Tag: taalverwerving

Drie stukjes in ‘speelgoeddoos’

Nene leert Nederlands

Door Marc van Oostendorp

Nene is zes jaar en inmiddels ongeveer een jaar in Nederland. Ze spreekt alleen nog maar Nederlands, ook als ze alleen speelt, tegen haar poppen. Ze verstaat trouwen ook behoorlijk veel Italiaans, want dat spreekt haar moeder vaak tegen haar. De laatste tijd vindt ze het leuk om bij het kwartiertje tv-kijken voor het slapengaan vertrouwde kinderprogramma’s op Netflix ook te bekijken in heel andere talen, zoals français of Deutsch.

Die laatste tijd zitten we natuurlijk opgesloten, net als iedereen. De hele scholing ligt nu ook in onze handen, van de juf van groep 2b krijgen we om de paar dagen nieuw materiaal en we hakken ons daar een pad door.

Lees verder >>

Je moet dat niet zeggen!

Nene leert Nederlands

Door Marc van Oostendorp

Ongeveer een half jaar hoort Nene nu veel minder Hongaars dan in de eerste vijf jaar van haar leven. Begin april zijn we begonnen met Nederlands met haar te spreken, maar in die tijd spraken de meeste andere mensen nog wel Hongaars met haar, want we verbleven in Hongarije. Begin mei zijn we naar Nederland gekomen en sindsdien spreken de meest andere mensen ook Nederlands.

Lees verder >>

Hoz water

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: V.N. van Oostendorp

Nene is vijf jaar en sinds een paar maanden in Nederland. Inmiddels spreekt ze genoeg Nederlands om iedereen gevraagd en ongevraagd mede te kunnen delen dat ze ‘bijna zes’ is.

Ze gaat sinds vorige week naar groep 2 van de de basisschool en heel snel wassen haar klasgenoten nu de laatste restjes Hongaars uit haar Nederlands.

Lees verder >>

Papa komen zwemmen moeten

De taal van Nene

Door Marc van Oostendorp

Wandelen

Nene is vijfeneenhalf jaar, ze is geboren in Hongarije, en ze woont sinds drie maanden in Nederland waar mensen geen Hongaars meer tegen haar spreken. Zelf spreekt ze normaliter inmiddels ook geen Hongaars meer, op een enkel woord na. Dat geldt ook als ze bijvoorbeeld alleen zit te spelen of iets zegt in haar slaap.

Dat wil natuurlijk niet zeggen dat dit Nederlands hetzelfde is als dat van andere vijfjarigen. Ze heeft nog veel woorden in te halen: waar die andere kinderen al jaren bezig zijn iedere dag wat woorden op te pikken, is zij natuurlijk niet na een paar maanden op hetzelfde niveau. Toch breidt die woordenschat zich steeds verder uit, en inmiddels zegt ze soms ook Nederlandse woorden die ik niet gebruik. Toen ik tegen haar zei is dat ze bij het eten moest blijven zitten, zei ze ‘billen zitten’, wat waarschijnlijk de taal is van de juf op school.

Haar syntaxis loopt geloof ik een beetje voor op haar morfologie. Ze maakt al tamelijk ingewikkelde zinnen, maar verbuigt de werkwoorden nog niet. “Papa zeggen lekkers eten” betekent dat papa heeft gezegd dat we nu lekkers gingen eten: dat is dus een bijzin ingebed in een hoofdzin.

Lees verder >>

En ikke

Door Marc van Oostendorp

‘Buik-huisje-buik-huisje’.
Illustratie: V.N. van Oostendorp

Nene is vijf jaar, ze is geboren in Hongarije, en ze is in Nederland komen wonen waar mensen geen Hongaars meer tegen haar spreken. Er is maar weinig onderzoek gedaan naar hoe dit soort taalverwerving werkt, onder andere doordat het nu ook weer niet zoveel voorkomt. Vorig jaar zijn in Nederland zo’n 150 kinderen via internationale adoptie aangekomen. Wereldwijd zijn het er de laatste tijd jaarlijks zo’n 30.0000. En dan zijn die kinderen onderling ook nog eens heel verschillend – verschillende leeftijd, verschillende achtergrond, verschillende talen.

De literatuur die er wel is, gaat vooral over de eindsituatie: leren kinderen in deze omstandigheden de taal wel beheersen als hun moedertaal. Het antwoord daarop is fascinerend genoeg: als je naar ze luistert, zijn geadopteerde mensen als volwassenen niet te onderscheiden van kinderen die vanaf hun geboorte dezelfde taal spraken, maar in verfijnde experimenten in het laboratorium vind je verschillen. Alleen vind ik behalve dat eindstation, waar ik alle vertrouwen in heb, ook het proces interessant.

Lees verder >>

Effe kake

Door Marc van Oostendorp

Nene is vijf jaar, ze is geboren in Hongarije, en ze is in Nederland komen wonen waar mensen geen Hongaars meer tegen haar spreken. Ze moest daar eerst nog aan wennen, maar inmiddels lijkt ze te accepteren dat alle mensen allemaal heel anders praten dan een paar maanden geleden.

Een paar woorden zullen nog wel een tijdje blijven hangen: de woorden die haar ouders van haar hebben overgenomen, zoals szia voor ‘hallo’ en kutya voor ‘hond’. Maar waar tot voor kort de meeste functiewoorden nog Hongaars waren, zijn in ieder geval sommige van haar zinnen nu ook Nederlands als ze in haar eentje aan het spelen is en de poppen tegen elkaar laat praten.

Dat je een beetje kunt praten, verandert de basis van de relatie wel weer aanzienlijk. Als Nene met mij door de supermarkt gaat wijst ze, als volleerde vijfjarige, in bijna ieder schap iets aan dat ze ook wel wil hebben. Een maand geleden kon ik dan alleen nog nee zeggen, want over abstracte zaken – zoals dingen die op het moment zelf niet aanwezig zijn – is het moeilijk praten. Nu kan dat wel, en kan ik zeggen dat ze iets niet krijgt omdat ze net al iets anders heeft gekregen.

Lees verder >>

Voor kinderen doen we meer ons best op onze /t/

Door Marc van Oostendorp

Dat mensen anders praten tegen kleine kinderen – ik schrijf er de laatste tijd wel vaker over, want het lijkt ineens een onderwerp te zijn geworden in de literatuur. Want wat zijn de verschillen precies en hoe verklaren we ze?

Een duidelijke functie van dat anders praten is dat het in veel opzichten duidelijker is. Mensen praten zodra hun gesprekspartner jonger is wat langzamer, ze leggen meer klemtonen en ze articuleren ook beter. Dat helpt kinderen, want die hebben de enorm ingewikkelde taak om van alles te leren over hun moedertaal zonder dat iemand het ze gedegen kan uitleggen. Ze moeten het dus doen aan de hand van voorbeelden en dan helpt het als die voorbeelden duidelijk zijn.

In een nieuw artikel in het Journal of Phonetics bestudeerde een groep Amerikaanse onderzoekers dit voor drie Engelse medeklinkers: de t, de d en de n. Voor de liefhebber: dat zijn alle drie tandmedeklinkers, die je maakt door je tong vlak achter je tanden tegen het harde verhemelte te houden.

Lees verder >>

Een taal leren is een nieuw netwerk binnenstappen

Door Marc van Oostendorp

Mama, Nene, papa.
Illustratie: V.N. van Oostendorp

Nene is vijf jaar, ze is geboren in Hongarije, en ze is in Nederland komen wonen waar mensen geen Hongaars meer tegen haar spreken, maar overwegend Nederlands. Wat je goed kan zien als je haar van nabij volgt: hoe een taal je in een gemeenschap hangt.

Een mens kan niet alleen zijn, zeker niet als ze vijf jaar oud is. Ze moet gebruik kunnen maken van andermans herseninhoud. Dat blijven mensen hun leven lang doen: ideeën oppikken, oplossingen voor problemen, manieren van kijken naar de wereld. Een mens is een internetcomputer die voortdurend automatisch updates doet van andere internetcomputers. Een taal is daar een belangrijke techniek voor.

Almak

Bij adoptie ga je ineens over van het ene netwerk naar het andere. Hongarije en Nederland zijn allebei Europese landen, cultureel is het verschil tussen die twee in sommige opzichten niet zo groot, in ieder geval op het niveau van de vijfjarige. Iedereen kijkt naar Peppa Pig. Maar toch kom je ineens in een andere wereld, waarin je verschil moet maken tussen leuk, mooi en lekker.

Lees verder >>

Waarom praten volwassenen niet kinderachtig tegen elkaar?

Door Marc van Oostendorp

We wisten al lang dat mensen over de hele wereld geneigd zijn anders te praten als ze tegen kleinere kinderen praten. Ze doen dat zelfs allemaal op dezelfde manier: iedereen die zich over een wieg buigt praat vanzelf met een hogere stem en tegelijkertijd meer stembuigingen, en wat langzamer dan wanneer ze tegen volwassenen praten. Infant-directed speech (IDS) noemen taalkundigen dat.

Als mensen zoiets over de hele wereld van nature doen, ligt voor de hand om te denken dat zoiets een functie heeft. Vreemd genoeg wordt dat pas sinds een paar jaar serieus onderzocht. Het recente Utrechtse proefschrift van de taalkundige Mengru Han onderzoekt het voor het Chinees en het Nederlands. Lees verder >>

Basta pasta!

Door Marc van Oostendorp

Peppa Pig wil tot wanhoop van papa niet slapen want de zon schijnt.

Nene is vijf jaar, ze is geboren in Hongarije, en ze is net begonnen met Nederlands te leren. Dat is een behoorlijke opgave omdat ze niet alle mogelijkheden heeft gekregen om haar Hongaars net zo te ontwikkelen als een andere vijfjarige. Ze kan verschillende medeklinkers nog niet zeggen, zoals de l, de r, de j en de v (die in het Hongaars wel wat weg heeft van een w), waar andere kinderen dat al wel kunnen.

Ze moet daar allerlei nieuwe klanken bij leren. De Nederlandse g bijvoorbeeld. Soms vervangt ze die door een h (“Papa hek”) en in andere gevallendoor een k (“Reken”). Allebei die vervangingen zijn te begrijpen: de h behoudt de wrijving in de klank en de k wordt juist ongeveer op dezelfde plaats in de mond gemaakt als de g. Wanneer ze wat doet (ze zegt altijd hek, ze zegt altijd reken), en waarom, daar heb ik nog te weinig datapunten voor. Lees verder >>

Terwijl het muziekje speelde, tekende het clowntje een ster

Door Marc van Oostendorp

Er klinkt circusmuziek. Een clowntje komt op en doet verwoede pogingen een pot te sluiten. Voor de pot dicht is, houdt het muziekje op.

Is nu de volgende zin een correcte beschrijving van deze situatie:

  • Terwijl het muziekje speelde, sloot het clowntje de pot.

Volwassen moedertaalsprekers van het Nederlands zeggen van niet. ‘Het clowntje sloot de pot’ is alleen juist als de pot na afloop van het optreden van het clowntje gesloten is. Sluiten is, in taalkundig jargon, ‘telisch’, gericht op een doel (telos in het Griek). Als dat doel niet wordt gehaald, is er niet echt gesloten. Lees verder >>

Talen zijn voor vrouwen

Door Marc van Oostendorp

Waarom leren echte mannen geen vreemde talen? Over die wonderlijke vraag gaat een nieuw artikel in het tijdschrift Group Processes and Intergroup Relations.  Althans, voor zover we willen aannemen dat Canadese echte mannen representatief zijn voor alle echte mannen én voor zover je een met allerlei empirisch onderzoek gestaafde verklaring dat echte mannen geen talen leren omdat ze dat iets voor vrouwen vinden, interessant vindt.

Ik zou echter dan willen weten: waarom vinden die mannen dat? Terwijl de auteurs lijken te denken: die mannen vinden dat omdat ze het leren van talen met vrouwelijkheid associëren. Bij mij thuis noemen we dat geen verklaring, maar een herformulering.

Misschien omdat ze zich niet echt in de uitgebreide sociolinguïstische literatuur over het fenomeen hebben verdiept, missen ze een aantal interessante connecties. Het lijkt mij in ieder geval niet zo maar een of andere toevalligheid, dat die Canadese echte mannen geen talen willen leren, iets dat ook net zo goed andersom had kunnen zijn. Lees verder >>

Verkleinwoorden leren

Door Marc van Oostendorp

Wie geen verkleinwoordjes maakt, kan niet zeggen dat hij Nederlands spreekt. Hun betekenis is subtiel (een watertje is niet per se kleiner dan een water, als wel iets anders, namelijk gebotteld of in een glas ter beschikking gesteld), en er zijn ook vele vormen. Alleen al in de standaardtaal zijn er vijf verschillende uitgangen: je (hoopje), tje (zeetje), pje (raampje), kje (kettinkje) en etje (ringetje). Wanneer gebruik je welke vorm?

Ga er maar aanstaan als een kind dat dit allemaal moet leren. Toch pikken alle kinderen het systeem op een bepaald moment op. Hoe doen ze dat? En vooral: wat bepaalt in welke volgorde ze die achtervoegsels leren. Beginnen ze bijvoorbeeld met de eenvoudigste vorm? Of met de vorm die het vaakst voorkomt. Lees verder >>

0,00025 MB informatie per dag en je hebt een moedertaal

Door Marc van Oostendorp

De prijs voor de onbegrijpelijkste zin over taalkunde door een wetenschapsvoorlichter gaat dit jaar naar Berkeley News. In een artikel over een onderzoek dat zou hebben berekend hoeveel informatie een kind eigenlijk in die eerste achttien jaar moet verwerken om zijn moedertaal te kunnen leren, schrijft de voorlichter van dienst het volgende:

But new research from UC Berkeley suggests that language acquisition between birth and 18 is a remarkable feat of cognition, rather than something humans are just hardwired to do.

Wat dat voor tegenstelling mag zijn tussen een opmerkelijke prestatie van de cognitie en iets dat mensen van nature doen, blijft volkomen onduidelijk. Waarschijnlijk wordt hier bedoeld: onze onderzoekers hebben laten zien dat taal niet helemaal aangeboren is, maar dat je er heel veel voor moet leren. Dat is op zich al een vreemde bewering voor een normaal mens:  wie zou er nu denken dat je als Hongaars kind niet van alles hoeft te leren voor je Hongaars spreekt? Dat Hongaars is toch niet aangeboren? Lees verder >>

Is taal een activiteit? Het gapende gat van de inburgeraar

Door Marc van Oostendorp

Wat taal is, weet niemand. Vraag het iemand op straat en die zal zoiets zeggen als ‘een communicatiemiddel’, zonder rekening te houden met het feit dat je taal ook kunt gebruiken voor andere dingen dan communicatie (bijvoorbeeld om een gedicht op te zeggen als je niet kunt slapen) en zonder uit te kunnen leggen wat taal dan precies onderscheidt van andere ‘communicatiemiddelen’.

Vraag het een taalkundige, en die geeft een even onvolledig antwoord. Of zegt ‘ik weet het ook niet’.

Dat is allemaal wel leuk en aardig, en misschien ook alleen maar theoretisch gezeur, zij het dat het wel degelijk praktische consequenties heeft, bijvoorbeeld als nieuwkomers in Nederland het Nederlands willen leren, zo blijkt uit een nieuw artikel van een groep Tilburgse taalkundigen in het tijdschrift Language Policy.  Lees verder >>

Boekjes lezen werkt het beste

Door Marc van Oostendorp

Nijntje in het Fries.

Voorlezen is goed voor de taal van kinderen. Ja, daar staan jullie niet van te kijken! Het is dan ook de minst interessante uitkomst van een onderzoek dat Evelyn Bosma en Elma Blom deze maand publiceerden in het Journal of Child Language. Het werkt waarschijnlijk meestal beter dan zomaar een verhaal vertellen, en dat komt misschien doordat een verhaal in een boek zorgvuldiger geconstrueerd is, en dus alleen al om die reden meer verschillende woorden bevat.

Er is trouwens nóg een mogelijke reden, zeggen Bosma en Blom, en die is dat bij een boek de gezamelijke aandacht van ouder en kind naar hetzelfde object uitgaat, het boek. En gedeelde aandacht, samen bezig zijn met hetzelfde, is een van de sleutels voor taal en zeker voor de ontwikkeling van taal.  Lees verder >>

Waarom ‘driede’ makkelijker is dan ‘derde’

Door Marc van Oostendorp

Het leukste, het allerleukste, van de taalkunde is geloof ik dat je je steeds weer kunt verwonderen over het alledaagse. Neem de Nederlandse rangtelwoorden:

  • eerste, tweede, derde, vierde, vijfde, zesde, zevende, achtste, negende, tiende, elfde, twaalfde,….

Een eenvoudig rijtje. Derde is een beetje vreemd, want  zou regelmatiger zijn. Zoals eerste en achtste een uitgang –ste hebben die pas weer opduikt bij getallen groter dan negentien.

Ach, ja, zou je denken, de kleine kronkelingen van de taal. Tot je het proefschrift leest waarop Caitlyn Meyer vandaag aan de Universiteit van Amsterdam promoveert. In dat boek (Rule and order. Acquiring ordinals in Dutch and English, nog niet online, maar maandag waarschijnlijk wel) doet zij verslag naar de manier waarop kinderen die rangtelwoorden leren.

Op het eerste gezicht lijkt dat misschien weinig verrassend, waarschuwt ze aan het begin van het boek. Kinderen leren de rangtelwoorden na de hoofdtelwoorden (één, twee, drie,…) Bovendien leren ze derde over het algemeen later dan vierde, en ze begrijpen zelfs driede in eerste instantie beter.  Lees verder >>

Kun je na je kindertijd nog wel een nieuwe taal leren?

Door Freek Van de Velde

Kinderen pikken gemakkelijker nieuwe talen op dan volwassenen. Als je te laat begint met het leren van een taal kun je die eigenlijk nooit meer perfect leren: er zijn altijd kleine dingetjes in de uitspraak en de grammatica die je net even anders doet. Dat leerstuk heet ‘de kritische periode’, en er woedt al een halve eeuw een vinnig debat over in de taalkunde. Formele (ook wel: generatieve of Chomskyaanse) taalkundigen hechten er doorgaans veel geloof aan; gebruiksgebaseerde (ook wel: cognitieve) taalkundigen zijn er sceptischer over, al is dat onderscheid niet zwart-wit. Zelf ben ik ook een heel eind opgeschoven: door het werk te lezen van de Amsterdamse onderzoeksgroep rond Fred Weerman, en door het werk over leerbaarheid van Rick Dale en Gary Lupyan, ben ik er – van huis uit nochtans gebruiksgebaseerde taalkundige – de afgelopen jaren van overtuigd geraakt dat kinderen en volwassenen hun grammatica op een nogal verschillende manier verwerven. Al blijf ik natuurlijk wel van mening verschillen met mijn Chomskyaanse collega’s over de onderliggende verklaringen. Lees verder >>