet, en steeds minder nieuwsgierigheid; steeds meer belangstelling in ‘randfenomenen van de literatuur’ waarmee je makkelijk bij het hogere management kunt scoren, en steeds minder ‘brede focus, belezenheid en vooral verwondering’.

T’Sjoen organiseerde bijvoorbeeld onlangs een lezing door een bekende schrijver én neurowetenschapper, Jan Lauwereyns. Daar kwamen slechts drie mensen op af. Voor de anderen was het ‘niet relevant voor het onderzoek’. Dat voorbeeld komt uit Gent, maar het is niet moeilijk om deze aan te vullen met voorbeelden van andere Vlaamse en Nederlandse onderzoeksinstellingen, en niet alleen op het gebied van de letterkunde.

Lees verder >>

Een goed jaar voor neerlandistieknijdlijders

Door Marc van Oostendorp

Het is maar goed dat ik niet slim genoeg was om natuurkunde te studeren, anders had ik nu ongetwijfeld enorm te kampen met neerlandistieknijd (‘de ~. -enjaloers gevoel gericht tegen beoefenaren van de neerlandistiek (zie aldaar).’) Zoals de zaken er nu voorstaan, kamp ik gelukkig alleen met natuurkundenijd, en dat is nog wel te doen.

Maar de natuurkunde is natuurlijk de koningin van de wetenschappen: er is in ieder geval zover dat soort dingen te meten zijn geen wetenschapsgebied waar de theorievorming zo ver gevorderd is. Er zijn niets dat we beter begrijpen, kunnen modelleren en beheersen dan de levenloze natuur. Precies daarom zijn discussies in dat vak zo interessant voor iedere liefhebber van de wetenschap.

Nu is in dat vak onlangs de discussie over de zogenoemde snaarheorie pas echt goed losgebarsten. Althans, al een jaar of tien geleden kon je af en toe ook als niet-natuurkundige kritische geluiden horen over de grote populariteit van die theorie, maar sinds dit jaar lijkt de discussie pas echt losgebarsten.

Lees verder >>

De frontale cortex levert onderzoeksgeld op

Door Marc van Oostendorp


Een psychologische verklaring wordt plausibeler als in die verklaring neurowetenschappelijke termen worden gebruikt, zoals frontale cortex of gebied van Broca of pFC – ook als die termen alleen maar staan in speciaal toegevoegde stukjes die logischerwijs niets bijdragen aan de verklaring. Dezelfde truc werkt niet met termen uit de sociale wetenschappen (stimulus for social interaction) of uit de natuurwetenschappen (FOX2P). Dat blijkt uit een nieuw artikel in het Journal for Cognitive Neuroscience.

De auteurs deden een onderzoek waarin studenten verklaringen van psychologische verschijnselen moesten lezen die dus onder andere op deze manier gemanipuleerd werden. De auteurs van het onderzoek concluderen uit de resultaten dat het niet alleen gaat om het wetenschappelijke prestige van de neurowetenschap, want dan zouden de (andere) natuurwetenschappen ook goed doen.

Lees verder >>

Geesteswetenschappennijd

Door Marc van Oostendorp

Geen groter geluk voor de hedendaagse academicus dan lange vliegreizen waarin je naast een kritisch ingestelde natuurkundige blijkt te zitten.

De mijne was een Amerikaans-Japanse vrouw op doorreis naar Engeland, waar ze een congres ging toespreken over “een theoretische vorm van vastestoffysica.”

Net als iedere moderne onderzoeker die ook maar enigszins bij zijn volle verstand was, lijd ik aan een lichte vorm van natuurkundenijd, dus na een paar minuten begon ik haar te overladen met al mijn woeste wensdromen over hoeveel beter alles is in de natuurkunde dan in de taalwetenschap. Hoe mooi hun theorieën zijn, en hoe stevig daarmee hun fundament. Hoe mensen begrijpen wat onderzoek doen betekent, en ook de buitenwereld dat moeiteloos inziet.

Maar het was volgens haar helemaal niet beter.
Lees verder >>