Tag: taalvariatie

De Turks-Marokkaanse z

Door Marc van Oostendorp



Dankzij het werk van Linda van Meel, die op 15 maart in Nijmegen promoveert, weten we nu alweer wat meer over de Marokkaanse z. Bijvoorbeeld dat hij net zo goed door Turken wordt gebruikt.

Van Meel was promovenda in een groter project over het ontstaan van zogenoemde etnolecten – variëteiten van een taal die gebruikt worden door moedertaalsprekers die een bepaalde etnische achtergrond hebben en deze achtergrond ook in hun taalgebruik tot uiting laten komen, zoals dialecten variëteiten zijn van mensen uit een bepaald geografisch gebied en sociolecten variëteiten van mensen uit een bepaalde sociale groep (de middenklasse; de vrouwen; de hoogopgeleiden).

In het project werden Turkse, Marokkaanse én ‘witte’ jongeren opgenomen die met elkaar spraken in verschillende samenstelling. Van Meel richtte haar onderzoek vooral op enkele klanken zoals de tweeklank ei en de klinkers aa en ah. En dus die z.

Ik denk dat de meeste Nederlanders en Vlamingen zich wel iets kunnen voorstellen bij de Marokkaanse z.
Lees verder >>

Kun je je voorstellen?

Door Marc van Oostendorp


Opgelet, een beroemde Nederlandse schrijfster gaat binnenkort de volgende zin gebruiken, in ieder geval als ze durft:

  • ‘Ik word daar depressief van, kun je je voorstellen?’
Zoals goede schrijvers dat doen, heeft ze onlangs wel eerst advies gevraagd aan het Meertens Instituut. Allerlei meelezers vonden dat je toch echt dat moest invoegen in die zin. Maar de schrijfster kon haar personage (een jonge Drentse homo) het zo horen zeggen. Hoe zat dat?
Nu hoor ik die zin ook weleens. Bijvoorbeeld in deze oude sketch van Theo Maassen en Pieter Bouwman (het begint op ongeveer 04:10):

Lees verder >>

Redden Marokkanen de Nederlandse dialecten?

Door Marc van Oostendorp


Voor mijn zondagochtendminicollege sprak ik deze week met mijn collega Frans Hinskens, die dit jaar het nieuwjaarsgeschenkje van het Meertens Instituut schreef: Wijdvertakte wortels. Frans legt onder andere uit in welk opzicht Turkse en Marokkaanse jongeren het traditionele dialect behouden. In hun taal vind je er soms meer van terug dan in die van hun ‘autochtone’ leeftijdgenoten.


Besproken boekje: Frans Hinskens. Wijdvertakte wortels. Over etnolectisch Nederlands. Amsterdam: Amsterdam University Press, 2015. Bestelinformatie bij de uitgever.

Leidse corpsstuko

Door Leonie Cornips

Het universitaire leven is weer begonnen. Verse studenten dwalen door hun universiteit en stad en proberen zich aan het nieuwe aan te passen, ook in hun manier van spreken. Het woord ‘student’ roept veel stereotyperingen op. Een KNO-arts werkzaam bij het VU Medisch Centrum vertelde dit jaar in de Volkskrant: ‘Ik zie veel stemproblemen bij studerende vrouwen van begin twintig. Ik kan niet bewijzen dat het door het verenigingsleven komt, daar vragen we niet standaard naar, maar het is een herkenbare populatie. Ze zijn hees na het stappen of hebben helemaal geen stem als ze opstaan.’ Auteurs die over het studentenleven in het verleden schreven, typeerden de student als iemand die veel tijd besteedde ‘aan tabak, wijn, aan de jol, maar ook aan het dispuut, doch minder aan de colleges’ of ‘feesten, slempen, vrijen, uitslapen, en tussen de bedrijven door een beetje studeren’.

Voor haar stage aan het Meertens Instituut heeft Tess van der Zanden (Universiteit Leiden) onderzoek verricht naar hoe studenten, die in Leiden lid zijn van de vijf grootste studentenverenigingen (Minerva, Augustinus, SSR, Catena, Quintus), spreken en hoe zij zelf hun manier van spreken omschrijven. Ze heeft in het bijzonder gekeken naar studenten die corpsleden zijn. Minerva is het oudste en meest elitaire studentencorps, telt 1600 leden en is voor iedere student toegankelijk. Dat was vroeger nogal anders omdat de kosten van lidmaatschap voor velen te hoog waren. Minerva staat bekend als een ontmoetingsplaats voor adel en patriciaat omdat leden van het koningshuis – Beatrix en Willem-Alexander – corpslid waren. In 2015 blijkt uit een onderzoek van NRC Handelsbladonder 189 Nederlandse topbestuurders dat nagenoeg een derde van hen lid is geweest van een studentencorps, waaronder velen van Minerva.

Lees verder >>

NWASV2 – New Ways of Analyzing Syntactic Variation 2

19-20 May 2016, Ghent, Belgium
URL: http://www.eqtis.ugent.be/nwasv2/
The GLIMS and EQTIS research units at Ghent University will host a two-day international symposium on new advances in research on syntactic variation on 19-20 May 2016. The event is a follow-up to the first ‘New Ways of Analyzing Syntactic Variation’ symposium that took place at the Radboud University Nijmegen in November 2012. Its overall purpose is to stimulate discussion and interaction between researchers bringing new theoretical and/or methodological expertise to the linguistic study of syntactic variation, broadly construed.

Syntactic variation is a multidimensional concept: it can refer to the existence (in a single language variety) of several syntactic patterns or constructions ”competing” for the same functional space (i.e, to grammatical alternations), or to any kind of sociolinguistic or ”lectal” variation in the formal and/or functional properties of syntactic patterns, along regional, social, diachronic, stylistic, ethnic, gender, etc. dimensions (i.e., to syntactic patterns or constructions as sociolinguistic variables), or to a combination of both.

Lees verder >>

Verschenen: Taal en Tongval 67/1


In juli 2015 verscheen: Taal en Tongval 67, nr. 1. ISSN 0039-8691. Online ISSN: 2215-1214.
Inhoud:
Prototypische chatspeakkenmerken in Vlaamse tienerchattaal
Benny De Decker
‘Stabilisering’ van tussentaal?
Anne-Sophie Ghyselen
De ideologische positie van Algemeen Nederlands in Vlaanderen
Chloé Lybaert

Alle artikelen zijn in open access beschikbaar en te downloaden via de website.

Wanneer zeg je ‘dan’ dan?

Waar ga je heen dan?

Wat Hollanders (onder wie ikzelf) vaak schijnen te doen, is dan achter een vraag plakken. Misschien ken je het wel. Waar ga je heen, dan? Moet je niet naar school, dan? Hoe oud is hij, dan? Ik doe het al zo lang en zo hardnekkig, dat ik er niet eens erg in had, totdat een kennis dit blijkbaar typisch Hollandse kenmerk aanstipte. Het woordje dan verwijst hier niet naar een bepaald moment of een bepaalde situatie. Maar wat doet dan dán?

Lees verder >>

GLIMS workshop over ditransitieve constructies, Gent, 24 februari


Op dinsdagmiddag 24 februari 2015 organiseert de onderzoeksgroep GLIMS van de Universiteit Gent een informele workshop over variatie en verandering in datieve en ditransitieve constructies. Op het programma staan zes lezingen waarin sprekers van binnen en buiten de UGent hun work-in-progress presenteren op het gebied van taalvariatie en verandering in de ditransitieve en/of prepositioneel-datieve constructies van verscheidene Germaanse talen, waaronder het Nederlands. Tussen de verschillende lezingen is er ruime gelegenheid tot discussie.

Het evenement vindt plaats in het hoofdgebouw van de faculteit Letteren & Wijsbegeerte, Blandijnberg 2, in de Grote Vergaderzaal (derde verdieping, lokaal 130.007). Alle belangstellenden zijn van harte welkom: deelname aan het evenement is gratis, maar met het oog op een vlotte organisatie vragen we om vooraf in te schrijven via e-mail (timothy.colleman@UGent.be), liefst voor vrijdag 20 februari.

Lees verder >>

Pas verschenen: Taal en Tongval (Vol. 66, no. 1 & 2)


Er zijn twee nieuwe nummers verschenen van Taal & Tongval, wetenschappelijk tijdschrift over taalvariatie in Nederland en Vlaanderen. Dit zijn de eerste nummers van het tijdschrift die verschijnen via het online platform IngentaConnect. Wie geïnteresseerd is om bij nieuwe publicaties een bericht te ontvangen, kan zich aanmelden via http://www.ingentaconnect.com/content/aup/tet(en doorklikken naar ‘receive new issue alert’).
Inhoud:
Taal en Tongval (ISSN: 0039-8691); Volume 66, No. 2; 14 December 2014
1.      CIJNS en TIJNS, één belasting twee termen
van Reenen, Pieter
2.      Systematisch onderzoek naar Nederlandse contactvarieteiten
van der Sijs, Nicoline
3.      Regiolect verankerd
Wilting, Max; van Hout, Roeland; Swanenberg, Jos
4.      Boekbesprekingen

Taal en Tongval (ISSN: 0039-8691); Volume 66, No. 1; 12 December 2014
1.      Dialect contact and the speed of Jespersens cycle in Middle Low German
Breitbarth, Anne
2.      Wandel und Variation in der Morphosyntax der schweizerdeutschen Dialekte
Glaser, Elvira
3.      Conservative and innovative dialect areas
Schwarz, Christian

De kerstdag dat ik lekker ging indringers keuren

Door Marc van Oostendorp


Een bijzin is als een collegezaal en werkwoorden zijn als eerstejaarsstudenten: ze willen allemaal achterin zitten. Vandaar dat je zegt dat je Piet Josje de kinderen wel had willen helpen leren zwemmen: vijf werkwoorden op een kluitje.

 

In Nederland slaagt slechts een enkel woordje erin dat geklit van die werkwoorden te doorbreken; een voorzetsel bijvoorbeeld, dat dan als voorvoegsel gevoeld wordt. In plaats van ik denk dat ik dat wel over wil doen kun je ook zeggen ik denk dat wel wil overdoen. In Vlaanderen lukt het meer woorden: daar kun je ook zeggen dat je denkt dat je moet een schuur bouwen, waar de naamwoordgroep een schuur tussen moet en bouwen kan staan.

 

Toch is er geen enkele groep werkwoorden, ook niet in Vlaanderen, die zomaar iedere indringer in zijn midden toelaat. Er zijn zelfs voor de meest volhardende spreker van het Vlaams, heel duidelijke, en ook goed te begrijpen, beperkingen op welk woord er wel of niet tussen kan staan. Die beperkingen zijn bovendien geloof ik ook voor Nederlanders, in ieder geval voor mij, na te voelen: ik vind dat je moet groente kopen is misschien niet de allerbeste zin sinds de opening van de Max Havelaar, maar in ieder geval een stuk acceptabeler dan Ik vind dat je moet een groentepakket van tien euro kopen.

Lees verder >>

Call for papers: Sociolinguistics Circle 2015


Call for papers: Sociolinguistics Circle 2015
Gent (België), 27 maart
Beschrijving van de conferentie
Na een succesvolle eerste editie in Groningen, kondigen we met plezier de tweede conferentiedag aan van de Sociolinguistics Circle, die zal plaatsvinden in Gent op 27 maart 2015. De Sociolinguistics Circle is een initiatief van een groep onderzoekers uit de Lage Landen (zie hieronder). Het doel van de conferentie is studenten en onderzoekers met een link met de Lage Landen samen te brengen om te praten over thema’s als taalvariatie, sociolinguïstiek en de sociale dynamiek van taal. Vooral studenten worden aangemoedigd zich voor deze conferentie aan te melden; de conferentie staat open voor onderzoek op alle niveaus.
Call for papers
Abstracts voor paper- en posterpresentaties (over om het even welke taalvariëteit) kunnen vanaf nu ingediend worden. We verwelkomen abstracts over onderwerpen binnen de variatielinguïstiek, sociolinguïstiek, linguïstische antropologie, dialectologie of gerelateerde disciplines. Abstracts van maximaal 300 woorden (exclusief bibliografische verwijzingen), opgesteld in het Engels of het Nederlands, kunnen naar sociolinguisticscircle@gmail.comworden gestuurd voor 12 januari 2015.

Lees verder >>

Ebola hééft geen juiste klemtoon!

Door Marc van Oostendorp


Waar komt toch de neiging van mensen vandaan om in taalzaken altijd per se een keuze te maken? De ziekte ebola doet zich nog niet voor, of mensen beginnen zich af te vragen wat nu de correcte klemtoon is. De VRT heeft er een mening over,  het Genootschap Onze Taal heeft er dezelfde mening over. Er zijn ook nog afwijkende meningen (Onze Taal noemt het Pinkhof Geneeskundig Lexicon), maar we kunnen ervan uitgaan dat men dit een ongewenste toestand vindt – en dat de twee sites hetzelfde kunnen zeggen: correct is ébola of ebóla, maar beslist niet allebei.

Maar waarom niet? Wat is er zo ongewenst aan de huidige situatie waarin er twee klemtonen zijn? Zijn er mensen die hierdoor in verwarring raken en menen dat er sprake is van twéé gevaarlijke ziektes, ébola en ebóla?

Ik denk dat het meer is dan het zoeken naar broodwinning van de taaladviseurs. Er zit iets in de taal, of wie weet in de samenleving, dat ervoor zorgt dat we het onaangenaam vinden als mensen zaken anders benoemen dan wijzelf. Dat kan niet! Dat mag niet!
Lees verder >>

Projectvoorstelling Dutch++ – Variatie in het Nederlands


In het project Dutch++  werkt de Universiteit Wenen samen met de FU Berlin, de Thomas More en de Universiteit van Tilburg. Binnen het project is een website ontwikkeld met informatie en oefeningen over variatie in de Nederlandse taal. Op donderdag 6 november 2014 wordt dit e-learningproject officieel voorgesteld aan het publiek.

Wilt u op 6 november Dutch++ leren kennen en meepraten over variatie in het Nederlands ? U bent van harte welkom op de officiële projectvoorstelling op de campus Geel van Thomas More! Meer informatie en het programma zijn te vinden in de aankondiging (pdf). Direct inschrijven kunt u via dit formulier.

Wil ik een doosje voor je zoeken?

Door Marc van Oostendorp
Zoals de meeste mensen heb ik specifiekere herinneringen aan de taal van mijn vader dan die van mijn moeder. Zoals je moeder praten, dat is wat je leert als kind, en dus is alles wat je moeder zegt, allemaal volkomen normaal. Ik kan me in ieder geval niets voor de geest halen dat mijn moeder zei en dat ik als kind vreemd vond. Maar bij je vader begint de taalvariatie: die zegt soms dingen die je als kind kennelijk niet overneemt, maar tot nadenken stemmen.
Gisteren was ik aan het lezen in De tranen der acacia’s en ineens hoorde ik daar uit de mond van de zus van de hoofdpersoon (Carola) een zinnetje van mijn vader voorbijkomen:
Wil ik een doosje voor je zoeken?

Ik herinner me dat mijn vader zulke dingen zei en dat ik als twaalfjarige dacht: maar dat moet je mij toch niet vragen, of jij dat wil. Want ik dacht dat ik slim was en wist niet beter.

Lees verder >>

6 december: ‘Constructies in variatie en verandering’, Gent

Op vrijdag 6 december vindt de editie 2013 van het jaarlijkse Taal en Tongvalcolloquium plaats, in het gebouw van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letterkunde (KANTL) in Gent (Koningstraat 18). Het thema van het colloquium is ‘Constructies in variatie en verandering/Verandering en variatie in constructies’: op het programma staan 13 lezingen over aspecten van synchrone en/of diachrone variatie in de eigenschappen van (grammaticale) constructies in het Nederlands of verwante talen en/of over de rol van constructies in processen van taalverandering en -variatie.
Lees verder >>

Te Belgisch

Door Marijke De Belder
Omdat ik onderzoek naar woordvorming doe, plaats ik soms vragenlijsten online. Die vragenlijsten worden enthousiast ingevuld, waarvoor ik zeer dankbaar ben. Na elke vragenlijst ontvang ik steevast mails van bezorgde Nederlanders om me te melden dat mijn taalgebruik te Belgisch is. Het is niet gewoon Belgisch, zoals ikzelf. Het is té Belgisch. Net omdat ik met deze taalgebruikers de liefde voor de standaardtaal deel, wil ik er graag wat over kwijt.
Ik beken schuld. Mijn woordenschat is Belgisch. Ik gebruik bijvoorbeeld woorden als jobstudent. Goedbedoelende Nederlanders moedigen me daarom aan de belgicismen te vervangen. Ik vrees echter dat mijn taalgebruik dan te Hollands wordt. Het is namelijk niet zo dat de volledige Noord-Nederlandse woordenschat in de oren van Vlamingen neutraal klinkt. Een Vlaming trekt de wenkbrauwen evenzeer op bij ontbijtkoek als een Nederlander dat doet bij peperkoek. Er is een deel van de Nederlandse woordenschat dat nu eenmaal varieert. Ik stel voor dat we die verschillen in onze woordenschat met de mantel der liefde bedekken. Ik zie namelijk niet onmiddellijk een alternatief.

Lees verder >>

Promotie Eefje Boef: structuur van betrekkelijke bijzinnen in Nederlandse dialecten


Op 13 januari 2013 promoveert taalwetenschapper Eefje Boef aan de Universteit Utrecht op haar onderzoek naar morfosyntactische microvariatie (verschillen in zinsstructuur tussen verschillende dialecten) in het Nederlands.
Voor haar proefschrift deed Boef onderzoek naar betrekkelijke bijzinnen en gerelateerde constructies, zoals vraagwoordvragen. In het bijzonder staat het aspect van verdubbeling centraal: het verschijnsel waarbij bijvoorbeeld een voornaamwoord wordt verdubbeld in lange betrekkelijke bijzinnen (bijvoorbeeld: Dat is de man dieik denk die het gedaan heeft) en in lange vraagwoordvragen (bijvoorbeeld: Wiedenk je wie het gedaan heeft?). Boef presenteert in haar proefschrift nieuwe empirische data over de manier waarop betrekkelijke bijzinnen zijn opgebouwd.
Dissertatie Eefje Boef: Doubling in relative clauses. Aspects of morphosyntactic microvariation in Dutch.
Promotoren: prof. dr. Sjef Barbiers, prof. dr. Norbert Corver
Datum: vrijdag 18 januari 2013
Tijd: 16.15-17.30
Locatie: Universiteit Utrecht, Academiegebouw, Domplein 29, Utrecht

Zie: http://nieuws.hum.uu.nl/events/promotie-eefje-boef-over-structuur-van-betrekkelijke-bijzinnen-in-verschillende-dialecten/

Plat praten in de Fabeltjeskrant

Doordat Ger Smit een paar dagen geleden overleed, stond De Fabeltjeskrant de laatste dagen weer in de belangstelling. Smit nam in die serie de stemmen van onder andere Gerrit de Postduif, Bor de Wolf, Lowieke de Vos, Meneer de Raaf, Meindert het Paard en Ed Bever voor zijn rekening.

Arjen Fortuin lanceerde in zijn column van vrijdag de Bor de Wolf-prijs. Bor was volgens Fortuin ‘de meest tragische literaire figuur uit de naoorlogse televisiegeschiedenis’. Onder mijn generatiegenoten op Facebook zoemde het vervolgens van nostalgie. Wat was die serie toch prachtig, en cultureel en wat was het moeilijk voor te stellen dat zoiets nu nog gemaakt zou worden.

Ook voor mij roept de stem van meneer de Uil herinneringen op aan natte haartjes en nog éven opblijven. Een van de eerste leesherinneringen die ik heb is de aankondiging van De Fabeltjeskrant in de Varagids. Maar nu ik wat afleveringen op YouTube keek, zag ik vooral wat de serie had gedaan voor de opvattingen over taalvariatie in Nederland.

Lees verder >>

Wanneer u zeggen pijn doet

Zelden heb ik de pijn gevoeld die taalvariatie teweeg kan brengen, als toen ik gisterenmiddag in het gezicht van mijn buurvrouw keek. Het was mooi weer, ze had een pakje voor me aangenomen van de postbode dat ik kwam ophalen. Ze vertelde dat ze binnenkort ‘eindelijk’ ging promoveren en ze sprak me aan met u.

Toen ik haar voorstelde om elkaar te tutoyeren, kreeg ze die blik in haar ogen die me door de ziel sneed. ‘Ik vind dat wel een beetje moeilijk,’ gaf ze schoorvoetend toe.

Lees verder >>

Call for papers: New ways of analyzing syntactic variation

An interdisciplinary workshop on understanding and explaining syntactic variation
Hosted by the Radboud University Nijmegen, November 15-17, 2012
Plenary speakers
Joan Bresnan (Stanford University)
Adele Goldberg (Princeton University)
Sali Tagliamonte (University of Toronto)
Antal van den Bosch (Radboud University Nijmegen)
Workshop goal
Syntactic variation concerns the alternation between constructional alternatives such as He gave the boy the book and He gave the book to the boy. Syntactic variation research investigates the factors which determine why one of these alternatives is preferred over the other in specific linguistic and situational contexts.

Lees verder >>

De Vlaming in mij

Ik heb mezelf leren kennen terwijl ik de afgelopen maanden meewerkte aan het tweede deel van de Morfologische Atlas van de Nederlandse Dialecten (MAND), dat binnenkort verschijnt. Zo heb ik de Vlaming in mij ontdekt.

Dat zit zo. Taalkundigen zeggen meestal dat we in het Nederlands twee rijtjes persoonlijk voornaamwoorden hebben. De Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS) noemt het ene rijtje “vol”: ik, jij, hij, zij, het, wij, jullie, zij. Het andere rijtje heet “gereduceerd”: ‘k, je, ie/die, ze, ‘t, we, je, ze. Die terminologie suggereert dat het gereduceerde rijtje door middel van klankverandering is afgeleid van het volle rijtje. Zoals je het woord minuut informeel als menuut kunt uitspreken, zo kun je we zeggen in plaats van wij.

Historisch zijn de vormen ongetwijfeld op die manier aan elkaar gerelateerd, maar sinds het Utrechtse proefschrift van Egon Berendsen (1986) weten we dat in het moderne Nederlandse de twee rijtjes echt twee losse rijtjes zijn. Je en jij zijn bijvoorbeeld echt verschillende woorden, die deels verschillende dingen betekenen (“je wordt moe” kan zoiets betekenen als “men wordt moe”, maar “jij wordt moe” kan dat niet).

Nu is er met twee vormen in het gereduceerde rijtje nog iets bijzonders aan de hand. Dat blijkt al uit de spelling: ‘k en ‘t worden zonder klinker geschreven, en volgens de ANS soms zo uitgesproken. Over ‘k zegt de ANS (paragraaf 5.2.3.1) bijvoorbeeld:

“De (…) als ‘k gespelde gereduceerde enkelvoudige onderwerpsvorm kan als sjwa + k en als k worden uitgesproken: het eerste vooral na medeklinkers (heb ‘k, toen ‘k), het tweede vooral voor medeklinkers en na klinkers (‘k zou, zou ‘k).”

Over ‘t zegt de ANS iets soortgelijks. Daardoor ontstaat gemakkelijk het idee dat het verschil tussen [k] en [uk] of [t] en [ut] een puur uitspraakverschil is, gebaseerd op principes van welluidendheid.
Als je daar even over nadenkt, en de juiste voorbeelden erbij zoekt, merk je dat dit niet precies klopt. Zo klinkt kep voor “ik heb” in mijn oren veel minder vreemd dan koor voor “ik hoor”, terwijl toch in allebei de gevallen het volgende woord met een klinker begint (of eigenlijk met een [h], maar die valt weg). Op dezelfde manier zeg ik makkelijker ksal voor “ik zal” dan kseg voor “ik zeg” en kben voor “ik ben” dan kbeloof voor “ik beloof”.

Hoe zit dat? Hebben, zullen en zijn kun je allemaal gebruiken als hulpwerkwoord, horen, zeggen en beloven niet. Kennelijk hecht de vorm met alleen de medeklinker zich makkelijker aan hulpwerkwoorden dan aan zelfstandige werkwoorden, in ieder geval voor mijn taalgevoel.
Maar verbazingwekkend genoeg wordt dat taalgevoel weerspiegeld in het landschap van het Nederlandse taalgebied. In de database van het zogenoemde Goeman-Taeldeman-Van Reenen Project (GTRP) zitten gegevens over hoe dialectsprekers in 613 plaatsen in Nederland en Vlaanderen (inclusief Frans-Vlaanderen) allerlei Nederlandse woorden en zinnetjes in hun dialect vertaalden. De MAND is op deze database gebaseerd. Als we de plaatsen op de kaart zetten waar mensen spontaan “ik heb” vertaalden met kep of “ik hoorde” met koorde krijgen we het volgende:

Het kep-gebied is duidelijk veel groter dan het koor-gebied. Kep zegt men in heel Vlaanderen, en koor in een kleiner gebied. De gebieden worden nog kleiner als we ksal en kseg met elkaar vergelijken:

De gebieden zijn kleiner, maar het effect is hetzelfde: ksegwordt in veel minder plaatsen gezegd dan ksal. (Deze kaarten staan overigens niet in de MAND, ze zijn exclusief voor Neder-L gemaakt.)

Ik ben Hollands als het gras en mijn dagen in West-Vlaanderen zijn op de vingers van een hand te tellen. Hoe is het dan mogelijk dat mijn taalgevoel overeenkomt met een geografisch patroon dat we elders vinden? Al kan ik het niet bewijzen, ik vermoed dat alle sprekers hetzelfde gevoel hebben over het verschil tussen hulpwerkwoorden en zelfstandige werkwoorden. Alleen trekt in Vlaanderen de klinkerloze vorm sterker dan in Nederland, en zullen deelnemers aan een enquête dus in meer gevallen voor zo’n vorm kiezen.

Er zijn twee schalen: de een is (grofweg) kebkoorksalkseg; de ander is geografisch met Frans Vlaanderen als het middelpunt. De kans dat persoon x bij werkwoord y een klinkerloze vorm van ik gebruikt is volgens een wiskundige formule te berekenen uit die twee schalen.
En zo zit er in ons allemaal een Vlaming.

Marc van Oostendorp