Tag: taalverandering

Hoe kijkt u daarnaar?

Door Ronny Boogaart

Interviewers op tv vragen tegenwoordig niet meer aan hun gasten wat die ergens van vinden maar hoe ze ergens naar kijken. Zelf kijk ik daarnaar met mijn voeten op tafel en een glas wijn in de hand. Maar dat is niet het soort antwoord waar die interviewers op zitten te wachten.

Als je antwoord moet geven op de vraag ‘Hoe kijkt u daarnaar?’, heb je niet zoveel aan de letterlijke betekenis en de grammaticale structuur van de vraag. Na vragen als ‘Wat vindt u daarvan?’ of ‘Hoe vindt u dat?’, kan de geïnterviewde zijn/haar antwoord beginnen met ‘Ik vind (dat) x’. Op de plek van x kun je allerlei positief en negatief gekleurde adjectieven invullen of een complete bijzin:

  • Ik vind dat leuk/erg
  • Ik vind dat het leuk/erg is

Maar de vraag ‘Hoe kijkt u daarnaar?’ heeft geen bevestigende variant die voor de interviewer een bevredigend antwoord vormt. Er is in de grammaticale structuur wel plek voor een bepaling (‘Ik kijk daar x naar’), maar op die plek kun je niet goed een mening kwijt. Lees verder >>

Doet mèn maah een bieahtje: het gebruik van mijn voor mij in het zeventiende-eeuwse Nederlands

Door Giulia Mazzola en Peter Alexander Kerkhof

Als je ooit met een Hagenees hebt gepraat, heb je het vast weleens gehoord: de dialectvorm “mèn” voor ‘mij’ in zinnen zoals “doet mèn maah un bieahtje”. Deze dialectvorm komt voor in de grammaticale functies van het meewerkend voorwerp, het lijdend voorwerp en na voorzetsels. Als klinkend kenmerk van het Haagse dialect komen we hem natuurlijk tegen in de beroemde dialectstrip Haagse Harrie. Maar wat weinigen zullen weten is dat “mijn” voor “mij” vroeger een goede kans maakte om Standaard Nederlands te worden. Wat blijkt namelijk? In zeventiende en achttiende eeuwse brieven vinden we geregeld “mijn” waar we in het standaard Nederlands “mij” gebruiken. In dit artikeltje willen we kort uit de doeken doen waar de mijn-vorm vandaan komt en hoe uiteindelijk “mij” in de standaardtaal de overhand heeft gekregen. Lees verder >>

Engels? Doe eens opletten!

Door Marc van Oostendorp

Als iemand zegt ‘dit of dat komt uit het Engels’, komt dit of dat meestal niet uit het Engels. Zaterdag was het weer raak: De Taalstaat besteedde aandacht aan de campagne #doeslief waarmee Sire mensen oproept om lief te doen. Aan het woord kwam een van de reclamemakers die verantwoordelijk is voor die slogan:

Ik denk dat dat vanuit het Engels komt. Je hoort de laatste tijd wel vaker ook ‘Doe eens dat pakken’, ‘Doe eens opletten’. Dus wij dachten ‘Doe eens lief’. Dus mijn maatje Antoine en ik zaten dus te denken van hoe kun je dat het beste opschrijven (…)
(De Taalstaat, 9 maart 2019, ongeveer vanaf 15:30)

Het laat allemaal zien hoe weinig zelfs taalprofessionals eigenlijk nadenken over het belangrijkste instrument dat ze hebben. Deze man zegt echt zo maar wat. Let wel, het is hier dus de auteur van de slogan zélf die denkt een Engelse constructie te pakken te hebben. Wat die constructie dan precies is, zegt hij niet. Doe eens lief lijkt mij in ieder geval niet woord voor woord in het Engels te vertalen (‘Do once sweet’), en om er idiomatisch Engels van te maken moet je ongeveer alles veranderen (ik als anglofonieleek zou zeggen: ‘be good’). Lees verder >>

Het verwrongenste Nederlands spreken de Haarlemse vrouwen

Door Marc van Oostendorp

Johan Winkler. Bron: Wikipedia

Voor het volgende voorbeeld van hoe vrouwen de schuld kregen van taalverandering moeten we naar Haarlem. (Het vorige voorbeeld staat hier.)

Een keer in de paar jaar word ik opgebeld door iemand van een Haarlemse krant, podcast of zendpiraat, met de vraag of het waar is dat men in Haarlem het beste Nederlands spreekt. Ik stel dan altijd voor om naar een bruine kroeg te gaan en daar ons oor te luisteren te leggen. En dan blijkt het natuurlijk niet waar, maar zo heb ik op kosten van de Haarlemse media al menige euro verbrast.

De mythe komt volgens sommigen van Johan Winkler, een schoolmeester die in 1874 een dik boek uitgaf, het Dialecticon, waarin hij vertalingen verzamelde van het verhaal van de verloren zoon uit de Bijbel. Winkler zou dat bij zijn vertaling van het Haarlems gezegd hebben, van dat mooie Nederlands. Lees verder >>

Jah met een verveelde h

Door Marc van Oostendorp

Waar wordt geklaagd, spitst de taalliefhebber zijn oren, want daar is kennelijk iets aan de hand. Groot was dan ook mijn vreugde toen dit

Gevraagd om een toelichting meldde de twitteraarster (een MA-studente Rechten in Groningen, ik vermoed dat de 95 in haar Twitter-handle haar geboortejaar is):

Veel duidelijkheid heb ik tot nu toe niet. Wanneer je begint rond te vragen, komen er altijd mensen vertellen dat dit ‘invloed van het Engels’ is (echt, probeer maar, stel willekeurig welk taalverschijnsel aan de orde in een gezelschap van meer dan 10 personen en geheid zegt op zeker moment iemand ‘invloed van het Engels’). Ik zie geen reden waarom dit zo zou zijn. Ja, in het Engels schrijven mensen soms yeah, maar als je dat wilt navolgen, waarom schrijf je dan niet óók yeah? Lees verder >>

bɛstyderə

Door Marc van Oostendorp

Een aardige observatie van Siemon Reker in zijn nieuwe boekje Dat gezegd hebbend (op 23 januari wordt het in Nijmegen gepresenteerd in aanwezigheid van politieketaalkanon Dries van Agt): premier Rutte spreekt de eerste klinker in het woord bestuderen consequent uit als de [ɛ] van pet.  Je hoort het bijvoorbeeld duidelijk in het volgende, al wat oudere fragment (onder andere om 1’54”, 2’04” en 2’16”)

In een toelichting zei Reker tegen mij dat er twee raadsels zijn: waarom doet Rutte dat zo consequent? En waarom valt het niemand op? Lees verder >>

WhatsApp leidt niet tot taalverloedering

(Persbericht Radboud Universiteit)

Actieve gebruikers van sociale media zoals WhatsApp blijken niet slechter te schrijven op school. Wel is er een klein verband tussen passief gebruik van WhatsApp en slechter schrijven. Dat blijkt uit onderzoek onder jongeren van taalwetenschapper Lieke Verheijen. Ze promoveert op 25 januari op het onderwerp aan de Radboud Universiteit.

‘Heeey J wazzup!?! Alles OK? hvj 4ever liefie <3’ Veel ouderen zijn bang dat zulke afwijkende schrijfwijzen op sociale media leiden tot taalverloedering. Verheijen: ‘Onder taalverloedering verstaan ze dan het steeds minder aan de Nederlandse spelling- en grammaticaregels houden en een steeds grotere invloed van het Engels.’ Verheijen bestudeerde het taalgebruik van Nederlandse jongeren in chats, sms’jes, tweets en whatsappjes, en de invloed hiervan op hoe ze op school schrijven.

Lees verder >>

Pas verschenen: ‘Een mooie mengelmoes. Meertaligheid in de Gouden Eeuw’

Taal was belangrijk in de Gouden Eeuw. Schrijvers, dichters, taalgeleerden en journalisten legden zelfbewust de basis voor wat het Standaardnederlands zou worden, een taal waarop iedereen even trots leek te zijn als op de nieuwe Republiek. Tegelijkertijd openden de Lage Landen zich voor de rest van de wereld, onder andere door de handel en het vroege kolonialisme, maar ook door belangstelling voor de ‘nieuwe’ kunsten uit Italië en Frankrijk. Bovendien kwamen door de grote welvaart heel veel migranten uit binnen- en buitenland naar Amsterdam.

In Een mooie mengelmoes laten Nicoline van der Sijs en Marc van Oostendorp zien dat het ontstaan van het Nederlands alleen kan worden begrepen tegen de achtergrond van al die talen en dialecten die er toen in de Lage Landen werden geschreven.  De auteurs presenteren het eerste onderzoek naar de pas ontsloten schat van zeventiende-eeuwse kranten – Nederlandse drukkers zetten in dit eerste massamedium internationaal de toon – én ze laten zien hoe schrijvers buitenlandse modellen imiteerden, maar dat deden in ‘zuiver’ Nederlands en niet in een ‘mengelmoes’ van leenwoorden zoals die in het dagelijks leven werd gebruikt.

Nicoline van der Sijs en Marc van Oostendorp zijn allebei als senior-onderzoeker verbonden aan het Meertens Instituut; ze zijn ook allebei hoogleraar in Nijmegen.

Marc van Oostendorp en Nicoline van der Sijs. Een mooie mengelmoes. Meertaligheid in de Gouden Eeuw. Amsterdam: AUP, 2018. Bestelinformatie bij de uitgever.

Wat eet een vissetariër?

Door Roland de Bonth

Soms flauw, soms grappig, soms absurd. Dat zijn de sketches van het BNNVARA-programma Sluipschutters, waarin Ronald Goedemondt, Bas Hoeflaak, Leo Alkemade en Jochem Otten uiteenlopende typetjes spelen. Eén van mijn favoriete sketches speelt zich af in de winkel van – met ‘ambachtelijke’ spelling – Vleeschhouwerij en Poeliersbedrijf Korrel. Daar ontspint zich de volgende dialoog tussen slager (Jochen Otten) en klant (Bas Hoeflaak), daarbij gadegeslagen door een andere klant (Leo Alkemade). De bijbehorende beelden zijn hier te vinden.

Slager: “Zegt u het maar.”
Klant: ‘’Heeft u ook vleesvervangers?”
Slager: ‘’Nee, ik heb alleen vlees.”
Klant: “Groenteburgers?’’
Slager: ‘’Nee”
Klant: ‘’U verkoopt toch wel tofuproducten?’’
Slager: “Nee, wat ik zeg, alleen vlees.”
Klant: ‘’Soja? Iets met soja?’’
Slager: ‘’Hé, ben jij vegetarisch?”
Klant (opgewonden): ‘’Aha, nee, ik ben vegetaríër, ik éét vegetarisch. Niemand ís vegetarisch. Die fout wordt heel vaak gemaakt door mensen. Dus?”
Slager: ‘’Eh, dus ik bén vegetariër, ik éét vegetarisch.”
Klant: ‘’Nou, dat vind ik heel raar voor een slager, maar ik ben blij dat we het even hebben besproken, Korrel.”

Lees verder >>

Tijd voor een taalverandering

Door Emma Kemp

Taalverandering (of taalverloedering, maar dat is tegenwoordig net zo’n verboden term als Zwarte Piet) doet elk jaar weer stof opwaaien. Maar taalverandering is van alle tijden. En ook al zijn de consequenties niet mild, een verklaring ervoor zoeken kan soms verlichting bieden.

De als/dan-kwestie

Het afwijkende gebruik van ‘als’ in de vergrotende trap is één van die veranderingen. “Mijn kat is groter als die van jou” in plaats van “mijn kat is groter dan die van jou”. Een veelgebruikte reactie van  mensen die op dit gebruik worden aangesproken, is “maar je begrijpt me toch”.

Lees verder >>

‘Nee, jij trekt volle zalen’ en het verstrijken van de tijd

Door Marc van Oostendorp

Gisterenavond was ik in een sentimentele bui en ook nog eens alleen thuis, dus toen dacht ik aan vrienden uit de jaren negentig. Een van hen herinnerde ik me omdat ze dingen zei als “Nee, jouw gezicht zetten ze op een postzegel” en vooral “Nee, jij trekt volle zalen”. Het waren uitdrukkingen op momenten dat iemand een ander aan het kritiseren was.

“Nee, jij trekt volle zalen!” Zou er nog iemand zijn die dat weleens zegt? Je kunt dat op verschillende manieren onderzoeken die in de jaren negentig zelf nog volkomen onbereikbaar waren als je eens een nostalgische avond thuis had. Je kunt het bijvoorbeeld op Twitter gooien, zodat meteen bleek dat allerlei mensen het nog steeds gebruiken:

Lees verder >>

Een voorhene interesse

Door Henk Wolf

Recent omschreef een uiterst fatsoenlijke Friese wetenschapper op Facebook het woord neuken als ‘in foarhinne taboewurd’. Dat is in het Fries net zo gek als in het Nederlands, waar voorheen ook normaal niet als bijvoeglijk naamwoord wordt gebruikt.

Normaal niet, maar ook niet helemaal niet. Toen ik ging googelen, vond ik negen vindplaatsen met ‘een voorhene’. Voorbeelden zijn: ‘een voorhene interesse’, ‘een voorhene versie’ en ‘een voorhene kerk’. Lees verder >>

It tsjerke

Door Henk Wolf

Wanneer er in het Fries iets verandert, dan is het resultaat meestal dat die taal ietsjes meer op het Nederlands is gaan lijken, óf dat de verschillen tussen de twee talen wat regelmatiger zijn geworden. Een opvallende uitzondering daarop is de geslachtsverandering van het woord tsjerke (‘kerk’). Dat is vanouds net als in het Nederlands een de-woord, maar een groeiend deel van de jongeren gebruikt het met het lidwoord it (‘het’).

Dat ‘de tsjerke’ ‘it tsjerke’ werd, viel me begin 2013 voor het eerst op in een tentamen van een eerstejaarsstudente. Ik dacht dat het een slordigheidje was en besteedde er geen aandacht aan, maar kort daarna kwam ik het nog een paar keer tegen. Toen schreef ik er een stukje over.

Nou zat de geslachtswisseling van tsjerke die ik in 2013 tegenkwam nog maar in een voorfase. Dat moet ik even uitleggen. In het Fries krijgt een klein aantal de-woorden na een voorzetsel namelijk soms het lidwoord ‘t. Zo zeggen Friezen wel ‘de winter is kâld’, maar ook ‘fan ’t winter is it kâld’. En het Fries heeft ‘de soad’ (‘de kook’), maar ook ‘by ’t soad’ (‘in grote hoeveelheid’, letterlijk ‘bij de kook’). Het woord tsjerke hoort vanouds niet bij die groep woorden met zo’n lidwoordverandering, maar ging er nu wel aan meedoen. Yn 2013 zeiden een paar studenten dus wel ‘de tsjerke is moai’, maar ook ‘yn ’t tsjerke is it kâld’. Lees verder >>

Gekke Henkie en achterlijke Joepie

Door Marten van der Meulen

Dat voetbal en taal hand in hand gaan is al eeuwen bekend. Nieuwe woorden (rabona), interessante fenomenen (hattrick), nieuwe werkwoorden (VARrenkeeper of doelman en ga zo maar door (zie hier voor een overzicht van voetbalartikelen in Onze Taal). Maar ook buiten het voetbal om gebeuren er interessante dingen. Zo zei Willem van Hanegem in zijn column in het AD het volgende over geplaagde coach José Mourinho:

  • Die man heeft alles gewonnen en nu doen we net alsof het een ‘achterlijke Joepie’ is.

Er zijn vrij veel namen die aanvankelijk als ‘gewone’ naam voorkomen, maar die na verloop van tijd een soort algemene negatieve connotatie aannemen. In het Nederlands kennen we bijvoorbeeld Truus en Trien voor ‘dom wichtje’, maar ook Bep (‘praatzieke vrouw’) en natuurlijk Kenau (‘manwijf’). In het Engels zijn er bovendien veel namen die inmiddels ook piemel betekenen: Willy, Peter en Dick bijvoorbeeld. Lees verder >>

De eerste ouderdomsrimpels van ‘kúnst’ en ‘pluk de dag’

Door Henk Wolf

Het proberen te betrappen van nieuwe taalveranderingen (en daar dan wat over schrijven) is een hobby van me. Nou heb je taalveranderingen ruwweg gezegd in twee soorten: er kan in een taal iets bij komen en er kan iets uit de taal verdwijnen. Taalveranderingen van het eerste type zijn een stuk makkelijker te vangen dan zulke van het tweede type.

Deze week heb ik er twee keer een aanwijzing voor gevonden dat iets uit de taal lijkt te verdwijnen. Lees verder >>

De vriend en ik

Door Marten van der Meulen

Een tijd geleden schreven we op het blog De taalpassie van Milfje over de vreemde discrepantie die bestaat bij het benoemen van man/vrouw-relaties (m’n mannetje vs het vrouwtje) en het vreemde gebruik van m’n mannetje voor mannelijke baby’s. Nu attendeerde mijn kamergenoot Alan Moss (lees ook vooral zijn zeer leesbare stukken over zeventiende-eeuwse reisverhalen) me op een andere vorm: de vriend en ik. Ahum, wat gebeurt hier?


De vriend

Allereerst: waar hebben we het nu eigenlijk over? Het is in principe natuurlijk heel normaal om voorkomens tegen te komen in de vorm de X en ik. De man en ik gingen samen naar binnen: dat is een prima zin, die zou kunnen bestaan. Maar het gaat hier om een specifiek type van deze constructie, waarbij je eerder het bezittelijk voornaamwoord mijn zou verwachten. In plaats daarvan komt er echter een bepaald lidwoord. Zie bijvoorbeeld deze tweet: Lees verder >>

Menig school heeft vacatures

Door Siemon Reker

Dat menig bij het traditionele ontleden een onbepaald voornaamwoord heette was een passende aanduiding, veel beter dan bijvoorbeeld in het geval van alle of geen. Menig betekent dat er ‘nogal wat’ van de aangeduide groep vallen onder wat er beweerd wordt, bij alle en geen ontbreekt die onduidelijkheid, die onbepaaldheid. Als iets betrekking heeft op geen mens of alle mensen weten we precies hoe laat het is, menig mens laat ons veel meer in het ongewisse.

Menig mens illustreert een apart trekje van het Nederlands: na menig volgt steeds een enkelvoud maar er wordt altijd een meervoud mee uitgedrukt, hoe onbepaald ook. En menig onderstreept nog eens z’n eigen onbepaaldheid bij het antwoord op de lastige vraag of we soms menig zeggen of menige. Het woordje gedraagt zich inderdaad wat als een bijvoeglijk naamwoord áls we maar in gedachten een onbepaald lidwoord voorvoegen. Laten we het illustreren met twee voorbeelden, een de-woord en een het-woord. Daar immers worden de verschillen duidelijk, het grote gebouw en de grote tuin trekken in hun verbuiging één lijn maar een grote tuin vormt als het ware een contrast met een groot gebouw. Lees verder >>

Kun je taalverloedering wel onderzoeken?

Door Peter-Arno Coppen

In het stuk van Marten van der Meulen dat ik in mijn vorige blogpost besprak komt nog een interessante opmerking voor. In zijn beschouwing van de onderbouwing van het begrip taalverloedering merkt Marten op dat je daar eigenlijk onderzoek naar zou moeten doen: “Maar hier zit het probleem: dat onderzoek is er niet. Er is (voor zover ik weet) nog nóóit een onderzoek geweest dat twee punten in de tijd heeft genomen en heeft laten zien dat er meetbaar meer slordige fouten worden gemaakt dan vroeger.” In een reactie op mijn vorige blogpost voegt hij daaraan toe: “Ik had het ook met een collega over dat onderzoek: dat kán wel. We hebben alleen een berg essays enzo nodig uit Vroeger Tijden. Heb jij niet nog wat liggen, of contacten?” Dat lijkt me wat te optimistisch.

Ik kan me van een jaar of tien geleden herinneren dat we in de redactie van Onze Taal ook eens hebben geprobeerd om een soortgelijk onderzoek van de grond te krijgen. Het idee was nog simpeler: neem een steekproef uit kranten van verschillende periodes, en vergelijk de fouten. Dan heb je een factcheck van de populaire bewering “Er staan tegenwoordig veel meer taalfouten in de krant.” Dat onderzoek is nooit van de grond gekomen, en hoe langer we ermee bezig waren, hoe meer problemen we bedachten.

Ik neig nu een beetje naar het idee dat zo’n onderzoek helemaal niet kan (alleen misschien in een heel beperkte vorm, waarin je alleen naar een heel specifieke soort fouten kijkt), en, wat nog belangrijker is: het is mij volslagen onduidelijk wat welk resultaat dan ook zou kunnen betekenen.

Ik zet even een paar overwegingen op een rijtje, for future reference.

Lees verder >>

Meta-taalzeuren

Door Peter-Arno Coppen

Op zijn eigen blog, doorgeplaatst in Neerlandistiek, opent Marten van der Meulen maar weer eens de aanval op mensen die klagen over taalverloedering (wat hij en passant kernachtig samenvat met de mooie term taalzeuren). Met genadeloze wetenschappelijke precisie legt hij enkele mechanismen bloot die ten grondslag liggen aan het feit dat mensen door de eeuwen heen voortdurend het idee hebben dat de taal verloedert: cognitieve biases, cultuuridealisering en het ontbreken van kennis in de historische dimensie van de taal. Daar komt dan nog eens bij dat het hele begrip ‘verloedering’ niet eens fatsoenlijk te definiëren is, en er (waarschijnlijk mede als gevolg daarvan) geen behoorlijk kwantitatief onderzoek bestaat dat de mate van verloederdheid ooit longitudinaal in kaart heeft gebracht.

Wanneer de taalzeurders aldus murw geslagen in de touwen liggen, komt de slotconclusie een beetje als een anticlimax: en nou ophouden over taalverloedering! (“Laten we maar lekker ophouden over taalverloedering.”) Repressie, ja dat is de oplossing! Dat we daar niet eerder aan gedacht hebben.

Lees verder >>

Het probleem met taalverloedering

Door Marten van der Meulen

Jongens, we kunnen ons weer verheugen: er is een nieuw programma over taal op tv! Gisteren was de eerste aflevering van de S.P.E.L.-show. Ik zal eerlijk zijn: mijn maag begon al bij het zien van de titel te borrelen, en ik heb dus ook niet gekeken. De tekst op de website van BNNVARA bracht namelijk een flinke portie antiperistaltiek met zich mee: “Het gemiddelde taalniveau in Nederland daalt: jongeren kunnen minder goed lezen en schrijven dan bijvoorbeeld twintig jaar geleden. De S.P.E.L.-show van Astrid Joosten komt als geroepen.” Alsof zij daar ook maar íets aan gaat veranderen zeg, allemachtig… Een interview in het AD opende bovendien met dit stukje tekst:

Astrid Joosten (60) windt – met dt – zich op. Ze signaleert om zich heen taalverloedering en dat gaat de presentatrice aan het hart. “Ik constateer dat onze taalvaardigheden achteruitgaan.”

Het deed me denken aan een interview met Ad Verbrugge van Beter Onderwijs Nederland (BON). In een stuk op de site van NOS werd hij een tijdje terug als volgt geciteerd:

“Er is sprake van taalverloedering en achteruitgang van de uitdrukkings-vaardigheid in het Nederlands bij mensen die later belangrijke functies in het openbaar bestuur en de rest van de maatschappij innemen.”

Dat begrip, taalverloedering: dat hoor je wel vaker (bijvoorbeeld bij de huidige kampioen taalzeuren Japke-d), maar het is eigenlijk een heel lastig iets. Want wat is het eigenlijk, en hoe kom je erachter of er sprake van is? Lees verder >>

Taal in een weekendkrant

Door Siemon Reker

Lezen veel abonnees een krant he-le-maal, laat staan een weekendkrant? Ik krijg NRC Handelsblad al een poosje dagelijks bezorgd maar ik kan me niet herinneren dat ik een exemplaar geprobeerd heb, van A tot Z te lezen. Dat is dit weekend veranderd – opeens zag ik dat er stukken in staan over het Rif-gebied in Marokko waarbij er niet over en weer naar elkaar verwezen wordt of hoe er op meerdere plaatsen sprake is van platformeconomie om zomaar iets te noemen.

Gelezen met het oog op taal – aha, staan er veel taalfouten in die krant? Nee, lezer, ik heb niet in de eerste plaats corrigerend gelezen, maar daarover verderop nader. Lees verder >>

Het werkwoord VARren

Door Marten van der Meulen

Ik was de afgelopen dagen in Engeland, en dus volgde ik het WK voetbal op de BBC. Ik begon er lekker een beetje in te komen: spannende wedstrijden, rare regels (door op gele kaarten), ik vermaakte me prima. En er is altijd de kans op een leuke taaluiting: voetbal staat bekend om z’n nieuwe woorden, uitdrukkingen in een nieuw jasje en heel specifieke interpretaties. En inderdaad: op een gegeven moment zag ik zowaar een werkwoord dat ik nooit eerder had gezien!

Hoera! In het Engels, ok, maar je kunt er donder op zeggen dat dit woord in deze betekenis ook in het Nederlands wordt gebruikt. Daar hadden we natuurlijk die geschreven vorm al wel. ‘Varren’ is simpelweg het meervoud van ‘var’, wat ‘jonge stier’ betekent (vooral bekend uit de bijbel). Als werkwoord bestond dit echter nog niet, en bovendien heeft het een andere herkomst.  Lees verder >>

Lekker genederlandst!

Door Marc van Oostendorp

Er waart een spook door Nederland, het spook van “lekker genederlandst”. Voor zover ik heb kunnen nagaan wordt het op allerlei plaatsen in het land gebruikt, vooral door jonge tieners. Ik kreeg een tweet doorgestuurd – als mensen over dit soort dingen beginnen op de sociale media zijn er soms vriendelijke andere mensen die mij bij de discussie betrekken over de kwestie:

Uit de antwoorden bleek dat ook andere mensen dit herkenden, en toen ik ernaar vroeg op de onvolprezen Facebook-groep Leraar Nederlands bleken allerlei leraren de uitdrukking ook te kennen, van hun eigen leerlingen en van hun eigen kinderen. Mijn informele indruk is vooralsnog dat het vooral gaat om jonge tieners, tussen 10-13.

Lees verder >>

Zit niet zo te haten

Door Marc van Oostendorp

In zijn spetterende afscheidslezing van de Universiteit Utrecht liet Gerrit Bloothooft afgelopen vrijdag nog eens zien hoe interessant voornamen zijn, zoals hij dat nu ook al maanden doet op Neerlandistiek. Ze zijn het perfecte modeverschijnsel, hét verschijnsel om te bestuderen als je mode in zijn puurste vorm wil zien: “mode zonder reclame” noemde Gerrit het, want er wordt op de tv of op billboards niet opgeroepen om je dochter Eefje te noemen, en toch doen mensen het. Mode zonder centen, zou je het ook kunnen noemen, want terwijl een hippe broek nog weleens een te hoge prijs wil hebben is Sem niet duurder of goedkoper dan Wim.

Taalverschijnselen hebben dat modieuze natuurlijk ook soms. Op het onvolprezen Meldpunt Taal verscheen eerder deze maand een melding van de uitdrukking Zit niet zo te haten?  “Dit zinnetje op Facebook”, schreef de melder erbij, “is een reactie op een wat onaardige opmerking van iemand anders. Haten lijkt hier als agentief werkwoord te worden gebruikt.” En dat lijkt me juist: terwijl je vroeger alleen kon haten als dat gevoel je overkwam, suggereert zit niet zo… dat het iets is dat je actief doet. Het betekent geloof ik ook eerder zoiets als ‘hatelijke opmerkingen plaatsen’ en is verwant met het op het internet populaire Engelstalige dictum “Haters gonna hate”, dat ook suggereert dat haten iets is dat je actief kunt doen.

Lees verder >>

Vacature: doctoraatspositie Historische Nederlandse Taalkunde

De betrekking wordt aangeboden binnen het project ‘Hoe voorspelbaar is taalverandering?’, onder supervisie van Prof. Dr. Freek Van de Velde, in de onderzoeksgroep QLVL (Taalkunde). QLVL legt zich toe op kwantitatieve benaderingen van taalvariatie en taalverandering.

Project

Hoewel er binnen en buiten de taalkunde pessimisme heerst over de voorspelbaarheid van taalverandering, kun je niet zeggen dat de koers van taalverandering zomaar alle kanten kan uitschieten. Net zoals andere sociale fenomenen volgen taalveranderingen een karakteristieke S-curve, met een traag begin, dan een versnelde overname door een nieuwe vorm, en dan weer een trage eindfase. Die S-curve kan wiskundig gemodelleerd worden met de logistische vergelijking.Historische taalkundigen hebben laten zien dat de logistische curve een goede benadering is voor heel wat veranderingen die ze onderzocht hebben, maar ze zijn meestal niet geïnteresseerd in wat je nog kunt opmaken uit de residuelen. Het ideale scenario is om een optimale fit te hebben tussen curve en de geobserveerde waarden. In dit project zal gekeken worden naar gevallen waarin de veranderingen afwijken van het model. Voor 26 veranderingen in het Nederlands tijdens de 19e en 20e eeuw zal worden nagegaan of die de karakteristieke S-curve volgen, en of er systematiek zit in de gevallen waarin de koers afwijkt. Meer specifiek zullen de parameterinstellingen geschat worden op geobserveerde waarden voor de periode 1850-1949 in een standaardtalig tekstcorpus met een homogeen register. Die instellingen worden vervolgens gebruikt om de koers te voorspellen voor de periode 1950-1999. Daarna zullen voor elk van de 26 veranderingen de gemiddelde gestandaardiseerde residuelen berekend worden, die vervolgens geclusterd worden om na te gaan of die clusters verschillende types taalverandering onderscheiden. Lees verder >>