Tag: werkwoorden

Die vragenlijst met van die onzinwoorden

Door Marijke De Belder

Twee weken geleden vulde u misschien een vragenlijst met onzinwoorden in op Taalpost. In deze tekst krijgt u daarbij een kijkje achter de schermen. Wat heb ik getest en waarom, hoe is het verlopen en wat zijn de resultaten? U vindt het hieronder. 

In 1989 observeerde Mieke Trommelen dat de stam van een ongeleed Nederlands werkwoord uit slechts één lettergreep kan bestaan. Samen met de infinitiefuitgang -en maakt dat dus twee lettergrepen, zoals in werken, kussen, fietsen en botsen. De enige uitzondering zijn werkwoorden waarvan een tweede lettergreep –er of –el is, zoals in fluisteren of stamelen

Werkwoorden die we (soms via het Duits of het Engels) uit de Romaanse talen hebben geleend zoals produceren en creëren vallen niet onder haar stelling. Tenslotte zijn die wél geleed. Dat wil zeggen, ze bestaan altijd uit minstens twee woorddelen, zoals produc- en -eer in produceer

Lees verder >>

Je werkwoorden op een rijtje zetten in de Nederlandse dialecten

Door Marc van Oostendorp

De onderzochte dialecten en hun basiswoordvolgorde

Dialecten zijn de fruitvliegjes van het taalonderzoek: omdat bijna iedere persoon net wat anders spreekt dan zijn buurman, heb je er een gigantische hoeveelheid van. Dat helpt om heel precies in kaart te brengen op wat voor manieren talen van elkaar kunnen verschillen.

Neem de volgorde van werkwoorden aan het eind van een zin. Het is helemaal niet moeilijk om een Nederlandse zin te laten eindigen op drie werkwoorden:

  • Ik vind dat iedereen moet kunnen zwemmen.

Nu kun je groepjes van drie dingen op zes manieren ordenen in een rij:

  1. Ik vind dat iedereen moet kunnen zwemmen. (1-2-3)
  2. Ik vind dat iedereen moet zwemmen kunnen. (1-3-2)
  3. Ik vind dat iedereen kunnen moet zwemmen.(2-1-3)
  4. Ik vind dat iedereen kunnen zwemmen moet. (2-3-1)
  5. Ik vind dat iedereen zwemmen moet kunnen. (3-1-2)
  6. Ik vind dat iedereen zwemmen kunnen moet. (3-2-1)
Lees verder >>

De checkout en het uitchecken

door Henk Wolf

Een poosje geleden zat ik in een hotel in Duitsland. Zoals alle hotels had ook dit hotel een tijdstip vastgesteld waarop de gasten op hun laatste dag aan hun verplichtingen moesten hebben voldaan (sleutel inleveren, afrekenen etcetera). Al die verplichtingen heetten volgens het informatieboekje de Checkout en het bijbehorende werkwoord was auschecken.

Dat lijkt in Duitse hotels een patroon te zijn: het zelfstandig naamwoord is ook weleens Auscheck, maar zeker zo vaak is het helemaal Engels, terwijl het werkwoord doorgaans verder wordt verduitst.

In Nederlandse hotels lijkt er wat meer variatie te zijn tussen checkout en uitcheck, maar het werkwoord is ook in het Nederlands naar mijn indruk veel vaker het deels vertaalde uitchecken dan outchecken.

Lees verder >>

Ik kunnen niet, meester!

Door Roland de Bonth

In de Nederlandse literatuur neemt humor een belangrijke plaats in. Om deze bewering te staven, stelde uitgeverij Novella in 1991 een bloemlezing samen met humoristische verhalen van (vooraanstaande) Nederlandse auteurs. Zo treffen we er stukken in aan van onder anderen Rudy Kousbroek, Simon Carmiggelt, Bob den Uyl, Maarten Biesheuvel, Gerrit Komrij, Remco Campert en Jules Deelder. Literaire slapstick was de titel die de samenstellers aan deze verzamelbundel gaven. Een ietwat ongelukkige titel want niet alle humor is slapstick, en niet alle slapstick is humor.

Humor is een lastig begrip. Lag het publiek vroeger in een deuk bij de verhaaltjes die Godfried Bomans voorlas, tegenwoordig doen zijn voordrachten ons hoogstens enigszins glimlachen. Bovendien is humor niet alleen tijdgebonden maar ook persoonsgebonden. Wat de een bijzonder grappig vindt, is voor de ander een flauwiteit. Lees verder >>

Xantippe wordt een werkwoord

Simon de Vries en zijn Seldsaemheden der liefde

Door Peter Altena

Wie leest nog Simon de Vries? De Utrechtse veelschrijver, die zijn gloriejaren kende in de laatste decennia van de zeventiende eeuw, was in de laatste decennia van de achttiende eeuw voor Gerrit Paape een rolmodel, omdat hij zo véél schreef.

In het laatste decennium van de twintigste publiceerde Arianne Baggerman een prachtboek over Simon de Vries. Het boek van Baggerman is getiteld Een drukkend gewicht. Leven en werk van de zeventiende-eeuwse veelschrijver Simon de Vries, het kwam uit in 1993 en mij heugt nog dat ik het boek met rode oortjes las. Een geweldig boek, met kleine slordigheden die de keerzijde vormen van de tomeloze vertelvaart van het boek, en een bijzonder pleidooi voor De Vries. Lees verder >>

Methaan schetende koeien

Door Marc van Oostendorp

Een belangwekkende kwestie weer, onlangs op Meldpunt Taal. Iemand meldde:

In de Groene Amsterdammer van deze week werd ‘scheten’ als transitief werkwoord gebruikt. De precieze zin weet ik niet meer, maar er stond zoiets als ‘methaan schetende koeien’.

(Het bedoelde stuk staat hier; het gaat inderdaad precies over “methaan schetende koeien”) En iemand reageerde daar binnen een paar uur op:

Volgens mij is ‘scheten’ ook intransitief geen bestaand werkwoord. Het is alleen het meervoud van scheet.

Eerst over dat laatste. Wat leven mensen toch in een wonderlijke wereld dat ze een woord voor zich kunnen zien – het staat afgedrukt in een respectabel tijdschrift, en iemand op internet heeft het erover – en dan doodleuk kunnen beweren dat het ‘niet bestaat’. Als het niet bestaat, hoe kan het daar dan staan? Lees verder >>

Hard aaien

Door Marc van Oostendorp

Soms moet een mens kracht uitoefenen en soms moet een mens het daarover hebben. Je kunt bijvoorbeeld iets of iemand slaan, of duwen of aaien. Over dat soort werkwoorden gaat het proefschrift waarop Anja Goldschmidt vorige maand in Utrecht promoveerde.

Je kunt die werkwoorden op verschillende manieren onderverdelen, zegt Goldschmidt. Er zijn bijvoorbeeld acties waarvoor langdurig contact nodig is (zoals duwen en trekken) en acties die in een oogwenk kunnen gebeuren (zoals slaan). Maar het interessantst is de onderverdeling in werkwoorden die meer of minder kracht vereisen. Persen veronderstelt bijvoorbeeld meer kracht dan duwen: je lippen samenpersen geeft meer kramp dan je lippen samenduwen.  Lees verder >>

Het werkwoord VARren

Door Marten van der Meulen

Ik was de afgelopen dagen in Engeland, en dus volgde ik het WK voetbal op de BBC. Ik begon er lekker een beetje in te komen: spannende wedstrijden, rare regels (door op gele kaarten), ik vermaakte me prima. En er is altijd de kans op een leuke taaluiting: voetbal staat bekend om z’n nieuwe woorden, uitdrukkingen in een nieuw jasje en heel specifieke interpretaties. En inderdaad: op een gegeven moment zag ik zowaar een werkwoord dat ik nooit eerder had gezien!

Hoera! In het Engels, ok, maar je kunt er donder op zeggen dat dit woord in deze betekenis ook in het Nederlands wordt gebruikt. Daar hadden we natuurlijk die geschreven vorm al wel. ‘Varren’ is simpelweg het meervoud van ‘var’, wat ‘jonge stier’ betekent (vooral bekend uit de bijbel). Als werkwoord bestond dit echter nog niet, en bovendien heeft het een andere herkomst.  Lees verder >>

Zelfstandig naamwoorden vertragen

Door Marc van Oostendorp

Slecht nieuws voor de liefhebber van het zelfstandig naamwoord: werkwoorden zijn gemakkelijker uit te spreken. Dat blijkt uit een nieuw artikel in het tijdschrift PNAS door de Amsterdamse onderzoeker Frank Seifart en een groep  collega’s.

Seifart deed iets wat op het eerste gezicht heel eenvoudig was: hij analyseerde geluidsopnamen van sprekers van zes heel verschillende talen: niet alleen Nederlands en Engels, maar ook twee indianentalen uit Latijns Amerika (Bora en Baure), en twee uit Noord-Amerika (Hoocąk), een Eskimotaal (Even) en een taal uit de Himalaya (Chintang). Lees verder >>

Anne sei dat er my hie sjoen

Door Marc van Oostendorp

Sommige dingen kun je nu eenmaal op verschillende manieren zeggen. Er lijkt bijvoorbeeld geen verschil of je nu

  • Anne zegt dat hij me gezien heeft.

zegt, of:

  • Anne zegt dat hij me heeft gezien.

De meeste mensen hebben het idee dat allebei de vormen grammaticaal zijn, en dat je ze allebei kunt zeggen (al vind je de ene vorm misschien wat vaker in de ene regio en de andere in de andere).

In het Fries is dat niet zo. Friestaligen hebben een duidelijke voorkeur voor de eerste vorm boven de tweede:

  • Anne sei dat er my sjoen hie.
  • Anne sei dat er my hie sjoen.

De tweede vorm vind je tegenwoordig ook wel, maar dat wordt dan meestal als een neerlandisme beschouwd: invloed van het Nederlands. Lees verder >>

Ligt of staat het boek op tafel?

Help mee met het in kaart brengen van de keuze tussen liggen en staan

Door Heleen de Vries

Anderstaligen verbazen zich vaak over het Nederlandse gebruik van de werkwoorden ‘liggen’, ‘staan’ en ‘zitten’ voor levenloze dingen. Zo zit een boek in je tas, ligt het op tafel, maar staat het op de boekenplank. In veel andere talen worden deze werkwoorden alleen voor mensen gebruikt en combineren voorwerpen met het werkwoord zijn, Dus in het Engels kan Trump wel op een stoel zitten, maar een boek kan daar niet in je tas zitten: die is erin. Die verplichte keuze tussen liggen, zitten en staan is voor tweedetaalverwervers lastig. Moet je nu zeggen het boek op tafel staat,ligt of zit, en waarom? Lees verder >>

Meenge mooie meid heeft door de domme, lange nacht

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (144)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Verlangen

Meenge mooie meid heeft door de domme, lange nacht,
naar het naakte bijzijn van de minnaar smartelik getracht,
zij heeft in de grote leegte van haar wit bed, de peluw gekust,
als wilde ze zijn matte hoofd in rust gesust.

Haar hoofd was ongerust te midden van de wilde haregeur,
haar armen grepen, bang begeren, om’t onzekere genot
dat zich niet bieden wou, als een wrang gebod
aan haar verlangen, door de nacht, – ’n weerstandloze deur. –

Haar vingren koesterden de naaktheid van het eigen lijf en rilden;
het eigen lijf dat onvoldaan bleef en vermoeid, onder het geheim
van deze koestering; de nacht, als één levende adem, trilde.

Haar adem ging opgelost in de nachtelike adem,
haar verlangen tot de eindelike slaap gesmacht.
Meenge mooie meid door de zware, zwoele nacht.

(Paul van Ostaijen)

Er is een bepaalde manier van verleden tijden gebruiken bij het vertellen van verhalen die langzaam maar zeker ten onder dreigt te gaan. In dit gedicht van Paul van Ostaijen wordt hij nog in volle glorie gepresenteerd.

Ik kreeg er onlangs een e-mail over: Lees verder >>

Zag mij!

Door Marc van Oostendorp

Elektronische post uit het oosten van Nederland! Hoe staat de taal er daar voor, volgens onze correspondent ter plaatse?

Mijn zoon (7) en mijn dochter (13) hoor ik iets zeggen dat mijn dochter (19) niet zegt: ‘Zag mij!’. Of ‘zag mijn gezicht!’
Ze geven ermee aan dat de gezichtsuitdrukking of de handeling alweer in het verleden ligt. Eigenlijk dus: ‘heb je gezien dat…’ Of: ‘Heb je mijn gezicht gezien?’
Even vroeg ik me af of ze dit elkaar hebben aangeleerd, en het dus iets is van binnen onze sibbe. Maar ik hoorde het een vriendinnetje van mijn dochter (ook 13) ook zeggen, en op het schoolplein van mijn jongste hoorde ik het een kind zeggen dat voor zover ik weet niet bevriend is met mijn zoon.

Als ik het op Twitter navraag, blijken anderen het wel te herkennen, al is het een beetje moeilijk de constructie af te baken. Ze is natuurlijk interessant omdat het lijkt te gaan om een gebiedende wijs in de verleden tijd. Lees verder >>

Woordsoorten zijn raadsels

Door Marc van Oostendorp

attachment-1-4Er zijn onderwerpen in de taalkunde waarover we na duizenden jaren theoretiseren nog steeds weinig weten. Woordsoorten zijn zo’n onderwerp.

Het is in het Nederlands duidelijk zinnig om bijvoorbeeld werkwoorden (lopenslapen) te onderscheiden van zelfstandig naamwoorden (wandeling, bed). De eerste twee hebben bijvoorbeeld een verledentijdsvorm (liepen, sliepen) en de tweede twee niet; maar die kunnen dan weer met een lidwoord gecombineerd worden (de, het) wat bij de eerste twee niet mogelijk is. Alleen al die observatie maakt het nuttig om het onderscheid te maken.

Het onderscheid is al heel oud, en komt oorspronkelijk uit de studie van het Latijn en het Grieks; het werkt in ieder geval voor de moderne Europese talen nog steeds heel goed. Maar als we voorbij deze simpele constateringen willen komen, houdt onze kennis al snel op. Lees verder >>

Geluisterde podcasts

Door Marc van Oostendorp


Als iemand aan mij vraagt wat ik luister, aarzel ik onwillekeurig even. Op een pagina van de zakenwebsite NRCQ  gebeurde het gisteren een paar keer. Luisteren werd gebruikt met een lijdend voorwerp:

  • Deze veertien podcasts moet je luisteren vandaag
  • Wat luister jij op weg naar je werk?
Ik weet dat andere mensen dat zeggen, maar ik zou zelf geloof ik ofwel beluisteren gebruiken, of, waarschijnlijker, het voorzetsel naar. 

De visueel ingestelde mens!

Door Marc van Oostendorp


Ik ben er nu ook voor de visueel ingestelde mens, en dus voor iedereen! Althans, dat beweerde de taalkundige Sterre Leufkens onlangs. In een blog over haar proefschrift, schreef zij:

Voor de visueel ingestelde mens is hier nog een samenvatting van mijn proefschrift te vinden in de vorm van een videoblog, door prof. Marc van Oostendorp.

Twee dingen vallen op bij die ‘visueel ingestelde mens’. In de eerste plaats is niet duidelijk op welke manier een video nu meer ‘visueel’ is dan een geschreven weblog. Bij een video valt op zijn minst ook nog wat te horen, terwijl Sterres weblog geen krimp geeft, hoe hard je er ook op trommelt. Bovendien is op die video van mij eigenlijk niet veel meer te zien dan mijn pratende hoofd. Alle uitleg komt via je oren. En toch klinkt het op de ene of andere manier logisch, om te zeggen dat zo’n video meer geschikt is voor de visuele medemens dan een tekst – waarschijnlijk omdat een geschreven tekst niet beweegt, en ik wel, als ik praat.

In de tweede plaats zijn eigenlijk alle mensen visueel ingesteld. Dat blijkt uit onderzoek dat een groep Nijmegenaren gisteren publiceerde <persbericht>: over de hele wereld praten mensen veel en veel vaker over wat ze zien dan over wat ze horen, ruiken, voelen of proeven.
Lees verder >>

‘Oo’ als teken van de verleden tijd

Door Marc van Oostendorp


Ik kan toveren: wat is de verleden tijd van breulen? Ik weet dat je dat werkwoord nog nooit hebben gehoord, ik heb het namelijk zojuist zelf verzonnen, en toch kan ik raden welke vorm je kiest. Sterker nog, ik weet wat jullie tweede keus zal zijn. Dat komt doordat ik een artikel heb gelezen van de Groningse onderzoekers Remco Knooihuizen en Oscar Strik. 

De eerste keus is natuurlijk breulden: die zogeheten ‘zwakke’ vervoeging met de uitgang –den (of -ten, maar die is hier niet van toepassing heeft zeker bij nieuwe werkwoorden de voorkeur. Sommige werkwoorden hebben een ‘sterke’ vervoeging, waarbij de klinker verandert: eten wordt at, grijpen wordt greep. Mensen zijn minder geneigd om zo’n klinkerverandering toe te passen op nieuwe werkwoorden, we gebruiken hem sowieso vooral bij veelvoorkomende werkwoorden: eten heeft wel een sterke vorm, maar nuttigen en consumeren niet.
Maar als ik je nu dwing om wél zo’n klinkerverandering te kiezen, welke zou dat dan zijn? Volgens Knooihuizen en Strik wordt het dan brool. 

Lees verder >>

Wat we nog niet weten over het werkwoord (2)

Krijgen als lijdende vorm

Door Marc van Oostendorp

Het Nederlands is een van de best onderzochte talen ter wereld, en toch is er van alles en nog wat dat we niet begrijpen. Neem het werkwoord krijgen, bijvoorbeeld in de volgende zin:

– Marc krijgt een pdf’je (van Hans)[1]

Marc is in die zin het onderwerp, toch? Ja, volgens de schoolgrammatica wel. Maar volgens het binnenkort te verschijnen 1500 pagina’s deel Verbs and verb phrases van Hans Broekhuis’ Syntax of Dutch zijn er wat vreemde dingen mee aan de hand. (Ik ben een serietje aan het maken over enkele van de open plekken in onze kennis die Broekhuis aanwijst; welkom en goedemorgen.)

Zo kun je van onderwerpen vaak een zelfstandig naamwoord maken door er –er achter te plakken: Ilja schrijft, dus is hij een schrijver; Menno bakt, dus is hij een bakker. Beiden dragen baarden en zijn dus baarddragers. Maar door pdf’jes te krijgen ben ik nog geen krijger.

Lees verder >>