Tag: tijdschriften

Nieuwe editie Taalschrift is verschenen

De nieuwe editie van Taalschrift staat online.

Met in deze editie:

  • Ooit spraken Nederlanders en Vlamingen dezelfde taal
    Honderd jaar geleden kon je het verschil tussen een Nederlander en een Vlaming nauwelijks horen. Nu wel. Wat is er in die tijd gebeurd? Om welke uitspraakverschillen gaat het en hoe evolueren ze? Taalschrift vraagt het aan twee taalkundigen: één uit elk taalgebied.
    LEES VERDER »

  • Ook in sporttaal kun je niet blijven overdrijven 
    “Als Usain Bolt de honderd meter loopt in 9.59 seconden, dan schrijft de sportpers: ‘Sneller dan het licht!’ Wat gaan ze verzinnen als iemand anders dat record breekt?”, vraagt Wim De Jonge zich af. “Sportjournalisten pompen hun taal zo op dat er een Big Bang van moet komen.” Weg met die hypertaal?
    LEES VERDER »
En verder:

Lees verder >>

Loopbaan in de Lage Landen – Tijdschrift De Zeventiende Eeuw nu vrij toegankelijk online

Sociale mobiliteit hangt in de vroegmoderne tijd nog sterk samen met afkomst, maar in de commerciële dynamiek van de Nederlanden lijkt het individu toch een steeds actievere rol te kunnen spelen in het vormgeven van de eigen loopbaan. Maar wat waren de mogelijkheden en beperkingen van dat individu? Welke strategieën werden gevolgd en wat waren de parameters voor succes, in verschillende beroepsgroepen en sociale lagen van de bevolking? Het nieuwe themanummer van het tijdschrift De Zeventiende Eeuw leidt de lezer langs ambachtslieden, dichters, kunstenaars, predikanten en boekverkopers. Lees verder >>

Oproep voor bijdragen aan themanummer Vooys over oorlog

Vooys, tijdschrift voor letteren – call for papers – OORLOG

Vooys nummer 30.3 staat in het teken van het thema ‘oorlog’. Graag nodigen we u uit om een voorstel in te dienen voor een bijdrage aan dit themanummer in de vorm van een artikel (3000-4000 woorden).

Cultuur en geschiedenis zijn nauw met elkaar verweven. Enerzijds is cultuur te begrijpen als een ruimte waarin de geschiedenis weerspiegeld wordt. Anderzijds wordt de geschiedenis voor een belangrijk deel gevormd door kunst en cultuur. Onze herinnering ligt besloten in kunst en cultuur. Die herinnering is echter verre van neutraal, want herinneren is ook een vorm van vergeten: wat we ons herinneren is selectief. Zo ontstaan narratieven van de geschiedenis die van groot belang zijn in sociale processen van onder meer natie- en identiteitsvorming.

Oorlogen maken een belangrijk deel uit van die narratieven en in tijden van oorlog wordt dit soort narratieven ingezet. Hoe worden oorlogen gerepresenteerd in literatuur? Wat herinneren we ons van een oorlog en wat vergeten we? Wat is de rol van literatuur in deze herinneringsstrategieën? Dit soort vragen komt aan bod in het themanummer van Vooys. Daarom is Vooys op zoek naar artikelvoorstellen over deze of andere vragen waarin de relatie tussen literatuur en oorlog wordt onderzocht.

Ook studenten zijn van harte uitgenodigd om een voorstel voor een artikel in te sturen.

De deadline voor het opsturen van een artikelvoorstel (max. 400 woorden + zeer beknopt cv) is 5 maart 2012. Binnen een week beslist de redactie welke voorstellen worden geaccepteerd. De deadline voor de artikelen ligt op 1 juni 2012.

Voorstellen kunnen worden gestuurd naar redactie@tijdschriftvooys.nl.

Zie ook http://www.tijdschriftvooys.nl

Pas verschenen: Mededelingen Weyerman


De Mededelingen Jacob Campo Weyerman 2011-2 (winter 2011) is eind december verschenen. De aflevering is geheel gewijd aan een van de oprichters van de stichting, André Hanou († februari 2011). Het nummer bevat een aantal ongepubliceerde stukken uit zijn nalatenschap:

– ‘Woord vooraf’
– ‘Utrechts kabaal. De Secrete Correspondentie (1720-1721), de Noodige Aanmerking (1721) en hun schrijvers’
– ‘De geleerdentijdschriften van Marten Schagen, I’
– ‘De geleerdentijdschriften van Marten Schagen, II’
– ‘De geleerdentijdschriften van Marten Schagen, III’
– ‘Vrienden en vrouwen van Paulus van Hemert. Documenten over het leven van Nederlands bekendste wijsgeer rond 1800′
– ‘Kinkers jeugd’
– ‘”Goede morgen, landgenoten!” Opmerkingen over het leesmilieu van de Janus Verrezen (1795-1798)’
– André Hanou en Lou Spronck, ‘”Waarde vriend! Weder eene jeremiade uit Patmos”. Aanvullingen op de briefwisseling Kinker’

Tss: Mededelingen Weyerman 2011, nr. 1

Deze Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman bevat de volgende bijdragen:

 Peter Altena, ‘André Hanou (1941-2011), onvermoeibaar optimist’

 Jozien J. Driessen van het Reve, ‘Hoe Nicolaas Bidloo (1673/4-1735) de medische cultuur van Amsterdam naar Moskou bracht’

 Jac Fuchs, ‘Het verschrikkelijk konterfeytsel. Over de plek waar Weyerman bok schoot’

 Willemien Schenkeveld i.s.m. Anna de Haas, ‘“Abbandonné de tout excepté de mon courage”. Enkele ongepubliceerde brieven van Etta Palm (1743-1799)’

 John Besseling, ‘De levensloop van Johanna Turner en de ondergang van het Amsterdamse hattemisme’

En verder:

De vrolyke navorscher, recensies, signaleringen, verschenen en een ingezonden mededeling.

Voor abonnementen en het bestellen van losse afleveringen kunt u een e-mail sturen naar de secretaris (post@weyerman.nl). Oude jaargangen worden momenteel gedigitaliseerd, zie: http://www.weyerman.nl.

Lit: Pas verschenen: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde 127 (2011) 2


In de nieuwe aflevering van TNTL vindt de lezer een bijdrage van Lars Bernaerts en Bart Vervaeck met de nieuwsgierig makende titel ‘Wie is toch deze verrassende Krijgelmans?’. Deze min of meer vergeten Claude Krijgelmans schreef met Messiah (1961) weliswaar een van de eerste Vlaamse experimentele prozawerken, maar in de literatuurgeschiedschrijving is deze korte roman compleet overvleugeld door Ivo Michiels’ Het boek Alfa (1963). In hun zoektocht naar de reden van dit verschil in receptie betrekken Bernaerts en Vervaeck zowel institutionele als tekstuele factoren, een methode die zij bijzonder geschikt achten voor onderzoek naar literaire verwantschappen. Lees verder >>

Nieuw nummer Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde (TNTL)


Het nieuwe TNTL-nummer bevat twee bijdragen gewijd aan de (post-)koloniale letteren.
Siegfried Huigen analyseert de beschrijving van Kaap de Goede Hoop die de predikant François Valentyn opnam in zijn Oud en Nieuw Oost-Indiën (1724-1726). Valentyns visie past in het toenmalige Nederlandse landschapsdiscours waarin de wilde natuur zoveel mogelijk gemarginaliseerd wordt. Voor wat betreft de informatie over het Zuid-Afrikaanse binnenland blijkt hij schatplichtig te zijn aan het kennisnetwerk van de VOC. Lees verder >>

Lit: Pas verschenen: nieuw nummer Ons Erfdeel

Geen haan die ernaar kraait. August Vermeylen en de verengelsing van het hoger onderwijs
Gita Deneckere en Ruben Mantels

In 1930 is August Vermeylen de eerste rector van de vernederlandste Gentse universiteit. Tachtig jaar later wordt de verengelsing van het Vlaamse hoger onderwijs haast geruisloos doorgevoerd. Dit artikel is het verslag van een door Vermeylens teksten geïnspireerd debat over deze verengelsing dat aan de UGent werd gehouden. De auteurs zijn van mening dat Vermeylen de huidige universiteit, opgesloten in een markgestuurd verhaal, zou kwalificeren als een universiteit die schromelijk tekortschiet in haar belangrijkste opdracht. Lees verder >>

Tss: Mededelingen Weyerman


Verschenen: MedJCW 2010-2.

Deze Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman bevat de volgende bijdragen:

• Jan Bruggeman en Jac Fuchs, ‘”Altoos bestulpt met oude boeken, en gedompelt in vermufte papieren.” Onderzoek naar de bronnen en het auteurschap van Het Oog in ‘t Zeil‘
• Rietje van Vliet, ‘Literaire anarchie. Hermanus Coster en het andere Oog in ‘t zeil‘
• Wim Knoops, ‘Gouda in 1784. Een “duivelse” schrijver voor de prins ontmaskerd’
• Jos Koning, ‘Pluggen en pluggedansen in Amsterdamse muziekuitgaven, 1700-1780′
• Steven de Joode, ‘Duister en met reden verdagt. Berend Hakvoord (1660-1730) en De schole van Christus’
• Pieter van Wissing, ‘Tussen beschaafde dichtkransers en woeste Hottentotten. Aletta Beck (1667-1752), een Arnhemse in Zuid-Afrika’
.
Voor abonnementen en het bestellen van losse afleveringen kunt u een e-mail sturen naar de secretaris (post@weyerman.nl). Oude jaargangen worden momenteel gedigitaliseerd, zie: http://www.weyerman.nl

Lit: Nieuw nummer ‘Internationale neerlandistiek’ met Costerlegende ontrafeld

Omdat niet iedere boekwetenschapper het tijdschrift Internationale neerlandistiek in de bus zal krijgen, wil ik niet nalaten te wijzen op een artikel in het jongste nummer (jrg. 48, nr. 3, oktober 2010) op p. 17-29.

Het is een artikel van Joost Robbe van de Westfälische Wilhelms-Universität te Münster over ‘De literaire aspecten van de Costerlegende: mythologie in de vorm van een klassieke pleitrede’.
Lees verder >>

Lit: Oktobernummer Onze Taal over o.a. het verdwijnen van hoofdletters uit bedrijfsnamen

In het oktobernummer van Onze Taal onder meer:
Erwin WijmanNieuwe mode: kleine letters; onderkast verdringt hoofdletter in namen en logo’s van bedrijven
Nationale-Nederlanden presenteert zichzelf tegenwoordig als ‘nationale nederlanden’ en Alex als ‘alex’. Bedrijven zweren massaal de hoofdletter af. Wat willen ze duidelijk maken met de afslanking van hun naam?
Peter-Arno Coppen‘Ik heb zoiets van’: de schoonheid van een gehate uitdrukking
‘Ik heb zoiets van’ is misschien wel de meest beschimpte uitdrukking in de Nederlandse taal. Is dat eigenlijk wel terecht?
Arjen van VeelenDe kus moet nooit komen: Goede tijden, slechte tijden en het Nederlands
Goede tijden, slechte tijden bestaat twintig jaar. Wat heeft de populaire soapserie betekend voor het Nederlands? Twee scenarioschrijvers van het eerste uur vertellen.
Lees verder >>

Lit: Nieuw nummer van ‘Parelduiker’

De nieuwe Parelduiker is uit:

Hans Olink raakte dankzij authentieke geluidsbanden uit het archief van de Bergense schilder David Kouwenaar op het spoor van de Nederlandse fotografe Gerda Goedhart. Hij ontrafelde haar tot dusver onbekende levensverhaal. Vrij onbekend is dat zij de hoffotografe was van Bertolt Brecht en diens toneelensceneringen fotografeerde. Haar avontuurlijke leven leidde langs het Berlijn van voor de oorlog, het Hollywood van Charlie Chaplin en langs Anna Blaman, met wie zij een romance beleefde, voordat zij zich met de toneelactrice Angelika Hurwicz in het kustdorp Bergen vestigde. Lees verder >>

Lit: Pas verschenen: Verslagen en Mededelingen van de KANTL, jrg. 120, afl. 1, 2010

Er is een nieuwe aflevering verschenen van de Verslagen en Mededelingen van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, jg. 120, afl. 1, 2010. In deze aflevering wordt aandacht besteed aan:
1. Het oriëntalisme in de tragedie (17de eeuw)
2. De taalsituatie in Noord en Zuid (18de-19de eeuw)
3. Willems, Ecrevisse en de Kempense teuten (19de eeuw)
4. De schrijfster Rose Gronon (20ste eeuw)
Lees verder >>

Web: Taalschrift nr. 72 verschenen

Het nieuwe nummer van Taalschrift staat online. Deze maand met o.a.:
Reportage: De jump start van een taalbad
Hoe zorgen een maaltijd en een bokswedstrijd ervoor dat je snel een vreemde taal leert? De taalinstituten Regina Coeli in Vught en Dialogue in Spa weten het wel. Zij stoppen hun cursisten in een intensief taalbad. “We krijgen hier een echte ‘jump start’.” Lees meer »
Column: Zestigduizend autodelers kun je niet negeren
Moeten we woorden als ‘autodelen’, ‘nachecken’ of ‘doorverwijzen’ uit onze taal weren, omdat ze officieel niet bestaan of incorrect Nederlands zijn? Of moeten we ze aanvaarden omdat ze nu eenmaal steeds vaker voorkomen? “Een rups bestaat als ze ergens wordt aangetroffen”, zegt Ludo Permentier. “Waarom zou die eenvoudige regel niet gelden voor woorden?” Lees meer en reageer »
Taalclip: Moeten we ‘nieuwkomers’ verplichten om Nederlands te leren? Hans Varendonk (alias Wim de Bie), hoofdredacteur van het tijdschrift Eigentijds Nederlands, op 5 maart 2000 in gesprek met ‘nieuwkomer’ prof. dr. Saidia Rayatura, hoogleraar Externe Taalbetrekkingen aan de Rijksuniversiteit Groningen (alias Annet Malherbe).

Nieuw nummer van Taalschrift

Het nieuwe nummer van Taalschrift staat online.

Reportage / interview: “Met eenvoudigere juridische taal was de
kredietcrisis er nooit gekomen”.

“Opdat gedaagde hiervan niet onwetend zou zijn heb ik haar gelaten
zijnde en sprekende als voorzegd, kopie van onderhavig exploot,
afgegeven onder gesloten omslag, gelijkvormig de wet, zo nodig.” Lees verder >>

IVN-krant april 2010


Inhoud

IVN 40 jaar
Regionale publicaties – Een nieuwe rubriek Kroniek (7) – Cultuur en literatuur op ’t web Christine Hermann (Universiteit van Wenen) Van het Certificaat Nederlands als vreemde taal – FLOT en CNaVT Overpeinzingen uit Leuven (21) – Joop van der Horst Nagasaki 2007-2010 (slot) -Jaap Grave Tentoonstellingenagenda Congressen, colloquia, symposia Van de IVN Berichten van buiten de muren Berichten van binnen de muren Bericht uit Woubrugge Colofon Lees verder >>

Impactfactor

Het wetenschappelijk bedrijf wordt langzaam maar zeker zo objectief dat het tot somberheid stemt. Onlangs was ik namens de redactie van neerlandistiek.nl – hét publicatiemedium voor uw beste wetenschappelijke werk – bij een bijeenkomst van redacties van elektronische wetenschappelijke tijdschriften uit allerlei disciplines. Een belangrijk deel van de middag ging heen met de vraag hoe je als tijdschrift een ‘impact-factor’ kunt verkrijgen.

Allereerst moet je zorgen dat je in een prestigieuze tijdschriftenbank terechtkomt. Vervolgens wordt dan gemeten hoe vaak je artikelen worden geciteerd door andere tijdschriften in die database. Het aantal keren dat je dat in een jaar overkomt, bepaalt, gedeeld door het aantal citeerbare artikelen dat je dat jaar hebt geplaatst, je impact-factor.

Die factor is dus het uitgevers-equivalent van de citatie-index voor onderzoekers. Een tijdschrift met een hoge impactfactor geldt in veel disciplines allang als een begerenswaardig publicatiemedium, begreep ik van veel mederedacteuren op die studiemiddag. Dat is een probleem voor nieuwe tijdschriften: de beste auteurs sturen niet zo snel iets op naar een tijdschrift zonder impactfactor. En zonder goede auteurs wordt je tijdschrift nooit genoeg geciteerd om aan een goede impactfactor te komen.

Inmiddels zijn er technieken bedacht om die factor op te krikken. Een truc die tijdens de studiemiddag uitgebreid besproken werd is: publiceer de artikelen die veel geciteerd zullen worden liever in je januarinummer dan in je decembernummer. Alleen verwijzingen naar de artikelen van de afgelopen een of twee jaar tellen mee, en een artikel uit december schuift te snel uit dat venster om nog mee te kunnen tellen.

Nog een techniek is om auteurs zoveel mogelijk te stimuleren naar artikelen in jouw tijdschrift te verwijzen. Dat kan slechts in beperkte mate in artikelen die je zelf publiceert, omdat al te veel zelfcitaties weer strafpunten opleveren; maar je kunt in ieder geval wel je auteurs vragen om in publicaties elders veel naar jouw blad te verwijzen. Zoals sommige tijdschriften inmiddels ook vooraanstaande auteurs betalen om af en toe een overzichtsartikel te schrijven, want naar zulke artikelen wordt vaak verwezen.

De geesteswetenschappen hebben nog geen instrument voor het bepalen van impactfactoren, maar ooit komt dat eraan. Zoals we ook langzaam schuiven naar de situatie dat de publicatie van een boek niet telt bij de beoordeling van een onderzoeker, of in ieder geval vele malen minder dan de publicatie van een tijdschriftartikel.

Wij geesteswetenschappers zijn wel geneigd om te denken dat dit een publicatiemodel is dat wel past op de sociale en de natuurwetenschappen, maar niet op ons. Daar hebben we ongelijk in. Het past eigenlijk ook niet bij die andere wetenschappen, het is een belachelijk idee dat wetenschap een vak is dat zich altijd en overal op precies dezelfde manier kan uiten: in een peer-reviewed toptijdschrift met een hoge impact-factor.

Ik ken geen enkele onderzoeker die denkt dat dit een goede ontwikkeling is, dat het vak er mee zou opschieten als we citatie-indexen en impactfactors zouden hebben. De meeste mensen die ik erover spreek vinden het zelfs een slechte ontwikkeling. En toch is het net alsof er niets aan te doen is, de wereld verschuift nu eenmaal in die onzalige richting van steeds meer toetsbaarheid. Het wetenschappelijk bedrijf wordt nog eens zo meetbaar dat het niet leuk meer is.

Marc van Oostendorp

Neerlandistische tijdschriften op Internet: 2001 en daarna

Hoe staat het ervoor met de neerlandistiek op Internet? Het gaat volgens mij de goede kant op. Een handjevol pioniers klaagt al jaren dat het allemaal veel te traag gaat, maar langzaam begint er toch schot in te komen. Er is een heus centrum voor tekstedities, de DBNL, er is het onvolprezen Neder-L, en er zijn her en der toch al aardig wat onderzoeksgroepen die op zijn minst minimale informatie geven over hun eigen werk. Zoals het er nu uitziet is Neder-L over een jaar eindelijk niet meer het enige neerlandistische tijdschrift op Internet. Als alles goed gaat, komen er volgend voorjaar minstens drie bladen bij, die zich exclusief op het Internet richten:

  • Neerlandistiek.nl: een wetenschappelijk tijdschrift met langere wetenschappelijke en gereviewde artikelen onder redactie van vijf neerlandici (Bregje Holleman, Matthias Hüning, Johan Koppenol, Marc van Oostendorp, Thomas Vaessens) van verschillende disciplines en onder technisch beheer van het NIWI.
  • Vliegende Bladen: een tijdschrift met zeer korte beschouwingen en observaties over taalkundige en letterkundige artikelen — het soort stukjes dat in de taalkunde ‘squibs’ genoemd pleegt te worden. Dit tijdschrift zal vanaf dit voorjaar maandelijks moeten verschijnen, maakt deel uit van de Digitale Biblotheek van de Nederlandse Letteren en zal onder redactie staan van onder andere René van Stipriaan.
  • Taalschrift: de elektronische versie van het journalistieke magazine van de Taalunie zal (mogelijk onder een andere naam) ook dit voorjaar van start gaan. Hierin zullen vooral langere journalistieke stukken worden gepubliceerd.

De verschillende tijdschriften hebben precies verschillende doelstellingen. Bij elkaar (en in combinatie met enige bestaande websites voor het grote publiek, zoals http://www.onzetaal.nl/) kunnen ze de kern gaan vormen voor een nieuwe informatieinfrastructuur voor het hele vak — een infrastructuur die gebaseerd is op het Internet. Neder-L vormt van deze infrastructuur overigens de spil: het is het informatieblad, de snelste vorm van informatieverstrekking, die hopelijk ook steeds meer boeksignalementen en congresbesprekingen zal plaatsen en die bijvoorbeeld de lezers precies op de hoogte kan stellen van wat er in de bladen allemaal gebeurt. Een beetje neerlandicus leest Neder-L en maakt op basis daarvan zijn keuze uit de andere tijdschriften.

Het is geloof ik ook niet de bedoeling van deze drie nieuwe initiatieven om te concurreren met de bestaande tijdschriften. De redacties van al deze tijdschriften zijn nog huiverig voor Internetpublicatie, maar als ze over deze angst heen zijn, zijn ze van harte welkom om met hun elektronische zusters te praten. Wij, en waarschijnlijk ook de andere redacties, zullen ze graag voorzien van alle technische adviezen om ook elektronisch te gaan publiceren. Ik ben pas tevreden als Nederlandse Taalkunde, Nederlandse Letterkunde, TNTL, Madoc, Taal en Tongval, en al die andere bladen ook elektronisch raadpleegbaar zijn, en als ze allemaal tegelijkertijd kunnen worden doorzocht in één groot digitaal elektronisch archief.

Zelfs dan zijn we overigens nog niet klaar. De ideale wetenschappelijke infrastructuur voor het vak ziet er volgens mij veel eerder als volgt uit. Er is een grote centrale database waar iedereen die dat wil al zijn artikelen en boeken in een eenvoudige digitale vorm kan aanbieden (laten we voor het gemak zeggen: Word-bestanden met een minimale hoeveelheid opmaakcodes). Alle materiaal wordt in die grote database opgenomen. Er is geen enkele redactionele controle, wat betekent ook dat alles te vinden is, ook onzin en onbetrouwbare gegevens. Auteurs kunnen nieuwe versies van hun artikelen maken, maar bij grote revisies blijft de oude versie ook gearchiveerd.

Een mens kan niet alles lezen, een mens heeft behoefte aan een zeef die de goede van de minder goede artikels scheidt, en daarom blijven de tijdschriftredacties ook bestaan. Auteurs bieden hun werk nog steeds bij die redacties aan, althans, ze maken hen erop attent dat ze een artikel aan de database hebben toegevoegd. De redacties behandelen zo’n artikel vervolgens op de manier die hen goeddunkt: ze laten hem beoordelen door proeflezers, ze stellen wijzigingen voor, enzovoort. Pas als een artikel de vorm heeft die de redactie van het tijdschrift bevalt, verleent zo’n redactie haar goedkeuring aan het desbetreffende record in de database.

Tijdschriften kunnen vervolgens hun eigen webpagina inrichten waarin ze op gezette tijden lijsten publiceren met door hen goedgekeurde artikelen. Ze kunnen deze artikelen desgewenst ook op papier afdrukken, er een kaftje omheen doen, en deze naar hun abonnees sturen. Daarnaast blijven de artikelen ook in de database staan met een labeltje: goedgekeurd door de redactie van Nederlandse Letterkunde. Een artikel kan op deze manier ook door meerdere redacties worden goedgekeurd, en dus tot meerdere tijdschriften tegelijkertijd behoren.

Vooral voor de lezers van neerlandistische tijdschriften — en alle onderzoekers zijn natuurlijk ook lezers — biedt dit scenario grote voordelen. Als lezer kun je in de database zoeken op elk willekeurig onderwerp. Als dat onderwerp heel klein en specialistisch is, of als je alles over dat onderwerp wilt weten en daarbij het risico durft te nemen om onbetrouwbare informatie tegen te komen, kun je kiezen binnen de *hele* database. Wie bang is overspoeld te raken, of alleen de echt betrouwbare stukken wil zien, kan ervoor kiezen zijn zoekopdracht te laten filteren door de redactie van TNTL, of Taal en Tongval, of allebei deze tijdschriften.

Omdat alle informatie in deze database terechtkomt, heeft het weinig zin om dezelfde onderzoeksresultaten op verschillende manieren op te schrijven en deze aan verschillende tijdschriften aan te bieden. Auteurs kunnen en moeten zich er dus toe beperken die resultaten één keer op te schrijven, maar dan wel zo duidelijk mogelijk. De hoeveelheid overbodige artikelen kan daarmee hopelijk iets worden ingedamd.

We zijn nog lang niet zover. De algemene database voor het hele vak is waarschijnlijk nog ver weg en wordt in deze vorm bijvoorbeeld nog door de redactie van geen enkel papieren of elektronisch tijdschrift nagestreefd. Uiteindelijk zou dat volgens mij wel zo moeten. Ik ben bereid eraan te werken.

Marc van Oostendorp