Tag: taalverandering

Taalkundige fact check: wie gebruikt het werkwoord ‘difficulteren’?

Door Marten van der Meulen

Gisteren stond er op Neerlandistiek.nl een interessant stuk van Marc van Oostendorp over een tweet van Geert Wilders, waarin deze het woord ‘difficulteren’ gebruikte. Van Oostendorp ontkracht een aantal misverstanden rond dit werkwoord. Zo is het waarschijnlijk niet afkomstig uit het Engels, want het werd al gebruikt in een tijd waarin de invloed van het Engels klein was. Daarnaast is het aantoonbaar géén neologisme dat door Ruud Lubbers is geïntroduceerd. Deze observaties zijn op zich al geweldig: ze laten zien hoe (taal)mythes blijven rondzingen, en hoe snel er naar Engelse invloed wordt verwezen, ook als dat onterecht is. Maar het boeiendste staat in de slotalinea van het stuk:

Wel is het een taalkundige aanwijzing dat Geert Wilders diep ingebed zit in een eeuwenlange traditie van bestuur en politiek, die de rest van het volk maar niet heeft weten te bereiken.

Eerder noemt Van Oostendorp dit ook al: het woord difficulteren wordt al lang gebruikt in de politiek, maar komt daarbuiten niet voor. Dat is toetsbaar: we hebben grote collecties taalgebruik van binnen en buiten de politiek tot onze beschikking. Hierbij dus een taalkundige fact check: wordt het werkwoord dfficulteren inderdaad uitsluitend in de politiek gebruikt? Lees verder >>

Laten zien

Door Nico van Lieshout

Ik was bezig mijn voorbereidingen te treffen voor de aanstaande les aan vijf atheneum. De klassenset van De Spaanse Brabander van Bredero (1585 – 1618) lag op een hoge stapel op de hoek van mijn tafel, maar voor we daarmee verder zouden gaan (we waren tot het einde van het derde bedrijf gekomen), wilde ik twee liefdesgedichten van Pieter Corneliszoon Hooft (1581 – 1647) lezen; het sonnet over de Gezwinde grijsaard dat gaat over het dubbelzinnige werkwoord verlangen en Galathea, siet den dagh comt aen, waarin twee geliefden vóór het licht wordt, afscheid nemen van elkaar.

Terwijl ik mijn aanstaande voordracht doornam, zwaaide de deur open en betrad een kleine optocht het lokaal.

Meneer, wilt u dit lezen en tegen mijn docent wiskunde zeggen wat u ervan vindt? Daar had ik een A-4tje voor mij en werd ik priemend aangekeken door mijn leerling die het onrechtvaardig vond dat er een halve punt was afgetrokken van het cijfer voor haar wiskundewerkstuk om een taalfout waarvan zij zich niet bewust was. Ze had twee secondanten meegenomen die haar dekten in de flanken en mijn collega Nederlands had plaatsgenomen achter de eerste tafel bij het raam. Zij wachtte geamuseerd af wat er zou komen. Lees verder >>

I’m, like, the avant garde of language

Door Marc van Oostendorp

Waar komt een taalverandering vandaan? Wie zijn er verantwoordelijk voor het feit dat mensen een tijdje geleden ik heb zoiets van zeiden? Wat voor mensen kwamen daar het meest mee aanzetten?

Gebruik van ‘to be like’ door mensen in Philadelphia. De verschillende symbolen geven verschillende leeftijdscategorieën aan. De x-as zijn de jaren waarin de sociolinguïsten van Labov interviews hielden. De y-as geeft het percentage aan waarmee ‘quotatieven’ de vorm ‘to be like’ hebben (in plaats van bijvoorbeeld ‘to say’)

Er zijn weinig mensen die zoveel hebben bijgedragen aan onze kennis van taalverandering als William Labov. Negentig jaar oud is hij inmiddels en onlangs publiceerde hij weer een artikel <€> dat precies over deze vraag ging, zij het dan toegespitst op de introductie van to be like (“I was like, ‘How can you do that?’) in de Amerikaanse stad Philadelphia, waar hij al vele decennia woont, werkt en de taal observeert.

To be like is een nog veel succesvollere tegenhanger van ‘zoiets hebben van’. Waar die laatste constructie misschien wel weer op zijn retour is, heeft ‘to be like’ stevig voet aan de voet gezet. Het werd voor het eerst genoteerd in een taalkundig artikel in 1982, en in hetzelfde jaar gebruikte Frank Zappa het in een liedje: Lees verder >>

Kranten en romans: makkelijk of moeilijk?

Door Sterre Leufkens

Hebben jullie weleens een krant uit de jaren 50 gezien? Zo niet, gauw naar Delpher, want het is hartstikke leuk. Het valt meteen op dat kranten sindsdien behoorlijk veranderd zijn – in formaat, opmaak, maar ook in taalgebruik. Dat laatste is natuurlijk interessant: in welk opzicht is de journalistieke stijl van het Nederlands veranderd, in pakweg 60 jaar? Is het taalgebruik makkelijker geworden, of juist moeilijker? En hoe zit het eigenlijk met de taal van romans, is die ook veranderd? Jullie hebben geluk: megacollega’s van de Uni van Utrecht deden er onderzoek naar!   Lees verder >>

In verband dat er een trein rijdt

Door Marc van Oostendorp

(De Zuid-Willemsvaart, 14-09-1929)

Hoe taalliefhebbers het vroeger deden, vóór de tijd van de sociale media: het is een raadsel. Je moest het toen altijd doen met je eigen kleine waarnemingen en wat misschien deze of gene vriend je dan nog kwam vertellen, maar je kon niet zo makkelijk delen in wat allerlei taalgevoelige mensen elders iedere dag weer opvisten uit de zee van taal die ons almaar omgeeft.

Je kon dan bijvoorbeeld niet genieten van de avonturen van Rutger Kiezebrink in de trein:

Lees verder >>

Appen, whappen of whatsappen – wat doet u?

Door Simeon van der Vos, Gymnasium Haganum
en Ton van der Wouden, Universiteit Leiden

Voor zijn profielwerkstuk onderzocht Simeon van der Vos via een enquête de woorden die Nederlanders hanteren om het gebruik van Whatsapp aan te duiden.

Als er een nieuw ding is, dan moet het ook een naam hebben, want je moet erover kunnen praten. Vaak ontleent het Nederlands in zo’n geval een woord aan een andere taal – computer en aids komen uit het Engels, automobiel en kantoor uit het Frans – soms wordt er een nieuw woord verzonnen – bromfiets of schouwburg (een woord dat bedacht is door Joost van den Vondel).

In 2009 is de communicatieapp WhatsApp op de markt gekomen. Het programmaatje werd in een rap tempo over de hele wereld omarmd en verdrong al snel oudere sociale media zoals SMS. Voor het gebruiken van WhatsApp heeft het Nederlands inmiddels verschillende werkwoorden, te weten whatsappen, appen en whappen, die respectievelijk in 2011, 2011 en 2012 voor het eerst zijn aangetroffen. Daarnaast zijn er nog allerlei vaste combinaties ontstaan zoals een appje sturen of een whatsappje verzenden, maar die blijven hier verder buiten beschouwing. Zoals alle nieuwe werkwoorden in het Nederlands worden whatsappen, appen en whappen regelmatig verbogen: Lees verder >>

Vertrokken Nederlands

Door Nicoline van der Sijs

Nederland is altijd al een emigratieland geweest. Alleen al in de periode 1995-2008 hebben volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek meer dan 1,3 miljoen Nederlanders het land verlaten, met als bestemming zowel Europese landen als niet-Europese landen. Vanuit Vlaanderen vertrekken ook steeds meer inwoners: in 2013 ging het om 45.961 personen, 30% meer dan in de twee jaren ervoor. Er wordt algemeen gezegd dat Nederlanders en Vlamingen in den vreemde snel hun moedertaal opgeven, maar hoe geëmigreerde Nederlandstaligen met hun taal en hun identiteit omgaan, is tot dusverre niet systematisch onderzocht.

Over de vraag hoe grootschalig onderzoek naar het Nederlands in het buitenland kan worden opgezet, heeft een groep internationale onderzoekers zich van 3 tot en met 6 april gebogen tijdens een inspirerende workshop op het Leidse Lorentz Center. Het antwoord ligt volgens ons in samenwerking tussen onderzoekers en burgerwetenschappers. De workshop, georganiseerd door Roberta D’Alessandro, Hans Bennis, Frans Hinskens, Steven Krauwer, Marc van Oostendorp, Nicoline van der Sijs en Ton van der Wouden, maakte onderdeel uit van een reeks workshops over de mogelijkheden en beperkingen van Citizen Science, wetenschapsbeoefening waarbij ook niet-wetenschappers (‘burgers’) een actieve rol spelen. Eerder dit jaar hebben natuurwetenschappers in het kader van deze workshoppenreeks overlegd over het meten van luchtvervuiling door burgerwetenschappers. Lees verder >>

Een beknopte geschiedenis van #jesuis

Door Marc van Oostendorp

Omslag Charlie Hebdo, 6 april 2016.

In januari 2015 drong een stelletje terroristen de redactievergadering van het Franse satirische tijdschrift Charlie Hebdo binnen en schoot een aantal redacteuren dood. In reactie daarop verscheen op sociale media een plaatje met de tekst ‘Je suis Charlie’, in de eigen opmaak van het blad. Het plaatje werd gedeeld als teken van solidariteit en maakte binnen korte tijd een sprong naar een hashtag: #jesuisCharlie.

Die hashtag is sindsdien niet meer verdwenen. Hij duikt ook op het Nederlandstalige twitter nog regelmatig op, Hier is een vrij willekeurig voorbeeld van de afgelopen week:

Maar het eerste deel van de hashtag heeft ook een eigen ontwikkeling doorgemaakt, laten twee onderzoekers van de Université catholique de Louvain zien in een artikel in het tijdschrift Language in Society.  Lees verder >>

Vind jouw mooi!

Door Alex Reuneker

Inmiddels hebben de meeste taalliefhebbers wel gehoord van de slogan ‘Vind jouw mooi!’ van online warenhuis FonQ. De reclamezin – en dan vooral ‘jouw mooi’ – doet vreemd aan en wordt off- en online heftig bediscussieerd. Paulien Cornelisse schreef al eerder over de slogan en was er niet zo positief over. Over smaak valt natuurlijk niet te twisten, maar een interessante slogan is het wel en het zelfstandige gebruik van een bijvoeglijk naamwoord blijkt niet op zichzelf te staan.

Bron: FonQ

Als we naar de slogan kijken, zien we ten eerste de gebiedende wijs van ‘vinden’ – een werkwoord dat niet zo vaak in de gebiedende wijs wordt gebruikt. Over ‘vinden’ heb je immers minder controle dan over, bijvoorbeeld, ‘zoeken’. Je kunt vinden-imperatieven wel vinden, maar dan staan ze vaak in het tweede deel van een aansporing, zoals in ‘Meld je gratis aan en vind een werkster’ (werksters.nl) en ‘Zoek en vind een winkel bij jou in de buurt’ (Vodafone). Ten tweede wordt ‘jouw mooi’ als lijdend voorwerp gebruikt. Dat valt op, omdat het bijvoeglijk naamwoord ‘mooi’ hier wordt gebruikt als zelfstandig naamwoord. Dat moet wel, omdat na een bezittelijk voornaamwoord eigenlijk alleen een zelfstandig naamwoord(groep) kan komen: ‘mijn kamer’, ‘jouw goede wedstrijd’. Natuurlijk zijn er uitzonderingen, zoals in ‘jouw groen is mijn groen niet’, maar ook dan functioneert het bijvoeglijk naamwoord als zelfstandig naamwoord. Lees verder >>

Hoe meer sprekers des te gemakkelijker de taal?

Door Marc van Oostendorp

Hoeveelheid door een groep botjes gedeelde ‘conventies’, afgezet tegen de grootte van de groep botjes. Blauw zijn ‘gemakkelijke’ conventies, rood ‘moeilijke’. De grafiek komt uit het geciteerde artikel.

Een interessante en nog niet helemaal correlatie in de taalwetenschap: hoe meer sprekers een taal heeft, hoe eenvoudiger de grammatica. Veel talen die door kleine groepjes indianen worden gesproken hebben een heel ingewikkelde zinsbouw; het Engels en het Chinees steken daar enigszins bleek bij af. Aan de andere kant hebben talen als het Engels veel meer woorden dan kleinere talen, en zijn in die zin dus eenvoudiger.

In een nieuw artikel in Proceedings of the Royal Society B schrijven drie psychologen dat ze mogelijk een oplossing hebben gevonden voor het raadsel: grammatica is moeilijk te leren en woorden zijn gemakkelijk te leren. Om te laten zien wat voor effect dat heeft, bouwden ze een computermodel dat bestond uit een verzameling botjes. Die konden nieuwe ‘taalconstructies’ bedenken of deze van andere botjes leren.  Sommige constructies waren gemakkelijk – de botjes hadden ze geleerd zodra ze ze hoorden – en andere waren moeilijk – ze hadden twee keer horen nodig. Lees verder >>

Neemt het gebruik van hun als onderwerp af?

Door Jet Duinmeijer,
student Nederlandse Taal en Cultuur, Universiteit Leiden

Kun je het je voorstellen? Een afname van het gebruik van hun als onderwerp? Voor velen een grote opluchting, voor anderen een punt voor nader onderzoek.

Deze afname was in eerste instantie de uitkomst van mijn BA-eindwerkstuk aan de Universiteit Leiden. Ik was erg verbaasd over dit resultaat. Dit sloot namelijk totaal niet aan bij mijn hypothese. Ik ging van alles uit, maar niet van een afname. Voor mijn eindwerkstuk wilde ik graag het gebruik van hun als onderwerp in kaart brengen. Hoe vaak komt dit nou daadwerkelijk voor en in welke context? Hierbij was ik voornamelijk geïnteresseerd in de meest recente resultaten. Ik kreeg daarom als tip om de data voor mijn onderzoek te zoeken in Twitter, tegenwoordig een veelgebruikt medium onder taalkundigen om informeel taalgebruik te onderzoeken. In Twitter kon ik mijn zoekopdracht goed specificeren en kon ik Tweets filteren op datum. Perfect zou je zeggen, maar niets bleek minder waar. Lees verder >>

Ouderwets

Door Marc van Oostendorp

Taalgevoel is een mooi bezit. Er zijn veel mensen die denken het te hebben; die schrijven dan af en toe een ingezonden brief naar de krant omdat ze tussen de honderdduizenden gedrukte woorden die de krantenjongen bij hen in de bus doet ineens ‘het meisje die’ hebben zien staan en daarover vanwege hun fijnzinnige taalgevoel in toorn zijn ontstoken.

Er zijn maar weinig mensen die het taalgevoel hebben dat ik bewonder, die uit de enorme taalstroom die ons dagelijks omspoelt, steeds iets nieuws weet op te vissen. Ik heb Ton den Boon hier niet zo lang geleden al een keer bejubeld en ik blijf niet aan de gang, maar hij is dus zo iemand die je, zelfs als je je verbeeldt toch ook wel wat gevoel voor taal te hebben, regelmatig weet te verrassen.

In een nieuw boekje, Dat gaat ‘m niet worden, heeft Den Boon nu een groot aantal stukjes verzameld die hij in de loop der tijd voor Trouw schreef. In een van die stukjes schrijft hij bijvoorbeeld over de veranderende betekenis van ouderwets. Lees verder >>

Een taalkaart is een kristal

Door Marc van Oostendorp

Bron: D.P. Blok en Jo Daan. Van Randstad tot landrand (1968)

Er is in Nederland, een gebied waar ze een harde g gebruiken en een gebied waar we een zachte g zeggen. Aangezien dat zo is, is er natuurlijk ook een grens tussen twee gebieden: een isoglosse noemen we die. En zulke isoglossen bestaan er voor allerlei verschijnselen: die tussen het gij– en het jij-gebied, die tussen het lope- en het loopm-gebied, enzovoort.

Soms vallen die isoglossen (min of meer) samen: een isoglossenbundel. Als zo’n bundel heel diep is – als hij veel isoglossen bevat – heb je de grens tussen twee dialectgebieden. Hoeveel isoglossen daarvoor nodig zijn en of alle isoglossen even zwaar wegen, daarover kun je natuurlijk eindeloos discussiëren, maar de meeste taalkundigen laten dat wijselijk in het midden. Lees verder >>

De koffie was prima

 Door Marc van Oostendorp

Echte taalliefhebbers die met elkaar praten, daar gaat niets boven. Iemand hoeft maar wat te zeggen, of de anderen slaan al aan het discussiëren over de vorm van het zojuist te berde gebrachte, en dat zet dan een machinerie in gang van steeds meer commentaar op steeds meer commentaar.

Zo zat ik onlangs met twee van de leukste taalliefhebbers van Nederland in een koffiehoekje dat beweerde ‘de beste koffie van de campus’ te hebben. Het gesprek kwam op het woord prima. Van Dale beweert dat het ‘eerste, fijnste, voornaamste’ betekent en ‘vandaar uitstekend, bijzonder goed’. Als voorbeeld geeft het woordenboek zelfs nog het zinnetje:

  • De koffie is prima.

Maar wij waren het erover eens dat ‘prima koffie’ helemaal niet zulke uitstekende koffie is. Lees verder >>

Een foto van gaan en zullen

Door Marc van Oostendorp

Een van de interessante aspecten van taalverandering is dat ze niet in één klap gebeurt. Nooit is voorgekomen dat een heel land op een ochtend opstond en eensgezind de woorden op een andere manier gebruikte. Het is eerst een klein groepje die de woorden in sommige omstandigheden anders gebruikt, en gaandeweg breidt het gebruik zich uit: meer mensen, meer omstandigheden.

En dat zich uitbreiden kan soms eeuwenlang voortduren: een periode die de generaties omspant en waarin mensen soms het ene zeggen, en dan het andere.

Zo zit het met gaan, dat gaandeweg (haha) de plaats van zullen aan het overnemen is: niet meer ik zal komen’, maar ‘ik ga komen’. In een inmiddels grijs verleden zei iedereen het eerste, en als de zaken blijven voortgaan zoals ze nu gaan zal in een betrekkelijk ver verleden iedereen het tweede zeggen. Ondertussen zitten we in een situatie waar de meeste mensen allebei de dingen soms zeggen – de ene vorm meer dan de andere. (Vlaanderen loopt enigszins voorop in het gebruik van gaan.) Lees verder >>

Telwoorden zijn vreemd

Door Marc van Oostendorp

Leeftijd waarop een woord wordt geleerd (in jaar), afgezet tegen de frequentie waarmee het woord voorkomt. Bron: Philosophical Transactions of the Royal Society B.

De namen van getallen zijn opvallend traag. Dat is de conclusie van een nieuw onderzoek dat verscheen in Philosophical Transactions of the Royal Society B (Biology)De auteurs, beide evolutiebioloog, laten zien dat telwoorden (een, twee, drie, vier, enz.) minder snel veranderen dan andere woorden. In verwante talen lijken ze, gemiddeld genomen, meer op elkaar dan andere woorden: un, deux, trois, quattre, enz. staan dichter bij hun equivalenten in het Nederlands, dan laten we zeggen homme, main, arbre, dormir, ook al zijn die woorden ook al heel oud, en verwijzen ze sinds onheuglijke tijden naar alledaagse begrippen uit het leven van alle mensen.

Het geldt, blijkens het onderzoek, ook niet alleen voor Europese talen: ook in Bantoe-talen (zuidelijk Afrika) en Pama-Nyungan (Australië) bleken (rang)telwoorden (3,5 tot 20 keer) trager te veranderen dan andere woorden.

De auteurs bespreken ook drie mogelijke verklaringen voor dit verschil. Lees verder >>

Stijl en taal, dichterlijke vrijheid en grenzen

De poëzie van Mustafa Kör

Door Fabian R.W. Stolk

Tot de plaatsen waartegen zich onze bezwaren richten en waarvan de overdenking uitwijst, dat de dichter er niet in geslaagd is precies onder woorden te brengen hetgeen hij bedoelde, kan men afwijkingen van de grammaticale vormen alleen dan rekenen, wanneer zij niet een kennelijk plastische of muzikale werking beoogen en ook werkelijk teweegbrengen, maar zonder nawijsbare en tot voordeel van het gedicht komende reden en noodzaak zijn toegepast.  (Donker 1946: 11)

Voor een poëzielezer kan het anno 2017 moeilijk zijn een taalfout te onderscheiden van welbewuste dichterlijke vrijheid. Taal verandert voortdurend, normen worden minder strikt, regels worden losser gehanteerd, Nederlandstalige dichters komen uit allerlei windrichtingen, taalgebieden. Dat was vlak na de Tweede Wereldoorlog wel anders, althans voor dichter en criticus Anthonie Donker, gezien zijn essay De vrijheid van den dichter en de dichterlijke vrijheid (1946).

Onze vrijheid nu is groter dan die van Donker. Maar ook hij onderkende dat de kracht van poëzie kan schuilen in talige aberraties, zeker wanneer die het de dichter mogelijk maken precies dàt uit te drukken wat hij/zij bedoelt. En poëzie, vooral goede (om in Donkers lijn te denken), kan de lezer bewust maken van de in het dagelijks leven vergeten rijkdom van de taal.

Toch zijn er dichters, ook dichters van belang, die fouten maken. Lees verder >>

Nu komt de aap naar de berg

Door Marc van Oostendorp

Ineens kwam van verschillende kanten dezelfde observatie: de jongeren kennen geen gezegden en uitdrukkingen meer! Ze staan met hun tanden te klapperen wanneer je tegen zegt dat je met je handen in het haar zit. Ik hoorde dat docenten aan de universiteiten er over klagen, maar dat ook leraren op middelbare scholen merkten dat het vermogen om uitdrukkingen te gebruiken afnam. Er zaten mensen bij met echt taalgevoel, dus het leek me een serieus te nemen observatie.

Ik had er nog niet eerder over gehoord, die klacht. Je hoort natuurlijk wel van alles over d’s en t’s, over hunnen en hennen, over logische alineaindelingen en waar de jeugd van tegenwoordig nog meer allemaal tenenkrommend slecht in kan zijn. Maar dat ze kennelijk allerlei spreekwoorden en utidrukkingen niet meer kennen, daar hoor ik van op.

Het eerste wat ik dacht was: wat zou Joop van der Horst hier van denken? Lees verder >>

Van Ik heet Jan tot Ik noem Jan

Hoe zijn ontstaan en opmars van een Belgisch-Nederlandse constructie te verklaren?

Door Luc de Grauwe

Volgens het Bijbelboek Genesis (2:4b-25) boetseert Jahwe-God eerst de mens en “toen vormde hij uit aarde alle in het wild levende dieren en alle vogels, en hij bracht die bij de mens om te zien welke namen de mens ze zou geven: zoals hij elk levend wezen zou noemen, zo zou het heten” (NBV = Nieuwe Bijbelvertaling, 2004).

Dat is inderdaad de regeling in modern Standaardnederlands: het begrip ‘iemand (m.n. een kind) een naam geven’ wordt uitgedrukt met het werkwoord noemen (iemand zus of zo noemen), ‘een naam hebben/dragen’ daarentegen door heten (zus of zo heten). Heten kan tegenwoordig ook nog wel transitief (d.i. met een lijdend voorwerp) gebruikt worden, en wel in contexten of zelfs regelrechte (vaste) wendingen als (o.a.) – ik citeer de jongste dikke Van Dale (15e uitgave, 2015):

  • iemand welkom heten
  • zoals men dat heet (‘pleegt te noemen’)

Maar de normale regeling luidt thans: noemen is transitief (overgankelijk), heten (zonder lijdend voorwerp) is intransitief (onovergankelijk). Lees verder >>