Tag: werkwoordstijden

Vroeger was ik nu te oud geweest voor tv

Door Marc van Oostendorp

Caroline Tensen nu in 1989.
Bron: Wikmedia

Een intrigerend paradoxale kop boven een artikel in Het Parool: ‘Vroeger was ik nu te oud geweest voor tv’. Hij staat boven een interview met de 55-jarige presentatrice Caroline Tensen en bevat twee tijdsverwijzingen die elkaar op het eerste gezicht tegenspreken (vroeger en nu) en is onder andere intrigerend doordat je desalniettemin onmiddellijk begrijpt wat Tensen bedoelt. Het wordt in het stuk zelf door Robert ten Brink geparafraseerd op een manier die de paradox opheft: “Tien jaar geleden was het (…) onmogelijk dat iemand van mijn leeftijd bij [tv zou werken]”. (Hoewel dit nog steeds dubbelzinnig is, en de dubbelzinnigheid alleen wordt opgelost als je zegt ‘mijn huidige leeftijd’.)

Er worden dus twee tijdmetingen naast elkaar gebruikt. Vroeger verwijst naar de ‘objectieve’ kalendertijd (‘tien jaar geleden’), en nu naar de persoonlijke tijdsontwikkeling (‘iemand van mijn leeftijd’). Bovendien weet iedereen onmiddellijk welk woord naar welke tijdsontwikkeling verwijst. De zin kan niet betekenen: Het is momenteel onmogelijk dat iemand die net zo oud is als ik tien jaar geleden bij de tv zou werken.

Lees verder >>

Na de tegenwoordige tijd

Door Emma Kemp

“Mijn vader was groot fan van de Rolling Stones”. Hij heeft geen hekel gekregen aan de Rolling Stones, wel is hij overleden.

Zo veranderlijk als de mens

Omdat een overlijden eigenlijk altijd heel plotseling is, kunnen je woorden deze verandering soms niet bijbenen. Juist omdat het spreken over iemand in de tegenwoordige tijd jarenlang de werkelijkheid geweest, is het zo vreemd om na iemands dood direct een omslag te maken naar de verleden tijd. Bij een overlijden worden van het ene op het andere moment zinnen die eerst nog waar waren, onwaar, ook al is er niets aan de constructie veranderd.

Lees verder >>

Een foto van gaan en zullen

Door Marc van Oostendorp

Een van de interessante aspecten van taalverandering is dat ze niet in één klap gebeurt. Nooit is voorgekomen dat een heel land op een ochtend opstond en eensgezind de woorden op een andere manier gebruikte. Het is eerst een klein groepje die de woorden in sommige omstandigheden anders gebruikt, en gaandeweg breidt het gebruik zich uit: meer mensen, meer omstandigheden.

En dat zich uitbreiden kan soms eeuwenlang voortduren: een periode die de generaties omspant en waarin mensen soms het ene zeggen, en dan het andere.

Zo zit het met gaan, dat gaandeweg (haha) de plaats van zullen aan het overnemen is: niet meer ik zal komen’, maar ‘ik ga komen’. In een inmiddels grijs verleden zei iedereen het eerste, en als de zaken blijven voortgaan zoals ze nu gaan zal in een betrekkelijk ver verleden iedereen het tweede zeggen. Ondertussen zitten we in een situatie waar de meeste mensen allebei de dingen soms zeggen – de ene vorm meer dan de andere. (Vlaanderen loopt enigszins voorop in het gebruik van gaan.) Lees verder >>