Tag: telwoorden

Waarom ‘driede’ makkelijker is dan ‘derde’

Door Marc van Oostendorp

Het leukste, het allerleukste, van de taalkunde is geloof ik dat je je steeds weer kunt verwonderen over het alledaagse. Neem de Nederlandse rangtelwoorden:

  • eerste, tweede, derde, vierde, vijfde, zesde, zevende, achtste, negende, tiende, elfde, twaalfde,….

Een eenvoudig rijtje. Derde is een beetje vreemd, want  zou regelmatiger zijn. Zoals eerste en achtste een uitgang –ste hebben die pas weer opduikt bij getallen groter dan negentien.

Ach, ja, zou je denken, de kleine kronkelingen van de taal. Tot je het proefschrift leest waarop Caitlyn Meyer vandaag aan de Universiteit van Amsterdam promoveert. In dat boek (Rule and order. Acquiring ordinals in Dutch and English, nog niet online, maar maandag waarschijnlijk wel) doet zij verslag naar de manier waarop kinderen die rangtelwoorden leren.

Op het eerste gezicht lijkt dat misschien weinig verrassend, waarschuwt ze aan het begin van het boek. Kinderen leren de rangtelwoorden na de hoofdtelwoorden (één, twee, drie,…) Bovendien leren ze derde over het algemeen later dan vierde, en ze begrijpen zelfs driede in eerste instantie beter.  Lees verder >>

Het gekke telwoord ‘anderhalf’

Door Henk Wolf

Laatst las ik in een Duits boek dat een conservatieve spreker werd gekarakteriseerd doordat ie ‘nog’ anderthalb zei en niet het modernere eineinhalb gebruikte. Dat anderthalb ouderwets kan worden gevonden, wist ik niet. Ik kom net niet vaak genoeg in Duitsland om dat soort verschuivingen in gevoelswaarde allemaal op te pikken.

Regelmatig patroon

Volgens mijn studenten – van zo’n beetje alle leeftijden tussen de zeventien en zeventig – is het Friese cognaat oardel in elk geval nog springlevend. Ik heb het niet gevraagd, maar ik vermoed dat dat ook geldt voor het Nederlandse anderhalf. En het is eigenlijk gekker dat de vorm zich in die talen handhaaft dan dat ie in het Duits aan het verdwijnen is. Immers, we hebben de neiging om afwijkingen van patronen regelmatig te maken. En eineinhalb past natuurlijk beter in het rijtje zweieinhalb, dreieinhalb enzovoort. Je telt daarin steeds het aantal helen en noemt daarnaast de resterende breuk. Lees verder >>

Nul bananen is niet hetzelfde als geen bananen

Door Marc van Oostendorp

De wetenschap, die voor niets staat, heeft nu ook een aantal raadselen rond het woord nul ontsloten.

Het is een raar telwoord. Historisch is het zoals bekend een betrekkelijk jonge uitvinding in de wiskunde, en de betekenis ervan is niet erg intuïtief. Wat wat zijn precies nul bananen? Wat moeten we ons daarbij voorstellen? En wat onderscheidt die nul bananen precies van nul sinaasappels? Hoe passen zulke eigenaardige ideeën in een mensenhoofd.

En dan taalkundig: waarom zeg je eigenlijk ik heb nul bananen en niet nul banaan? Meer dan vijf jaar geleden schreef ik hier al over dit vreemde telwoord, maar nu daagt er eindelijk licht in de duisternis: in het tijdschrift Glossa verscheen een artikel van de taalkundigen Lisa Bylinina en Rick Nouwen. Lees verder >>

Tegen de twintig gasten op het feest

Door Marc van Oostendorp

Er schijnen mensen, zelfs intelligente mensen, te zijn die niet precies willen weten hoe de zinnen die ze iedere dag uitspreken precies in elkaar zitten: Ze rijgen de hele dag woorden aan elkaar en ontrafelen de woordenstroom van anderen, maar hoe ze dat allemaal precies doen, dat laat ze koud. Dat zijn de mensen die niet ineens verwonderd stil kunnen staan bij zinnen als:

  • Rond de twintig gasten kwamen op het feest.
  • Over de duizend kinderen zaten er in de zaal.
  • Ik heb tegen de honderd mensen uitgenodigd.
  • Er waren tussen de vier- en de vijfhonderd mensen uitgenodigd voor het feest.

Wat doen die voorzetsels rond, over, tegen, tussen daar in die zin? De woordgroep rond de twintig gasten begint weliswaar met een voorzetsel, maar is toch eerder een zelfstandignaamwoordgroep: hij fungeert bijvoorbeeld als onderwerp van de zin (het werkwoord kwamen staat in het meervoud omdat gasten meervoud is).  Lees verder >>

Telwoorden zijn vreemd

Door Marc van Oostendorp

Leeftijd waarop een woord wordt geleerd (in jaar), afgezet tegen de frequentie waarmee het woord voorkomt. Bron: Philosophical Transactions of the Royal Society B.

De namen van getallen zijn opvallend traag. Dat is de conclusie van een nieuw onderzoek dat verscheen in Philosophical Transactions of the Royal Society B (Biology)De auteurs, beide evolutiebioloog, laten zien dat telwoorden (een, twee, drie, vier, enz.) minder snel veranderen dan andere woorden. In verwante talen lijken ze, gemiddeld genomen, meer op elkaar dan andere woorden: un, deux, trois, quattre, enz. staan dichter bij hun equivalenten in het Nederlands, dan laten we zeggen homme, main, arbre, dormir, ook al zijn die woorden ook al heel oud, en verwijzen ze sinds onheuglijke tijden naar alledaagse begrippen uit het leven van alle mensen.

Het geldt, blijkens het onderzoek, ook niet alleen voor Europese talen: ook in Bantoe-talen (zuidelijk Afrika) en Pama-Nyungan (Australië) bleken (rang)telwoorden (3,5 tot 20 keer) trager te veranderen dan andere woorden.

De auteurs bespreken ook drie mogelijke verklaringen voor dit verschil. Lees verder >>

Een paar tien

De deskundigen zijn eruit: honderd is een zelfstandig naamwoord. Nu moeten ze het nog eens zien te worden over tien!

Dat honderd een zelfstandig naamwoord is, is duidelijk. Je kunt er een meervoud van maken (honderden), je kunt er een lidwoord en een bijvoeglijk naamwoord voor zetten (een dikke honderd) en ook een voorzetsel (boven de honderd) dat zelfs weer nader bepaald kan worden (ruim boven de honderd).

Hoe zit dat met tien?
Lees verder >>