Tag: taalverandering

Tijd voor een taalverandering

Door Emma Kemp

Taalverandering (of taalverloedering, maar dat is tegenwoordig net zo’n verboden term als Zwarte Piet) doet elk jaar weer stof opwaaien. Maar taalverandering is van alle tijden. En ook al zijn de consequenties niet mild, een verklaring ervoor zoeken kan soms verlichting bieden.

De als/dan-kwestie

Het afwijkende gebruik van ‘als’ in de vergrotende trap is één van die veranderingen. “Mijn kat is groter als die van jou” in plaats van “mijn kat is groter dan die van jou”. Een veelgebruikte reactie van  mensen die op dit gebruik worden aangesproken, is “maar je begrijpt me toch”.

Lees verder >>

‘Nee, jij trekt volle zalen’ en het verstrijken van de tijd

Door Marc van Oostendorp

Gisterenavond was ik in een sentimentele bui en ook nog eens alleen thuis, dus toen dacht ik aan vrienden uit de jaren negentig. Een van hen herinnerde ik me omdat ze dingen zei als “Nee, jouw gezicht zetten ze op een postzegel” en vooral “Nee, jij trekt volle zalen”. Het waren uitdrukkingen op momenten dat iemand een ander aan het kritiseren was.

“Nee, jij trekt volle zalen!” Zou er nog iemand zijn die dat weleens zegt? Je kunt dat op verschillende manieren onderzoeken die in de jaren negentig zelf nog volkomen onbereikbaar waren als je eens een nostalgische avond thuis had. Je kunt het bijvoorbeeld op Twitter gooien, zodat meteen bleek dat allerlei mensen het nog steeds gebruiken:

Lees verder >>

Een voorhene interesse

Door Henk Wolf

Recent omschreef een uiterst fatsoenlijke Friese wetenschapper op Facebook het woord neuken als ‘in foarhinne taboewurd’. Dat is in het Fries net zo gek als in het Nederlands, waar voorheen ook normaal niet als bijvoeglijk naamwoord wordt gebruikt.

Normaal niet, maar ook niet helemaal niet. Toen ik ging googelen, vond ik negen vindplaatsen met ‘een voorhene’. Voorbeelden zijn: ‘een voorhene interesse’, ‘een voorhene versie’ en ‘een voorhene kerk’. Lees verder >>

It tsjerke

Door Henk Wolf

Wanneer er in het Fries iets verandert, dan is het resultaat meestal dat die taal ietsjes meer op het Nederlands is gaan lijken, óf dat de verschillen tussen de twee talen wat regelmatiger zijn geworden. Een opvallende uitzondering daarop is de geslachtsverandering van het woord tsjerke (‘kerk’). Dat is vanouds net als in het Nederlands een de-woord, maar een groeiend deel van de jongeren gebruikt het met het lidwoord it (‘het’).

Dat ‘de tsjerke’ ‘it tsjerke’ werd, viel me begin 2013 voor het eerst op in een tentamen van een eerstejaarsstudente. Ik dacht dat het een slordigheidje was en besteedde er geen aandacht aan, maar kort daarna kwam ik het nog een paar keer tegen. Toen schreef ik er een stukje over.

Nou zat de geslachtswisseling van tsjerke die ik in 2013 tegenkwam nog maar in een voorfase. Dat moet ik even uitleggen. In het Fries krijgt een klein aantal de-woorden na een voorzetsel namelijk soms het lidwoord ‘t. Zo zeggen Friezen wel ‘de winter is kâld’, maar ook ‘fan ’t winter is it kâld’. En het Fries heeft ‘de soad’ (‘de kook’), maar ook ‘by ’t soad’ (‘in grote hoeveelheid’, letterlijk ‘bij de kook’). Het woord tsjerke hoort vanouds niet bij die groep woorden met zo’n lidwoordverandering, maar ging er nu wel aan meedoen. Yn 2013 zeiden een paar studenten dus wel ‘de tsjerke is moai’, maar ook ‘yn ’t tsjerke is it kâld’. Lees verder >>

Gekke Henkie en achterlijke Joepie

Door Marten van der Meulen

Dat voetbal en taal hand in hand gaan is al eeuwen bekend. Nieuwe woorden (rabona), interessante fenomenen (hattrick), nieuwe werkwoorden (VARrenkeeper of doelman en ga zo maar door (zie hier voor een overzicht van voetbalartikelen in Onze Taal). Maar ook buiten het voetbal om gebeuren er interessante dingen. Zo zei Willem van Hanegem in zijn column in het AD het volgende over geplaagde coach José Mourinho:

  • Die man heeft alles gewonnen en nu doen we net alsof het een ‘achterlijke Joepie’ is.

Er zijn vrij veel namen die aanvankelijk als ‘gewone’ naam voorkomen, maar die na verloop van tijd een soort algemene negatieve connotatie aannemen. In het Nederlands kennen we bijvoorbeeld Truus en Trien voor ‘dom wichtje’, maar ook Bep (‘praatzieke vrouw’) en natuurlijk Kenau (‘manwijf’). In het Engels zijn er bovendien veel namen die inmiddels ook piemel betekenen: Willy, Peter en Dick bijvoorbeeld. Lees verder >>

De eerste ouderdomsrimpels van ‘kúnst’ en ‘pluk de dag’

Door Henk Wolf

Het proberen te betrappen van nieuwe taalveranderingen (en daar dan wat over schrijven) is een hobby van me. Nou heb je taalveranderingen ruwweg gezegd in twee soorten: er kan in een taal iets bij komen en er kan iets uit de taal verdwijnen. Taalveranderingen van het eerste type zijn een stuk makkelijker te vangen dan zulke van het tweede type.

Deze week heb ik er twee keer een aanwijzing voor gevonden dat iets uit de taal lijkt te verdwijnen. Lees verder >>

De vriend en ik

Door Marten van der Meulen

Een tijd geleden schreven we op het blog De taalpassie van Milfje over de vreemde discrepantie die bestaat bij het benoemen van man/vrouw-relaties (m’n mannetje vs het vrouwtje) en het vreemde gebruik van m’n mannetje voor mannelijke baby’s. Nu attendeerde mijn kamergenoot Alan Moss (lees ook vooral zijn zeer leesbare stukken over zeventiende-eeuwse reisverhalen) me op een andere vorm: de vriend en ik. Ahum, wat gebeurt hier?


De vriend

Allereerst: waar hebben we het nu eigenlijk over? Het is in principe natuurlijk heel normaal om voorkomens tegen te komen in de vorm de X en ik. De man en ik gingen samen naar binnen: dat is een prima zin, die zou kunnen bestaan. Maar het gaat hier om een specifiek type van deze constructie, waarbij je eerder het bezittelijk voornaamwoord mijn zou verwachten. In plaats daarvan komt er echter een bepaald lidwoord. Zie bijvoorbeeld deze tweet: Lees verder >>

Menig school heeft vacatures

Door Siemon Reker

Dat menig bij het traditionele ontleden een onbepaald voornaamwoord heette was een passende aanduiding, veel beter dan bijvoorbeeld in het geval van alle of geen. Menig betekent dat er ‘nogal wat’ van de aangeduide groep vallen onder wat er beweerd wordt, bij alle en geen ontbreekt die onduidelijkheid, die onbepaaldheid. Als iets betrekking heeft op geen mens of alle mensen weten we precies hoe laat het is, menig mens laat ons veel meer in het ongewisse.

Menig mens illustreert een apart trekje van het Nederlands: na menig volgt steeds een enkelvoud maar er wordt altijd een meervoud mee uitgedrukt, hoe onbepaald ook. En menig onderstreept nog eens z’n eigen onbepaaldheid bij het antwoord op de lastige vraag of we soms menig zeggen of menige. Het woordje gedraagt zich inderdaad wat als een bijvoeglijk naamwoord áls we maar in gedachten een onbepaald lidwoord voorvoegen. Laten we het illustreren met twee voorbeelden, een de-woord en een het-woord. Daar immers worden de verschillen duidelijk, het grote gebouw en de grote tuin trekken in hun verbuiging één lijn maar een grote tuin vormt als het ware een contrast met een groot gebouw. Lees verder >>

Kun je taalverloedering wel onderzoeken?

Door Peter-Arno Coppen

In het stuk van Marten van der Meulen dat ik in mijn vorige blogpost besprak komt nog een interessante opmerking voor. In zijn beschouwing van de onderbouwing van het begrip taalverloedering merkt Marten op dat je daar eigenlijk onderzoek naar zou moeten doen: “Maar hier zit het probleem: dat onderzoek is er niet. Er is (voor zover ik weet) nog nóóit een onderzoek geweest dat twee punten in de tijd heeft genomen en heeft laten zien dat er meetbaar meer slordige fouten worden gemaakt dan vroeger.” In een reactie op mijn vorige blogpost voegt hij daaraan toe: “Ik had het ook met een collega over dat onderzoek: dat kán wel. We hebben alleen een berg essays enzo nodig uit Vroeger Tijden. Heb jij niet nog wat liggen, of contacten?” Dat lijkt me wat te optimistisch.

Ik kan me van een jaar of tien geleden herinneren dat we in de redactie van Onze Taal ook eens hebben geprobeerd om een soortgelijk onderzoek van de grond te krijgen. Het idee was nog simpeler: neem een steekproef uit kranten van verschillende periodes, en vergelijk de fouten. Dan heb je een factcheck van de populaire bewering “Er staan tegenwoordig veel meer taalfouten in de krant.” Dat onderzoek is nooit van de grond gekomen, en hoe langer we ermee bezig waren, hoe meer problemen we bedachten.

Ik neig nu een beetje naar het idee dat zo’n onderzoek helemaal niet kan (alleen misschien in een heel beperkte vorm, waarin je alleen naar een heel specifieke soort fouten kijkt), en, wat nog belangrijker is: het is mij volslagen onduidelijk wat welk resultaat dan ook zou kunnen betekenen.

Ik zet even een paar overwegingen op een rijtje, for future reference.

Lees verder >>

Meta-taalzeuren

Door Peter-Arno Coppen

Op zijn eigen blog, doorgeplaatst in Neerlandistiek, opent Marten van der Meulen maar weer eens de aanval op mensen die klagen over taalverloedering (wat hij en passant kernachtig samenvat met de mooie term taalzeuren). Met genadeloze wetenschappelijke precisie legt hij enkele mechanismen bloot die ten grondslag liggen aan het feit dat mensen door de eeuwen heen voortdurend het idee hebben dat de taal verloedert: cognitieve biases, cultuuridealisering en het ontbreken van kennis in de historische dimensie van de taal. Daar komt dan nog eens bij dat het hele begrip ‘verloedering’ niet eens fatsoenlijk te definiëren is, en er (waarschijnlijk mede als gevolg daarvan) geen behoorlijk kwantitatief onderzoek bestaat dat de mate van verloederdheid ooit longitudinaal in kaart heeft gebracht.

Wanneer de taalzeurders aldus murw geslagen in de touwen liggen, komt de slotconclusie een beetje als een anticlimax: en nou ophouden over taalverloedering! (“Laten we maar lekker ophouden over taalverloedering.”) Repressie, ja dat is de oplossing! Dat we daar niet eerder aan gedacht hebben.

Lees verder >>

Het probleem met taalverloedering

Door Marten van der Meulen

Jongens, we kunnen ons weer verheugen: er is een nieuw programma over taal op tv! Gisteren was de eerste aflevering van de S.P.E.L.-show. Ik zal eerlijk zijn: mijn maag begon al bij het zien van de titel te borrelen, en ik heb dus ook niet gekeken. De tekst op de website van BNNVARA bracht namelijk een flinke portie antiperistaltiek met zich mee: “Het gemiddelde taalniveau in Nederland daalt: jongeren kunnen minder goed lezen en schrijven dan bijvoorbeeld twintig jaar geleden. De S.P.E.L.-show van Astrid Joosten komt als geroepen.” Alsof zij daar ook maar íets aan gaat veranderen zeg, allemachtig… Een interview in het AD opende bovendien met dit stukje tekst:

Astrid Joosten (60) windt – met dt – zich op. Ze signaleert om zich heen taalverloedering en dat gaat de presentatrice aan het hart. “Ik constateer dat onze taalvaardigheden achteruitgaan.”

Het deed me denken aan een interview met Ad Verbrugge van Beter Onderwijs Nederland (BON). In een stuk op de site van NOS werd hij een tijdje terug als volgt geciteerd:

“Er is sprake van taalverloedering en achteruitgang van de uitdrukkings-vaardigheid in het Nederlands bij mensen die later belangrijke functies in het openbaar bestuur en de rest van de maatschappij innemen.”

Dat begrip, taalverloedering: dat hoor je wel vaker (bijvoorbeeld bij de huidige kampioen taalzeuren Japke-d), maar het is eigenlijk een heel lastig iets. Want wat is het eigenlijk, en hoe kom je erachter of er sprake van is? Lees verder >>

Taal in een weekendkrant

Door Siemon Reker

Lezen veel abonnees een krant he-le-maal, laat staan een weekendkrant? Ik krijg NRC Handelsblad al een poosje dagelijks bezorgd maar ik kan me niet herinneren dat ik een exemplaar geprobeerd heb, van A tot Z te lezen. Dat is dit weekend veranderd – opeens zag ik dat er stukken in staan over het Rif-gebied in Marokko waarbij er niet over en weer naar elkaar verwezen wordt of hoe er op meerdere plaatsen sprake is van platformeconomie om zomaar iets te noemen.

Gelezen met het oog op taal – aha, staan er veel taalfouten in die krant? Nee, lezer, ik heb niet in de eerste plaats corrigerend gelezen, maar daarover verderop nader. Lees verder >>

Het werkwoord VARren

Door Marten van der Meulen

Ik was de afgelopen dagen in Engeland, en dus volgde ik het WK voetbal op de BBC. Ik begon er lekker een beetje in te komen: spannende wedstrijden, rare regels (door op gele kaarten), ik vermaakte me prima. En er is altijd de kans op een leuke taaluiting: voetbal staat bekend om z’n nieuwe woorden, uitdrukkingen in een nieuw jasje en heel specifieke interpretaties. En inderdaad: op een gegeven moment zag ik zowaar een werkwoord dat ik nooit eerder had gezien!

Hoera! In het Engels, ok, maar je kunt er donder op zeggen dat dit woord in deze betekenis ook in het Nederlands wordt gebruikt. Daar hadden we natuurlijk die geschreven vorm al wel. ‘Varren’ is simpelweg het meervoud van ‘var’, wat ‘jonge stier’ betekent (vooral bekend uit de bijbel). Als werkwoord bestond dit echter nog niet, en bovendien heeft het een andere herkomst.  Lees verder >>

Lekker genederlandst!

Door Marc van Oostendorp

Er waart een spook door Nederland, het spook van “lekker genederlandst”. Voor zover ik heb kunnen nagaan wordt het op allerlei plaatsen in het land gebruikt, vooral door jonge tieners. Ik kreeg een tweet doorgestuurd – als mensen over dit soort dingen beginnen op de sociale media zijn er soms vriendelijke andere mensen die mij bij de discussie betrekken over de kwestie:

Uit de antwoorden bleek dat ook andere mensen dit herkenden, en toen ik ernaar vroeg op de onvolprezen Facebook-groep Leraar Nederlands bleken allerlei leraren de uitdrukking ook te kennen, van hun eigen leerlingen en van hun eigen kinderen. Mijn informele indruk is vooralsnog dat het vooral gaat om jonge tieners, tussen 10-13.

Lees verder >>

Zit niet zo te haten

Door Marc van Oostendorp

In zijn spetterende afscheidslezing van de Universiteit Utrecht liet Gerrit Bloothooft afgelopen vrijdag nog eens zien hoe interessant voornamen zijn, zoals hij dat nu ook al maanden doet op Neerlandistiek. Ze zijn het perfecte modeverschijnsel, hét verschijnsel om te bestuderen als je mode in zijn puurste vorm wil zien: “mode zonder reclame” noemde Gerrit het, want er wordt op de tv of op billboards niet opgeroepen om je dochter Eefje te noemen, en toch doen mensen het. Mode zonder centen, zou je het ook kunnen noemen, want terwijl een hippe broek nog weleens een te hoge prijs wil hebben is Sem niet duurder of goedkoper dan Wim.

Taalverschijnselen hebben dat modieuze natuurlijk ook soms. Op het onvolprezen Meldpunt Taal verscheen eerder deze maand een melding van de uitdrukking Zit niet zo te haten?  “Dit zinnetje op Facebook”, schreef de melder erbij, “is een reactie op een wat onaardige opmerking van iemand anders. Haten lijkt hier als agentief werkwoord te worden gebruikt.” En dat lijkt me juist: terwijl je vroeger alleen kon haten als dat gevoel je overkwam, suggereert zit niet zo… dat het iets is dat je actief doet. Het betekent geloof ik ook eerder zoiets als ‘hatelijke opmerkingen plaatsen’ en is verwant met het op het internet populaire Engelstalige dictum “Haters gonna hate”, dat ook suggereert dat haten iets is dat je actief kunt doen.

Lees verder >>

Vacature: doctoraatspositie Historische Nederlandse Taalkunde

De betrekking wordt aangeboden binnen het project ‘Hoe voorspelbaar is taalverandering?’, onder supervisie van Prof. Dr. Freek Van de Velde, in de onderzoeksgroep QLVL (Taalkunde). QLVL legt zich toe op kwantitatieve benaderingen van taalvariatie en taalverandering.

Project

Hoewel er binnen en buiten de taalkunde pessimisme heerst over de voorspelbaarheid van taalverandering, kun je niet zeggen dat de koers van taalverandering zomaar alle kanten kan uitschieten. Net zoals andere sociale fenomenen volgen taalveranderingen een karakteristieke S-curve, met een traag begin, dan een versnelde overname door een nieuwe vorm, en dan weer een trage eindfase. Die S-curve kan wiskundig gemodelleerd worden met de logistische vergelijking.Historische taalkundigen hebben laten zien dat de logistische curve een goede benadering is voor heel wat veranderingen die ze onderzocht hebben, maar ze zijn meestal niet geïnteresseerd in wat je nog kunt opmaken uit de residuelen. Het ideale scenario is om een optimale fit te hebben tussen curve en de geobserveerde waarden. In dit project zal gekeken worden naar gevallen waarin de veranderingen afwijken van het model. Voor 26 veranderingen in het Nederlands tijdens de 19e en 20e eeuw zal worden nagegaan of die de karakteristieke S-curve volgen, en of er systematiek zit in de gevallen waarin de koers afwijkt. Meer specifiek zullen de parameterinstellingen geschat worden op geobserveerde waarden voor de periode 1850-1949 in een standaardtalig tekstcorpus met een homogeen register. Die instellingen worden vervolgens gebruikt om de koers te voorspellen voor de periode 1950-1999. Daarna zullen voor elk van de 26 veranderingen de gemiddelde gestandaardiseerde residuelen berekend worden, die vervolgens geclusterd worden om na te gaan of die clusters verschillende types taalverandering onderscheiden. Lees verder >>

Een nieuw achtervoegsel in 2017

Door Siemon Reker

Is er in 2017 een nieuw achtervoegsel in de Tweede Kamer opgedoken? Dat is niet helemaal zeker maar waarschijnlijk is het wel. In ieder geval is het kalenderjaar 2017 de tijd dat -gedreven in vergelijking met andere jaren voldoende vaak als suffix in de Handelingen genoteerd werd om te veronderstellen dat dit het jaar van De Doorbraak is.

Het gaat in 2017 – dat korte parlementaire jaar met weinig of korte plenaire vergaderingen als gevolg van de verkiezingen voor de Tweede Kamer én de zeer lange formatie – om deze woorden volgens de niet-gecorrigeerde verslagen: datagedreven, modelgedreven, subsidiegedreven, contentgedreven, expertgedreven. Er is ook nog waardegedreven, of waardengedreven: daar is in een deel van Nederland niet zo simpel tussen te onderscheiden. In het volgende citaat van Pieter Omtzigt (CDA) is duidelijk dat de Dienst Verslag en Redactie moet wennen aan een achtervoegsel -gedreven: “We denken dat dingen als het LIV veel beter kunnen en dat ze model gedreven zijn.” Wat het LIV ook is, model gedreven zou niet veel later genoteerd zijn als modelgedreven net als deze citaten in hetzelfde jaar 2017: Lees verder >>

Taalkundige fact check: wie gebruikt het werkwoord ‘difficulteren’?

Door Marten van der Meulen

Gisteren stond er op Neerlandistiek.nl een interessant stuk van Marc van Oostendorp over een tweet van Geert Wilders, waarin deze het woord ‘difficulteren’ gebruikte. Van Oostendorp ontkracht een aantal misverstanden rond dit werkwoord. Zo is het waarschijnlijk niet afkomstig uit het Engels, want het werd al gebruikt in een tijd waarin de invloed van het Engels klein was. Daarnaast is het aantoonbaar géén neologisme dat door Ruud Lubbers is geïntroduceerd. Deze observaties zijn op zich al geweldig: ze laten zien hoe (taal)mythes blijven rondzingen, en hoe snel er naar Engelse invloed wordt verwezen, ook als dat onterecht is. Maar het boeiendste staat in de slotalinea van het stuk:

Wel is het een taalkundige aanwijzing dat Geert Wilders diep ingebed zit in een eeuwenlange traditie van bestuur en politiek, die de rest van het volk maar niet heeft weten te bereiken.

Eerder noemt Van Oostendorp dit ook al: het woord difficulteren wordt al lang gebruikt in de politiek, maar komt daarbuiten niet voor. Dat is toetsbaar: we hebben grote collecties taalgebruik van binnen en buiten de politiek tot onze beschikking. Hierbij dus een taalkundige fact check: wordt het werkwoord dfficulteren inderdaad uitsluitend in de politiek gebruikt? Lees verder >>

Laten zien

Door Nico van Lieshout

Ik was bezig mijn voorbereidingen te treffen voor de aanstaande les aan vijf atheneum. De klassenset van De Spaanse Brabander van Bredero (1585 – 1618) lag op een hoge stapel op de hoek van mijn tafel, maar voor we daarmee verder zouden gaan (we waren tot het einde van het derde bedrijf gekomen), wilde ik twee liefdesgedichten van Pieter Corneliszoon Hooft (1581 – 1647) lezen; het sonnet over de Gezwinde grijsaard dat gaat over het dubbelzinnige werkwoord verlangen en Galathea, siet den dagh comt aen, waarin twee geliefden vóór het licht wordt, afscheid nemen van elkaar.

Terwijl ik mijn aanstaande voordracht doornam, zwaaide de deur open en betrad een kleine optocht het lokaal.

Meneer, wilt u dit lezen en tegen mijn docent wiskunde zeggen wat u ervan vindt? Daar had ik een A-4tje voor mij en werd ik priemend aangekeken door mijn leerling die het onrechtvaardig vond dat er een halve punt was afgetrokken van het cijfer voor haar wiskundewerkstuk om een taalfout waarvan zij zich niet bewust was. Ze had twee secondanten meegenomen die haar dekten in de flanken en mijn collega Nederlands had plaatsgenomen achter de eerste tafel bij het raam. Zij wachtte geamuseerd af wat er zou komen. Lees verder >>

I’m, like, the avant garde of language

Door Marc van Oostendorp

Waar komt een taalverandering vandaan? Wie zijn er verantwoordelijk voor het feit dat mensen een tijdje geleden ik heb zoiets van zeiden? Wat voor mensen kwamen daar het meest mee aanzetten?

Gebruik van ‘to be like’ door mensen in Philadelphia. De verschillende symbolen geven verschillende leeftijdscategorieën aan. De x-as zijn de jaren waarin de sociolinguïsten van Labov interviews hielden. De y-as geeft het percentage aan waarmee ‘quotatieven’ de vorm ‘to be like’ hebben (in plaats van bijvoorbeeld ‘to say’)

Er zijn weinig mensen die zoveel hebben bijgedragen aan onze kennis van taalverandering als William Labov. Negentig jaar oud is hij inmiddels en onlangs publiceerde hij weer een artikel <€> dat precies over deze vraag ging, zij het dan toegespitst op de introductie van to be like (“I was like, ‘How can you do that?’) in de Amerikaanse stad Philadelphia, waar hij al vele decennia woont, werkt en de taal observeert.

To be like is een nog veel succesvollere tegenhanger van ‘zoiets hebben van’. Waar die laatste constructie misschien wel weer op zijn retour is, heeft ‘to be like’ stevig voet aan de voet gezet. Het werd voor het eerst genoteerd in een taalkundig artikel in 1982, en in hetzelfde jaar gebruikte Frank Zappa het in een liedje: Lees verder >>

Kranten en romans: makkelijk of moeilijk?

Door Sterre Leufkens

Hebben jullie weleens een krant uit de jaren 50 gezien? Zo niet, gauw naar Delpher, want het is hartstikke leuk. Het valt meteen op dat kranten sindsdien behoorlijk veranderd zijn – in formaat, opmaak, maar ook in taalgebruik. Dat laatste is natuurlijk interessant: in welk opzicht is de journalistieke stijl van het Nederlands veranderd, in pakweg 60 jaar? Is het taalgebruik makkelijker geworden, of juist moeilijker? En hoe zit het eigenlijk met de taal van romans, is die ook veranderd? Jullie hebben geluk: megacollega’s van de Uni van Utrecht deden er onderzoek naar!   Lees verder >>

In verband dat er een trein rijdt

Door Marc van Oostendorp

(De Zuid-Willemsvaart, 14-09-1929)

Hoe taalliefhebbers het vroeger deden, vóór de tijd van de sociale media: het is een raadsel. Je moest het toen altijd doen met je eigen kleine waarnemingen en wat misschien deze of gene vriend je dan nog kwam vertellen, maar je kon niet zo makkelijk delen in wat allerlei taalgevoelige mensen elders iedere dag weer opvisten uit de zee van taal die ons almaar omgeeft.

Je kon dan bijvoorbeeld niet genieten van de avonturen van Rutger Kiezebrink in de trein:

Lees verder >>

Appen, whappen of whatsappen – wat doet u?

Door Simeon van der Vos, Gymnasium Haganum
en Ton van der Wouden, Universiteit Leiden

Voor zijn profielwerkstuk onderzocht Simeon van der Vos via een enquête de woorden die Nederlanders hanteren om het gebruik van Whatsapp aan te duiden.

Als er een nieuw ding is, dan moet het ook een naam hebben, want je moet erover kunnen praten. Vaak ontleent het Nederlands in zo’n geval een woord aan een andere taal – computer en aids komen uit het Engels, automobiel en kantoor uit het Frans – soms wordt er een nieuw woord verzonnen – bromfiets of schouwburg (een woord dat bedacht is door Joost van den Vondel).

In 2009 is de communicatieapp WhatsApp op de markt gekomen. Het programmaatje werd in een rap tempo over de hele wereld omarmd en verdrong al snel oudere sociale media zoals SMS. Voor het gebruiken van WhatsApp heeft het Nederlands inmiddels verschillende werkwoorden, te weten whatsappen, appen en whappen, die respectievelijk in 2011, 2011 en 2012 voor het eerst zijn aangetroffen. Daarnaast zijn er nog allerlei vaste combinaties ontstaan zoals een appje sturen of een whatsappje verzenden, maar die blijven hier verder buiten beschouwing. Zoals alle nieuwe werkwoorden in het Nederlands worden whatsappen, appen en whappen regelmatig verbogen: Lees verder >>

Vertrokken Nederlands

Door Nicoline van der Sijs

Nederland is altijd al een emigratieland geweest. Alleen al in de periode 1995-2008 hebben volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek meer dan 1,3 miljoen Nederlanders het land verlaten, met als bestemming zowel Europese landen als niet-Europese landen. Vanuit Vlaanderen vertrekken ook steeds meer inwoners: in 2013 ging het om 45.961 personen, 30% meer dan in de twee jaren ervoor. Er wordt algemeen gezegd dat Nederlanders en Vlamingen in den vreemde snel hun moedertaal opgeven, maar hoe geëmigreerde Nederlandstaligen met hun taal en hun identiteit omgaan, is tot dusverre niet systematisch onderzocht.

Over de vraag hoe grootschalig onderzoek naar het Nederlands in het buitenland kan worden opgezet, heeft een groep internationale onderzoekers zich van 3 tot en met 6 april gebogen tijdens een inspirerende workshop op het Leidse Lorentz Center. Het antwoord ligt volgens ons in samenwerking tussen onderzoekers en burgerwetenschappers. De workshop, georganiseerd door Roberta D’Alessandro, Hans Bennis, Frans Hinskens, Steven Krauwer, Marc van Oostendorp, Nicoline van der Sijs en Ton van der Wouden, maakte onderdeel uit van een reeks workshops over de mogelijkheden en beperkingen van Citizen Science, wetenschapsbeoefening waarbij ook niet-wetenschappers (‘burgers’) een actieve rol spelen. Eerder dit jaar hebben natuurwetenschappers in het kader van deze workshoppenreeks overlegd over het meten van luchtvervuiling door burgerwetenschappers. Lees verder >>