Tag: taalverandering

Ongemakkelijke beleefdheid

Door Suzanne Aalberse

In hun opiniestuk “Laten we het woordje ‘u’ in ere herstellen” van 21 januari betogen Lotte Schouten en Noortje Pelikaan dat het woord u teloor gaat en dat die teloorgang een symptoom is van een steeds verdergaande respectloze omgang in de samenleving. 

De grote sympathie waarop het woordje u zich in hun bijdrage mag verheugen is een relatief nieuw verschijnsel. In zijn roman Klaasje Zevenster (1866) laat van Lennep zijn personage dominee Bol bij het horen van de aanspreekvorm u de retorische vraag stellen: Is dat nu gezond en gangbaar Hollandsch?”.Het impliciete antwoord is dat u als onderwerp (in bijvoorbeeld ‘Wilt u’) geen gezond en gangbaar Nederlands is.

Lees verder >>

Een teloorgang van onze beschaving

Door Marc van Oostendorp


Soms probeer ik me voor te stellen hoe het is om iemand anders te zijn: de vrouw die een roze fiets met een lekke band meesleurt over de kades, de treinconducteur met een koortslip, een jongen die een totaal versleten rokkostuum draagt. Meestal lukt het in ieder geval naar mijn eigen tevredenheid. Maar hoe het is om iemand te zijn die ‘een teloorgang van onze beschaving’ afkondigt, daar kan ik me echt niets bij voorstellen.

Het gebeurde deze week voor de zoveelste keer in de Volkskrant, de krant die zich specialiseert in het onbeheerst moord en brand schreeuwen als het over taalzaken gaat. Vorige week mocht René Appel al melden dat het feit dat de Universiteit van Maastricht een bestuurslid heeft die uit het buitenland komt (man, man) ‘een reele dreiging voor het Nederlands als cultuurtaal’ vormt. Deze week was het de beurt aan twee historicae die de kladderadatsj voorzien in het ‘ongebreideld tutoyeren van jan en alleman’.

 Wanneer men met een dergelijke boodschap komt, hoeft men natuurlijk niet meer te kunnen redeneren of te formuleren om de kolommen van de Volkskrant te halen.
Lees verder >>

Dat of die

Door Leonie Cornips

Elke week ontvang ik wel een of meerdere keren een Veldgewas in mijn e-mailbox. Veldgewas, onder redactie van Wim Kuipers en Har Sniekers, heeft als doel de poëzie in het Limburgs te bevorderen. In Veldgewas W090 schrijft Wim Kuipers iets heel interessants over het woordje dat. Hij noteert de volgende zin uit het L1 nieuwsbericht: “A67 dicht na ongeval bij Geldrop, Alderkienjer: De ANWB verwacht dat het weggedeelte voorlopig nog dicht blijft. Er ligt olie op het wegdek en dat moet eerst verwijderd worden.” Wim schrijft het volgende commentaar: “Ik liet die zin lezen: niemand vond het erg dat daar staat dat het wegdek verwijderd moest worden. Kan toch niet! Dat snap je wel!”

Wim signaleert hier variatie en wellicht wel veranderingen in het Nederlands.
Lees verder >>

Over de tand des tijds

Door Marc van Oostendorp

Ik denk dezer dagen veel na over de tand des tijds. Talen veranderen langzaam maar zeker een bepaalde richting op. Soms gaat die verandering heel langzaam, en duurt vele generaties. 
Hoe kan dat? Een verandering die plotsklaps, laten we zeggen in 50 jaar tijd, plaatsvindt is wel te begrijpen: een nieuwe generatie begint anders te spreken dan de ouders. Misschien heeft de nieuwe generatie het anders opgepikt, misschien willen ze zich bewust of onbewust afzetten tegen de anderen.
Maar sommige veranderingen vinden plaats over de duur van eeuwen. Hoe kan dat? Het betekent dat iedere generatie de taal overneemt van de ouders en deze verandert – steeds in ongeveer dezelfde richting. Waarom? Waarom doen ze het niet in een keer? Hoe pikken kinderen op dat de taal überhaupt aan het veranderen is, en wat motiveert hen mee te doen.
Hier is een voorbeeld.

Lees verder >>

Ben je ofzo dom?

Door Suzanne Aalberse
Een van de spannende momenten als docent op een nieuwe plek is het tentamen. Kan ik het tentamen zelf wel maken? Er zit bijna altijd wel een vraag bij waar ik twijfel. Die twijfel kan handig zijn, het is mogelijk dat zo een minder sterke vraag uit de toets geweerd kan worden, maar het is ook een eng moment. Wie weet ontdek je gaten in je kennis waarvan je gehoopt had dat ze er niet waren of in ieder geval nog even niet ontdekt werden.
Een tentamenvraag waar ik aan het twijfelen sloeg was:
– Leg uit waarom taalverandering vaak niet opvalt.
Het normantwoord was: taalverandering valt niet op, omdat taalverandering geleidelijk gaat. Een ijverige student had bij dit antwoord nog een s-curve getekend: de verandering raakt in het begin maar een paar woorden/constructies, dan gaat de verandering snel en dan weer langzaam.
Maakt geleidelijke verspreiding nu echt dat je de verandering niet direct opmerkt?

Lees verder >>

De taal van barbaren

Een elegant essay over afscheid nemen, naamvallen, en kijkcijfertaalkunde

Door Marc van Oostendorp

Dat talen veranderen is op zichzelf al een wonderlijk verschijnsel, merkt Joop van der Horst op in zijn deze week verschenen boek Taal op drift; maar nog wonderlijker is dat ze soms beginnen aan een langdurig proces dat wel honderden jaren kan duren. Terwijl de taalgebruikers hetzelf niet eens in de gaten hebben, veranderen ze gaandeweg, generatie na generatie, hun taal een bepaalde richting op.<

Het bekendste voorbeeld van dat verschijnsel – dat drift wordt genoemd – is het verdwijnen van naamvallen in, bijvoorbeeld het Nederlands. In de middeleeuwen hadden we nog een compleet systeem van naamvallen op lidwoorden, bijvoeglijk en (soms) zelfstandig naamwoorden (ik vraag den jongen coninge belet). In de loop van vele eeuwen zijn die naamvallen afgesleten tot er momenteel alleen nog verschil wordt gemaakt in de persoonlijk voornaamwoorden (ik/mij, jij/jou). Ook dat systeem wordt langzaam aangetast: het feit dat Nederlanders hun hebben zeggen en Vlamingen hem heeft is daar een voorbeeld van.

Het gekke is: datzelfde proces heeft in de loop der eeuwen ook allerlei andere talen al even langzaam veranderd. Ook het Engels, het Frans en het Italiaans hebben alleen voor de persoonlijk voornaamwoorden nog wat naamvalsvormen. Hoe is dat mogelijk?
Lees verder >>

Djoegoedjoegoe revisited

Door Marc van Oostendorp


Zouden er nog weleens mensen slecht slapen van djoegoedjoegoe? Het woord (dat uit het Surinaams komt en ‘gezellig gedoe’ betekent, weet u nog) werd vorig jaar op koninginnedag (weet u dát nog, koninginnedag?) door een mevrouw gebruikt in het NOS Journaal. Het werd trending topic op Twitter en allerlei mensen begonnen zich ermee te bemoeien.

Robert Vuijsje zou het in zijn volgende roman verwerken en Kathleen Ferrier zou het in de Tweede Kamer gaan gebruiken.

Op internet werd er (natuurlijk) (weer eens) verontwaardigd gereageerd: wat dachten die schrijvers en politici wel, dat ze ons het mooie woord gedoe konden ontnemen en zomaar door een Surinaams woord vervangen! (Ik schreef daar op dit weblog over.)

Lees verder >>

Aamborstig

Door Marc van Oostendorp

Ton den Boon is de meest getalenteerde lexicograaf van Nederland. Van Dale mag zich gelukkig prijzen dat hij voor die uitgeverij werkt: hij is Nederlands hoofdredacteur van de Grote Van Dale (er is ook een Vlaamse hoofdredacteur, Ruud Hendrickx) en maakt een dagelijkse rubriek, het Woord van de Dag. Dat is een verbazingwekkende rubriek: ik begrijp niet hoe het iemand lukt om iedere dag een woord uit het nieuws te vissen en saaiers over te vertellen.

Daarnaast heeft Den Boon een eigen uitgeverij, De Weideblik, waarmee hij mooie boeken uitgeeft – waaronder zijn eigen taalboeken. Onlangs gaf hij een nieuw juweeltje uit, het Vergeetwoordenboek.

Lees verder >>

Na bijna een eeuw een veel betere Thei

door Gaston Dorren

Dit wordt een enthousiast stukje, en wel over een dialectwoordenboek: De Vallekebergsen Dieksjenaer. Het beschrijft het dialect van Valkenburg aan de Geul en omliggende dorpen, en dat doet het in een aantal opzichten op een bijzonder goede manier.

Nu zal mijn enthousiasme voor een deeltje voortkomen uit persoonlijke omstandigheden. Mijn opa sprak Valkenburgs, mijn vader tot op zekere hoogte ook, in de inleiding tot het boek komen enkele mensen voor die ik heb gekend en bovendien wordt er volop geciteerd uit het vorige Valkenburgse woordenboekje (1917), samengesteld door mijn verre familielid Theodoor (‘Thei’) Dorren. Maar zoals gezegd: het lijkt me ook gewoon een goed dialectwoordenboek, met een paar kenmerken die ik nog niet eerder ben tegengekomen.
Lees verder >>

Brood en spelen in taal

Door Suzanne Aalberse
Als u dit stukje leest, kunt u waarschijnlijk Nederlands. Dat is economisch best handig. Redelijk veel mensen verstaan Nederlands, je kunt daarom in de taal handel drijven, veel verschillende sociale contacten mee aanknopen, onderwijs volgen en nog veel meer. Met Nederlands kun je misschien niet zoveel als met Engels, maar weer meer dan met het Tukkers. In zijn boek words of the world uit 2001 beschrijft Abram de Swaan de talen als een planetenstelsel. Supercentrale talen als het Engels verbinden heel veel sprekers. Om die grote planeten heen zweven wat kleinere planeten, de centrale talen zoals het Nederlands en weer daaromheen zweven de meer perifere talen als het tukkers. De voorspeling van de socioloog de Swaan is dat de grote planeten steeds belangrijker worden, omdat ze hun sprekers het meeste opleveren. Taal als brood zou je kunnen zeggen.

Lees verder >>

Het buurtje rondom de zon

Van links naar rechts Venus, Mars en Amor. 

“Hoe ziet een levend, bruisend Mars eruit?”, las ik gisteren in Scientias Magazine, en ik struikelde erover. Een slippertje van de eindredacteur, leek me. “Wat is in vredesnaam ‘het Mars’?”, twitterde ik. “Intrigerend: hoe ontstaat zo’n fout? Waarom zegt iemand dat?”

Die vraag maakte een stroom van verrassende reacties los. Meerdere mensen die ik ken als deskundig en/of taalgevoelig antwoordden dat ook zij Mars als onzijdig beschouwden. Zelfs @onzetaal neigde daartoe, al beaamde de anonieme penvoerder dat de planeten volgens hun naslagwerken inderdaad de-woorden waren.

Niemand weet hoe de taal in 2012 veranderd is

Ook in 2012 is het Nederlands weer flink veranderd. Ik heb alleen geen idee in welke richting dat precies is gebeurd.

We zijn al een maand aan het terugblikken. De lijstjes met ‘woorden van het jaar’ buitelen over elkaar heen, maar niemand lijkt er echt in te geloven. Het zijn grappige gimmicks die kennelijk ieder medium dat iets met taal heeft gebruikt om even in de aandacht te komen. Maar lees voor de aardigheid eens een lijstje van een paar jaar geleden door — er is niemand die zich die woorden nog herinnert.

Lees verder >>

Een blog dat de lezer waardeert

Er wringt iets in het Nederlands. En het dreigt in de toekomst nog erger te gaan wringen. Maar onze nazaten zullen het wel oplossen – ik heb zelfs een vermoeden hoe.
Lang geleden had het Nederlands naamvallen, ook in de spreektaal. Naarmate die verdwenen, werd hun rol – namelijk: laten zien welk woord welke grammaticale functie vervult – overgenomen door voorzetsels en door een strikter voorgeschreven woordvolgorde.
Wat er wringt, is dat in sommige soorten zinnen de woordvolgorde op andere gronden al zo vast ligt, dat ze die ‘naamvalsvervangende’ functie niet kan vervullen. Zinnen als ‘Wie heeft de parkiet laten schrikken?’ en ‘Dit is de parkiet die de wijkverpleegster heeft laten schrikken’ zijn daardoor dubbelzinnig.

Lees verder >>

Heb jij / jij hebt

In een artikel dat hij deze week op het internet gezet heeft, wijst mijn collega Gertjan Postma op een curieuze correlatie, die te zien is in de twee kaarten hierboven.

Op de linkerkaart staan bolletjes bij alle dialecten die nog het oude voornaamwoord du hebben (of dich of iets dat erop lijkt) voor de tweede persoon enkelvoud. Op de rechterkaart staan bolletjes in alle dialecten waar het werkwoord soms een verschillende vorm heeft als het onderwerp ervoor staat dan wanneer het onderwerp erna komt. De standaardtaal heeft zo’n dubbel paradigma voor het werkwoord bij jij:

Jij loopt
Loop jij
Lees verder >>

Mag roodborstje niet meer?

NRC Handelsblad trok er zaterdagavond bijna driekwart pagina voor uit: een lange klacht van de cabaretier Hans Dorrestijn over het verdwijnen van de verkleinwoordvormen van vogelnamen.

Het verdwijnen van wat? Ja, mij was het ook ontgaan, maar volgens Dorrestijn is er een taalramp aan de gang die zijn weerga niet kent. In plaats van roodborstje moet men tegenwoordig roodborst zeggen, in plaats van winterkoninkje zegt men winterkoning en zo maar door. Dit alles is volgens de schrijver, die Nederlands gestudeerd heeft, verordineerd door ‘biologen’ die op het vlak van taal volkomen ‘amateurs’ zijn.

Waarom besteedt een krant aandacht aan zoiets? Geinig? We moeten ook weer eens wat met taal, maakt niet uit wat, want dat lezen de lezers graag? Die Dorrestijn windt zich zo grappig op?

Lees verder >>

Taal als tijdsmachine

Om de reiziger aan te sporen om een kaartje te kopen en zo de boete van 40 euro te vermijden, hangt er een bordje in de bus van Wupperal: “40 euro sind viel geld!”Mijn oog valt op sind, ik zou niet snel zeggen 40 euro “zijn veel geld”, maar liever ”is veel geld”. Mijn aandacht gaat naar wat anders is dan in het Nederlands. Dat op de uitspraak na alles hetzelfde als in het Nederlands is,merk ik niet op. Vaak gaat praten over taal over verandering en over verschillen. Groot was dan ook mijn verbazing dat Fiona Jordan, antropoloog bij het Max Planck instituut zei dat taal voor antropologen zo interessant is, omdat taal zo stabiel is. Waar de techniek om dingen zoals vazen maken in twee generaties helemaal kan veranderen of verdwijnen, verandert taal geleidelijk. Je moet elkaar kunnen blijven verstaan. De eis van verstaanbaarheid remt verandering.

Lees verder >>

Hoe reëel is meer dan reëel?

Wat betekent reëel? Dat vroeg ik me gisterenavond ineens af toen ik een stukje van de historicus Han van der Horst las op het weblog Joop.nl. Daar stond:

Let wel: dat hoeft niet te gebeuren maar de kans dat het wel die kant op gaat, is meer dan reëel.

Die uitdrukking meer dan reëel moet ik al heel vaak hebben gehoord, hij klinkt me vertrouwd in de oren. Hij was me alleen nooit eerder als vreemd opgevallen. Het komt misschien vooral doordat in deze zin zo expliciet wordt gezegd dat de kans op een gebeurtenis meer dan reëel is en dat het toch niet hoeft te gebeuren, dat het me opviel.
Lees verder >>

Dapper roepen maar niets lezen

Over het Verkavelingsvlaams

Het komt niet vaak voor dat een academisch boek over taal onmiddellijk tot discussie in de krant leidt, maar de Antwerpse taalkundigen Kevin Absillis, Jürgen Jaspers en Sarah Van Hoof is het gelukt met hun boek De manke usurpator. Over Verkavelingsvlaams, dat donderdag verscheen.

De Vlaamse kranten stonden er vol van. Allerlei schrijvers bemoeiden zich ermee: Geert van Istendael, Dimitri Verhulst en Stefan Hertmans. De schrijvers stelden zich stuk voor stuk op als hoeders van de cultuur tegen die verderfelijke academici. Maar geen van hen geeft er blijk van ook maar een blik in het door hen zo verfoeide boek geworpen te hebben.
Lees verder >>

Boekpresentatie De manke usurpator: Over Verkavelingsvlaams

Op donderdag 30 augustus 2012 wordt in de marge van het achttiende Colloquium Neerlandicum van de Internationale Vereniging voor Neerlandistiek het boek De manke usurpator: over Verkavelingsvlaams voorgesteld. Iedereen is welkom om mee het glas te heffen om 12.30u in de hall van de Aula Rector Dhanis (Universiteit Antwerpen). Aanwezigen kunnen het boek aanschaffen tegen een eenmalige gunstprijs (25 euro i.p.v. 28 euro) en maken bovendien kans op een fotoshootmet de enige echte manke usurpator (www.demankeusurpator.wordpress.com).

Over het boek
Meer dan twintig jaar geleden waarschuwde Geert van Istendael de zuidelijke Nederlanden voor een geheimzinnige “manke usurpator” die zowel de stan­daardtaal als de dialecten naar het leven stond. Hij doopte de indringer Verka­velingsvlaams. De spotnaam dook snel op in de nieuwsmedia, veroverde de schoolboeken en ging deel uitmaken van onze officiële woordenschat toen Van Dale het begrip van een lemma voorzag. Zelfs taalkundigen adopteerden de term als een stout synoniem voor wat ze doorgaans “tussentaal” noemen. Sinds­dien is het Verkavelingsvlaams omstandig betreurd, verketterd en bestreden. Toch heeft niets zijn opmars kunnen stoppen. Vandaag groeien kinderen in de noordelijke provincies van België meer dan ooit op in een taal die geen dialect (meer) is maar ook behoorlijk afwijkt van het Standaardnederlands.
Lees verder >>

Meldpunt Taal

We hebben hem iets meer dan twee jaar geleden gelanceerd en sindsdien is de media-aandacht ervoor wat geluwd. Er zijn sindsdien ook tientallen meldpunten op internet gekomen, waarvoor de aandacht inmiddels ook weer geluwd is (wat was dat ook weer met die Midden- en Oost-Europeanen?).

Maar dat betekent zeker niet dat er niets meer gebeurt op het Meldpunt taal, de website waarop we sindsdien meldingen verzamelen die taalgebruikers doen: opvallende woorden, vreemde zinsconstructies, anekdotes. Als je regelmatig op het Meldpunt komt, voel je de taal leven:

Bijna druipend komen mijn NT2-leerlingen binnen: het stortregent en er wordt flink geklaagd. “Maar”, probeer ik te troosten, “vanmiddag breekt de zon door.” Een Zuid-Amerikaanse roept “O nee! Wordt het dan nóg erger?” Ineens realiseer ik haar verwarring als gevolg van het feit dat wij maar de helft van de uitdrukking gebruiken, want eigenlijk bedoelen we: vanmiddag breekt de zon door de wolken.
Lees verder >>

Over de geboorte van lidwoorden, naamvallen en andere (on)gemakken

door Suzanne Aalberse


Vaak lees je over het verdwijnen van lidwoorden of naamvallen. Steeds meer mensen zeggen ‘de mooie meisje’ en de –n van ‘te allen tijde’ is er alleen op papier nog maar allang niet meer in gesproken taal. Toch  zijn lidwoorden en naamvallen ooit ontstaan. Hoe eigenlijk en waarom?


In zijn boek Sociolinguistic Typology.  Social determinants of linguistic complexity schrijft Peter Trudgill over de situatie waarin naamvallen, lidwoorden en andere elementen die in ieder geval voor volwassen en soms ook voor kinderen lastig te leren zijn, toch kunnen opkomen. Dat is vooral in hele kleine taalgemeenschappen, waar weinig tot geen volwassen de taal voor het eerst leren –iedereen leert de taal al als kind-, waar mensen de meeste kennis delen, een taal die vooral informeel gebruikt wordt en in een gemeenschap waar geen heftige dingen gebeuren zoals massaal doodgaan aan de pest en waar de sociale orde niet opeens verschuift. Hij noemt die gemeenschappen ‘societies of intimates’.

Grappig is om te zien waar naamvallen vandaan komen.
Lees verder >>

Yes!

Ik weet niet wat u vandaag allemaal te doen heeft, maar als ik u was, zou ik de boel maar de boel laten en vandaag naar Groningen gaan, waar momenteel de 33e TABU-dag plaatsvindt. Het is oorspronkelijk begonnen als een evenement van het hier uitgegeven tijdschrift Taalkundig Bulletin (TABU) en duurt inmiddels anderhalve dag.

Ik heb gisteren, tijdens de eerste halve dag, allerlei nieuwe dingen geleerd. Eén lezing, van Philipp Wallage en Wim van der Wurff, ging bijvoorbeeld weliswaar over het Engels, maar zette me ook aan het denken over het Nederlands.

Lees verder >>

Hoe het verschil tussen cent en zend verdwijnt

Gisteren kreeg het Meertens Instituut, waar ik werk, bezoek van Charles Yang – een Amerikaanse informaticus en taalkundige van de Universiteit van Pennsylvanië. Hij gaf een lezing waarin hij liet zien hoe je soms kunt voorspellen dat een bepaalde taalverandering door gaat zetten: als er eenmaal genoeg sprekers zijn die de nieuwe vorm hebben overgenomen, is er geen houden meer aan en gaat binnen de kortste keren de hele gemeenschap eraan. Yang liet zien dat soms 17% genoeg is: als 17 van de 100 sprekers eenmaal de nieuwe vorm hebben omhelsd, is er geen weg meer terug.

Hoe verandert taal? En vooral: hoe gebeurt het dat mensen van elkaar nieuwe vormen overnemen? Lees verder >>