Tag: taalvariatie

Op z’n hondjes

Samson leest een boek. Vindt ie moeilijk.

Door Lauren Fonteyn

Het is voor een Vlaming in Nederland vaak toch een beetje alsof je op een andere planeet bent. Zo is het hier bijvoorbeeld niet de gewoonte om je hand op te steken als je iets wil bijdragen tijdens een vergadering (je moet gewoon beginnen praten met vijf tegelijk en degene die het langst het luidst kan praten wint, denk ik). Maar laatst voelde ik me toch weer even dicht bij huis, toen er hier iemand over Albert Heijn begon, en ik zei: “Ten eerste t’is Albertooo”. Dat slaat natuurlijk nergens op voor iemand die niet opgegroeid is op de planeet Aarde met het legendarische kinderprogramma Samson & Gert. Gelukkig hebben veel Nederlanders toch tenminste dàt met me gemeen.

Lees verder >>

Hengelooo

Door Henk Wolf

Tijdens een college vergeleken studenten laatst hun uitspraak van een aantal klinkers. Een studente was aan haar uitspraak makkelijk te herkennen als Tukker en toen ze vertelde uit welke plaats ze kwam, riepen als op afspraak een paar anderen: “Hengelooo!”. Hoewel ze zelf geen Oost-Nederlanders waren, deden ze dat met de opvallende monoftongische uitspraak van de -oo-. De Twentse studente verzuchtte daarop: “Dat doen mensen nou altijd.”

Het is een bekend verschijnsel, met veel gezichten. Wie een Vlaamse tongval hoort, roept met een geknepen stemmetje ‘Allez!’. Wie iemand als Fries identificeert, roept: ‘Moai, no?’ met een overdreven stijgend toonverloop. De Surinamer moet een ‘Jawel, hoor!’ met overdreven bilabiale -w- en gerekte klinkers verdragen en wie Duits blijkt te zijn, ontkomt soms niet aan een bijtend uitgesproken ‘Jawohl!’.

Lees verder >>

Een mooie mengelmoes

Door Nicoline van der Sijs en Marc van Oostendorp

Een mooie mengelmoes was dit jaar het nieuwjaarsgeschenk van het Meertens Instituut. Het was ook beperkt in de handel. Omdat die oplage nu is uitgeput, geven we het boekje hierbij vrij als pdf.

Taal was belangrijk in de Gouden Eeuw. Schrijvers, dichters, taalgeleerden en journalisten legden zelfbewust de basis voor wat het Standaardnederlands zou worden, een taal waarop iedereen even trots leek te zijn als op de nieuwe Republiek. Tegelijkertijd openden de Lage Landen zich voor de rest van de wereld, onder andere door de handel en het vroege kolonialisme, maar ook door belangstelling voor de ‘nieuwe’ kunsten uit Italië en Frankrijk. Bovendien kwamen door de grote welvaart heel veel migranten uit binnen- en buitenland naar Amsterdam.

In Een mooie mengelmoes laten Nicoline van der Sijs en Marc van Oostendorp zien dat het ontstaan van het Nederlands alleen kan worden begrepen tegen de achtergrond van al die talen en dialecten die er toen in de Lage Landen werden geschreven. De auteurs presenteren het eerste onderzoek naar de pas ontsloten schat van zeventiende-eeuwse kranten – Nederlandse drukkers zetten in dit eerste massamedium internationaal de toon – én ze laten zien hoe schrijvers buitenlandse modellen imiteerden, maar dat deden in ‘zuiver’ Nederlands en niet in een ‘mengelmoes’ van leenwoorden zoals die in het dagelijks leven werd gebruikt.

Nicoline van der Sijs en Marc van Oostendorp zijn allebei als senior-onderzoeker verbonden aan het Meertens Instituut; ze zijn ook allebei hoogleraar in Nijmegen.

Eersame lieve soen: een gemiste kans

Door Marc van Oostendorp

Michiel Heusch was een Hamburgse jongeman uit een Antwerps geslacht. In 1664 en 1665 reisde hij net als iedereen uit zijn kringen naar Italië. Met zijn familie onderhield hij contact per brief; zijn eigen brieven zijn niet bewaard gebleven, maar enkele van de brieven die zijn familie aan de ‘eersame, lieve soen’ schreef, wel.

Deze brief zijn nu door Verloren uitgegeven in een heel fraai geïllustreerd koffietafelboek, voorzien van annotaties door de taalkundige Marijke van der Wal die ook een inleiding schreef.

Het boek is werkelijk een lust voor het oog – eigenaardig genoeg wordt in het colofon wel een omslagontwerper en een typograaf genoemd, maar geen ontwerper voor het binnenwerk. Die persoon had best in het zonnetje worden gezet, want Michiel Heusch is een lust voor het oog.

Lees verder >>

Wat ik zeg!

Door Kristel Doreleijers

Het zal niemand zijn ontgaan: het Nederlandse voetbalsucces. “We” doen weer mee op het Europese toneel na de zinderende Champions League overwinningen van Ajax, en ook op nationaal niveau kan de voetballiefhebber de komende weken zijn hart ophalen.

Dat Nederlands (internationaal) voetbalsucces gepaard gaat met spannende taalontwikkelingen, blijft haast onopgemerkt door alle kunststukjes op het veld. Iedere liefhebber herinnert zich wel de sierlijke Zidane-pirouette van Dušan Tadić, de minutieuze vrije trap van Lasse Schöne en de torenhoge kopbal van Matthijs de Ligt. Met de halve CL-finales van Ajax tegen de “Spurs”, de Bekerfinale tussen Ajax en Willem II en de ontknoping van de Eredivisie in aantocht, zal de gedachte aan deze acties vele voetbalharten sneller doen kloppen. De talloze voor- en nabeschouwingen rondom de voetbalwedstrijden zetten echter niet alleen de schijnwerpers op de fysieke prestaties van de voetballers, maar ook op iets heel anders: hun taalgebruik. We weten al langer dat er op het niveau van woordenschat veel gebeurt tijdens grootschalige voetbalevenementen. Denk maar aan het Sambavoetbalwoordenboekje dat het Instituut voor de Nederlandse taal uitbracht in 2014. Deze digitale woordenlijst bevat allerlei neologismen die ontstonden tijdens het WK voetbal in Brazilië, van juichpak tot doellijntechnologie. Ook René Appel schreef eerder al uitvoerig over het jargon rond de voetbalvelden in zijn boek Voetbaltaal (1990). In dit artikel wil ik de aandacht vestigen op een ogenschijnlijk nieuwe uitdrukking die voetballers de laatste tijd opvallend veel gebruiken. Het gaat om het zinnetje “wat ik zeg”, veel gehoord in interviews: “wat ik zeg, daarna maken we ook nog de 5-0”. Deze uitdrukking doet vooral denken aan stopzinnetjes als “zal ik maar zeggen”, “zeg maar”, “weet je”, “ja toch” en “je weet toch”, maar het is de vraag of er niet meer te zeggen valt over dit type gebruik van het betrekkelijk voornaamwoord wat. Lees verder >>

Kan de overheid anarchistisch zijn in het taalbeleid?

Door Marc van Oostendorp

De Taalunie is een gezamelijke Vlaams-Nederlandse overheidsorganisatie, maar de traditie is dat Nederland net doet alsof die hele club niet bestaat, terwijl men in Vlaanderen met argusogen kijkt naar iedere stap die er wordt gezet.

Dat is ook nu weer het geval: in Nederlandse media werd voor zover ik kan zien geen woord gewijd aan de publicatie van de door een deskundige commissie vorige maand gepubliceerde Visie op taalvariatie en taalvariatiebeleid? Vlaanderen was anderzijds vrijwel meteen te klein, vooral toen commissielid Stef Grondelaers (Radboud Universiteit) in De Standaard vorige maand een artikel publiceerde waarin hij een paar consequenties van de visie uit het rapport uiteenzette voor de Vlaamse publieke omroep, de VRT:

Nochtans is de VRT een voor de hand liggende partner in de ‘de-ideologisering’ die dringend nodig is om het Vlaamse denken over standaardtaal te genezen. De organisatie die met de beste bedoelingen generaties Vlamingen doordrongen heeft van de ‘één taal goed, alle andere talen slecht’-ideologie, zou met name het voortouw moeten nemen in die grote schoonmaak.

Empirie

Wie vraagt om ‘deïdeologisering’ vraagt in onze tijd om moeilijkheden, want al snel komen uit alle hoeken en gaten dan degenen klauteren die juist aan die ideologieën hangen als matrozen aan een scheepsmast in zwaar weer. Uiteindelijk voelde de minister van onderwijs Hilde Crevits zich genoodzaakt Stefs artikel te retweeten, met dit commentaar: Lees verder >>

Een ongecontroleerde wetenschappelijke bevinding

Door Marc van Oostendorp

Nederlandse dialectgroepen. Kaart door Peter Kleiweg, John Nerbonne en Martijn Wieling.

Waar speelt de taalwetenschappelijke discussie zich eigenlijk af? In de wetenschappelijke literatuur of inmiddels ook daarbuiten? Omdat ik ook maar gewoon een deskundige ben, schreef ik vorig jaar nog dit stuk waarin ik uitlegde dat het verschil tussen talen en dialecten niet taalkundig te maken valt. Maar nu blijkt dat toch ook weer niet te kloppen, althans, wanneer je dit recente artikel van Søren Wichmann mag geloven.

Wichmann beschrijft een techniek waarmee je de afstand tussen twee talen kunt meten. Die techniek is simpel, en levert een schaal van afstanden op, maar die schaal laat volgens Wichmann een duidelijke tweedeling zien. Wanneer je twee willekeurige talen of dialecten neemt uit een grote database van talen, lijken ze ofwel sterk op elkaar, of is er minstens een redelijk groot verschil. Er is een bepaalde afstand – niet groot, niet klein – die maar door heel weinig taalparen bereikt wordt. Het lijkt er dus op alsof het verschil tussen dialecten – de systemen liggen dicht bij elkaar – of talen – ze liggen ver uit elkaar – wel degelijk precies en zelfs meetbaar kan worden gemaakt. Lees verder >>

Wat verraadt jouw taal over jou?

Friet, patat of petat. Je hebt maar één woord nodig om te horen of de persoon tegen wie je spreekt een Vlaming of een Nederlander is. Maar je woordgebruik en je uitspraak vertellen nog méér dan alleen je woonplaats. Hoe dat komt en hoe dat werkt legt sociolinguïst Rik Vosters je haarfijn uit. Extra uitdaging voor tijdens het kijken (lees: luisteren): raden jullie waar de haast accentloze professor vandaan komt?

(Bekijk deze video op YouTube.)

Laat duizend bloemen bloeien? Een debat over taalvariatie in Vlaanderen en Nederland

Taalvariatie is de nieuwe mantra in de taalwetenschap. Niemand ontkent ze; ze is er, net zoals diversiteit in de samenleving. De vraag is: hoe gaan we ermee om?

Is de tussentaal in Vlaanderen nu een usurpator of een legitieme, want bestaande en door meer en meer mensen als vanzelfsprekend beschouwde variëteit van het Nederlands in België?

In Nederland kun je dezelfde vraag stellen over het Poldernederlands, en de streektalen. En wat met de instroom van Engelse woorden, en woorden uit andere talen? Zie ook de recente discussie in Vlaanderen over de plaats van de thuistaal in het onderwijs. Lees verder >>

Alle talen hebben liever t’s dan d’s

25 jaar Optimaliteitstheorie (1)

Door Marc van Oostendorp

Naarmate je ouder wordt, schrijf je meer artikelen voor handboeken. Die handboeken worden bij uitgevers steeds populairder, waarschijnlijk omdat bibliotheken ze makkelijk bestellen en bibliotheken zijn zo ongeveer nog de enige klanten van wetenschappelijke uitgevers. Aan de andere kant tellen zulke hoofdstukken niet of nauwelijks voor je cv en vooral jongere collega’s kunnen het zich niet veroorloven.

Momenteel schrijf ik een echt oudemannenhoofdstuk voor een handboek over de geschiedenis van de fonologie, mijn specialisme. Het gaat over de zogeheten Optimaliteitstheorie, een theorie die enorm populair is geweest in de afgelopen 25 jaar: hij begon in 1993 te circuleren. Dat betekent, in de eerste plaats, dat hij mijn halve leven bij me is geweest, en, in de tweede plaats, dat ik hem heb opgepikt toen ik mijn proefschrift aan het schrijven was. Lees verder >>

Passen talen zich aan hun sprekers aan?

Door Marc van Oostendorp

Sinds een paar jaar verschijnt er onderzoek dat een aantal jaar geleden ondenkbaar was: naar de relatie tussen taalvariatie en genen. Het gaat dan meestal over klanken, zoals ook in een nieuw artikel in het prestigieuze tijdschrift PNAS.

Dat talen van elkaar verschillen in welke klanken ze hebben, is op zich een niet goed begrepen fenomeen. Waarom maken niet alle talen gebruik van dezelfde klanken? Daar heeft geloof ik nog nooit iemand iets verstandigs over gezegd (ik schreef er vorig jaar al eens over).

Het is duidelijk dat sociale factoren een rol spelen in taalverandering (mensen willen altijd anders praten dan andere mensen), maar de gedachte dat genetische variatie ook een rol speelde was in het recente verlenen niet alleen eigenlijk niet te toetsen, maar ook nog eens taboe. Lees verder >>

Stijl en taal, dichterlijke vrijheid en grenzen

De poëzie van Mustafa Kör

Door Fabian R.W. Stolk

Tot de plaatsen waartegen zich onze bezwaren richten en waarvan de overdenking uitwijst, dat de dichter er niet in geslaagd is precies onder woorden te brengen hetgeen hij bedoelde, kan men afwijkingen van de grammaticale vormen alleen dan rekenen, wanneer zij niet een kennelijk plastische of muzikale werking beoogen en ook werkelijk teweegbrengen, maar zonder nawijsbare en tot voordeel van het gedicht komende reden en noodzaak zijn toegepast.  (Donker 1946: 11)

Voor een poëzielezer kan het anno 2017 moeilijk zijn een taalfout te onderscheiden van welbewuste dichterlijke vrijheid. Taal verandert voortdurend, normen worden minder strikt, regels worden losser gehanteerd, Nederlandstalige dichters komen uit allerlei windrichtingen, taalgebieden. Dat was vlak na de Tweede Wereldoorlog wel anders, althans voor dichter en criticus Anthonie Donker, gezien zijn essay De vrijheid van den dichter en de dichterlijke vrijheid (1946).

Onze vrijheid nu is groter dan die van Donker. Maar ook hij onderkende dat de kracht van poëzie kan schuilen in talige aberraties, zeker wanneer die het de dichter mogelijk maken precies dàt uit te drukken wat hij/zij bedoelt. En poëzie, vooral goede (om in Donkers lijn te denken), kan de lezer bewust maken van de in het dagelijks leven vergeten rijkdom van de taal.

Toch zijn er dichters, ook dichters van belang, die fouten maken. Lees verder >>

Ilja Leonard Pfeijffer als variationist

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (42)

Door Marc van Oostendorp

Als hij wil uitleggen waarom Plato behalve een bekend Grieks wijsgeer ook een briljante schrijver was, schrijft Ilja Leonard Pfeijffer in zijn boek De Antieken: “Het heeft veel te maken met diversiteit.  Plato beheerst alle registers. (…) Alle gesprekspartners in Feest vertellen hun verhaal over de liefde op een andere toon, in een andere stijl, die perfect is toegesneden op het personage.” Hij vertelt ook dat het lezen van Plato hem voor het eerst duidelijk maakte dat het Klassieke Grieks een échte taal was, die in het dagelijks leven gesproken werd en die de Atheners niet alleen maar elkaar als een puzzeltje opgaven.

Oog voor diversiteit lijkt het hoogste compliment dat Pfeijffer aan schrijvers te bieden heeft. Ook over de toneelschrijver Aristofanes zegt hij: “Zijn stijl is wendbaar en afwisselend. De vunzigste banaliteiten gaan samen met parodieën op de verheven stijl van het epos en de tragedie of op het jargon van juristen, priesters of redenaars.” Over Horatius: “In zijn Satiren, Epoden en Brieven weet hij pretentieloze spreektaal schijnbaar achteloos en volledig natuurlijk te draperen over de kunstmatige versvormen van de hexameter en de jambe. In Oden krijgt zijn taal een gepolijste perfectie. ”

Lees verder >>

Verplicht boek voor alle Nederlandse taalkundigen

Door Marc van Oostendorp

Het kan niet gemakkelijk zijn om een Vlaamse intellectueel te zijn. Er is altijd gedoe om taal, op een manier die een Nederlander zich over het algemeen niet kan voorstellen: iedere keuze die je maakt in taalzaken – hoe nauwkeurig je je aan de standaard houdt, wat je precies als standaard beschouwt, hoeveel dialect je je permitteert – is niet alleen onderhevig aan de vooroordelen die overal aan taal vastzitten, maar ook al snel een politieke kwestie.

Een docent op de middelbare school moet bijvoorbeeld heel precies over deze zaken nadenken: wat voor regels hanteer ik voor gebruik van dialect in de klas? Hoeveel trek ik me aan van de normtaal zoals die in een ander land, Nederland, geldt?  Lees verder >>

Nee, my ou suikerpot, die lewe is nie net skanghagha nie

Door Jana Luther

Die meeste van die tale wat aan ons bekend is, bestaan uit verskillende variëteite. Naas die standaardvariëteit – wat gewoonlik so volledig moontlik ontwikkel word om deur soveel as moontlik gebruikers verstaan te word en soveel as moontlik van die funksies te verrig wat ’n mens van ’n taal kan verwag, veral in formele kontekste – beskik die meeste tale ook oor:

  • dialekte en geolekte, verskillende vorme van taalgebruik wat in verskillende dele van ’n land of taalgebied gebruik word (en soms selfs as verskillende tale beskou word); en
  • sosiolekte (groeptale, mengtale en geheimtale), wat met verskillende sprekersgroepe verbind word.

Soos ’n rivier waarin verskillende strome ineenvloei, word elke taal deur uiteenlopende en ineenlopende omgangstale gevoed; variëteite van die taal wat verskillende groepe en subkulture gebruik om kommunikasie tussen hulle te vergemaklik – of te bemoeilik. Terwyl elke individu boonop sy of haar eiesoortige taal gebruik, wat ’n idiolek genoem word. Sonder al hierdie strome is daar geen taal nie.

Naas die standaardvariëteit van Afrikaans, bestaan Afrikaans ook uit Kaaps, Oranjerivierafrikaans en Oosgrensafrikaans. Lees verder >>

Vacature: promovendus syntactische variatie, Nijmegen en Leuven

The Department of Linguistics of the KU Leuven and the Centre for Language Studies at the RU Nijmegen are looking for a

PhD-candidate

for a project (funded by an LN&L-grant) entitled

North and South, bottom to top.
Using big data to model syntactic variation in Belgian and Netherlandic Dutch.

Project outline

While Belgians and Dutchmen are well aware that they use different words, and that their pronunciation diverges, they are mostly oblivious to the fact that there are also grammaticaldiscrepancies between Belgian and Netherlandic Dutch. Few Belgians, for instance, will realize that the preposition voor in Jan maakte (voor) haar een boterham is optional for them, whereas it is indispensable for almost all the Dutch. Lees verder >>

Op naar een Surinaamse en Antilliaanse editie van de Atlas van de Nederlandse taal!

Verkort praatje bij de presentatie van de ‘Atlassen van de Nederlandse taal’ op 11 mei in Den Haag

Door Nicoline van der Sijs

Welkom bij de presentatie van de Nederlandse editie van de Atlas van de Nederlandse. Wat is er nieuw en bijzonder aan deze atlas? Het belangrijkste wapenfeit is dat deze atlas voor het eerst erkent dat de variëteiten van het Nederlands die in Nederland en in Vlaanderen worden gesproken, volkomen gelijkwaardig aan elkaar zijn. Dat is nog nooit eerder vertoond: er bestaat geen enkel ander boek dat in twee edities is verschenen, een voor Nederland en een voor Vlaanderen. Zelfs de bijbel niet.

Tot de 21e eeuw werd de Nederlandse taal uitsluitend neerlandocentrisch bezien, óók in het zuiden. Terwijl Nederland en België na 1830 in politiek opzicht ieder hun eigen weg gingen, bleef de Nederlandse taal zoals die in Nederland werd geschreven en gesproken, voor de Vlamingen het voorbeeld. Dit ondanks het feit dat er van meet af aan verschillen bestonden tussen beide variëteiten. In grammatica’s en woordenboeken gold de Nederlandse variant als de neutrale, ongemarkeerde, terwijl de Vlaamse variant werd gemarkeerd als ‘Belgisch-Nederlands’: dat werd bijvoorbeeld toegevoegd bij woorden als croque-monsieur en schepen. Bij de Nederlandse varianten tosti en wethouder ontbrak iedere nadere toelichting. Lees verder >>

Water en taal

Door Marc van Oostendorp

untitled_artwork-1Een taal is geen stroompje, maar een grote, brede rivier. Traag stroomt ze permanent in de richting van de zee. Als je iets dichter bij kijkt, zie je golfjes die in de richting van de oever gaan. En nóg dichterbij, onder de microscoop, bewegen de moleculen alle kanten op.

Zo is het ook met de taal. In de loop van de eeuwen gaat ze een bepaalde richting op. Het Nederlands verandert bijvoorbeeld in een naamvalsloze taal; die verandering is in de 14e eeuw voortgezet, nu hebben we alleen nog een paar naamvallen voor de persoonlijk voornaamwoorden (ik/mij), maar ook die zijn langzaam maar zeker aan het wegslijten.

Een niveau lager zijn er wat gedetailleerdere veranderingen, die zo’n beetje alle kanten op gaan.  Lees verder >>

Neen is neen

Door Truus De Wilde

Foto: Joost J. Bakker (CC-BY-2.0)

Njet betekent meer dan nee, dat las u hier al. Naar aanleiding van het strenger maken van de wet op seksuele misdrijven in Duitsland publiceerde deredactie.be de kop: „Neen is neen!“ Voor achtergrondinformatie en duiding van de wet, die hier momenteel voor een groot sociaal debat zorgt, zie bijvoorbeeld Die Zeit of Der Spiegel).

Voor mij waren neen en nee lang synoniemen, zoals ook in het artikel van De Standaard. Ik had nooit enige restrictie in het gebruik geleerd of aangevoeld, en vermoed dat ik ook in mijn eerste colleges taalverwerving de twee als synoniem aangeboden heb. Lees verder >>

Vacature: 2 aio’s in project Language Dynamics in the Dutch Golden Age (0,8 – 1,0 fte)

In het kader van het NWO project “Language Dynamics in the Dutch Golden Age: linguistic and social-cultural aspects of intra-author variation” is bij de onderzoeksinstituut UiL-OTS en ICON plaats voor 2 Assistenten-In-Opleiding (AIO).

Onderzoeksprogramma

Mede dankzij een dynamisch politiek, religieus en cultureel klimaat was het Nederlands in de Gouden Eeuw volop in beweging. Door standaardisatieprocessen en natuurlijke taalontwikkelingen was de taal een smeltkroes van langzaam verdwijnende taaleigenschappen uit het Middelnederlands en nieuwe mogelijkheden om woorden en zinnen te vormen. Deze taaldynamiek resulteerde in veel variatie binnen auteurs (intra-author variation).

Dit project wil begrijpen welke factoren ten grondslag liggen aan die variatie. Onze hypothese is dat de variatie het resultaat was van een dynamische interactie tussen het interne taalsysteem van taalgebruikers enerzijds en hun sociaal/literair-culturele context anderzijds. Het taalsysteem van een taalgebruiker maakte variatiemogelijkheden beschikbaar, die vervolgens door een taalgebruiker systematisch en vaak strategisch werden ingezet, afhankelijk van bijvoorbeeld het publiek of de doelstellingen en literaire vormgeving van zijn tekst.

Lees verder >>

Tweedeling in taalprestaties noordelijke jeugd

Gemiddeld geen taalachterstand, wel grote verschillen

Jonge kinderen uit Noordoost-Nederland beginnen, anders dan aangenomen, gemiddeld niet met een taalachterstand aan de basisschool. Maar er zijn erg grote verschillen tussen kinderen die in een ‘talige cultuur’ worden opgevoed en kinderen die dat moeten missen. Daardoor is er wel degelijk een grote groep kinderen met een problematische taalachterstand. Dat blijkt uit promotieonderzoek van orthopedagoog Bé Poolman, die 10 maart aan de Rijksuniversiteit Groningen promoveert.

De Turks-Marokkaanse z

Door Marc van Oostendorp



Dankzij het werk van Linda van Meel, die op 15 maart in Nijmegen promoveert, weten we nu alweer wat meer over de Marokkaanse z. Bijvoorbeeld dat hij net zo goed door Turken wordt gebruikt.

Van Meel was promovenda in een groter project over het ontstaan van zogenoemde etnolecten – variëteiten van een taal die gebruikt worden door moedertaalsprekers die een bepaalde etnische achtergrond hebben en deze achtergrond ook in hun taalgebruik tot uiting laten komen, zoals dialecten variëteiten zijn van mensen uit een bepaald geografisch gebied en sociolecten variëteiten van mensen uit een bepaalde sociale groep (de middenklasse; de vrouwen; de hoogopgeleiden).

In het project werden Turkse, Marokkaanse én ‘witte’ jongeren opgenomen die met elkaar spraken in verschillende samenstelling. Van Meel richtte haar onderzoek vooral op enkele klanken zoals de tweeklank ei en de klinkers aa en ah. En dus die z.

Ik denk dat de meeste Nederlanders en Vlamingen zich wel iets kunnen voorstellen bij de Marokkaanse z.
Lees verder >>

Kun je je voorstellen?

Door Marc van Oostendorp


Opgelet, een beroemde Nederlandse schrijfster gaat binnenkort de volgende zin gebruiken, in ieder geval als ze durft:

  • ‘Ik word daar depressief van, kun je je voorstellen?’
Zoals goede schrijvers dat doen, heeft ze onlangs wel eerst advies gevraagd aan het Meertens Instituut. Allerlei meelezers vonden dat je toch echt dat moest invoegen in die zin. Maar de schrijfster kon haar personage (een jonge Drentse homo) het zo horen zeggen. Hoe zat dat?
Nu hoor ik die zin ook weleens. Bijvoorbeeld in deze oude sketch van Theo Maassen en Pieter Bouwman (het begint op ongeveer 04:10):

Lees verder >>

Redden Marokkanen de Nederlandse dialecten?

Door Marc van Oostendorp


Voor mijn zondagochtendminicollege sprak ik deze week met mijn collega Frans Hinskens, die dit jaar het nieuwjaarsgeschenkje van het Meertens Instituut schreef: Wijdvertakte wortels. Frans legt onder andere uit in welk opzicht Turkse en Marokkaanse jongeren het traditionele dialect behouden. In hun taal vind je er soms meer van terug dan in die van hun ‘autochtone’ leeftijdgenoten.


Besproken boekje: Frans Hinskens. Wijdvertakte wortels. Over etnolectisch Nederlands. Amsterdam: Amsterdam University Press, 2015. Bestelinformatie bij de uitgever.

Leidse corpsstuko

Door Leonie Cornips

Het universitaire leven is weer begonnen. Verse studenten dwalen door hun universiteit en stad en proberen zich aan het nieuwe aan te passen, ook in hun manier van spreken. Het woord ‘student’ roept veel stereotyperingen op. Een KNO-arts werkzaam bij het VU Medisch Centrum vertelde dit jaar in de Volkskrant: ‘Ik zie veel stemproblemen bij studerende vrouwen van begin twintig. Ik kan niet bewijzen dat het door het verenigingsleven komt, daar vragen we niet standaard naar, maar het is een herkenbare populatie. Ze zijn hees na het stappen of hebben helemaal geen stem als ze opstaan.’ Auteurs die over het studentenleven in het verleden schreven, typeerden de student als iemand die veel tijd besteedde ‘aan tabak, wijn, aan de jol, maar ook aan het dispuut, doch minder aan de colleges’ of ‘feesten, slempen, vrijen, uitslapen, en tussen de bedrijven door een beetje studeren’.

Voor haar stage aan het Meertens Instituut heeft Tess van der Zanden (Universiteit Leiden) onderzoek verricht naar hoe studenten, die in Leiden lid zijn van de vijf grootste studentenverenigingen (Minerva, Augustinus, SSR, Catena, Quintus), spreken en hoe zij zelf hun manier van spreken omschrijven. Ze heeft in het bijzonder gekeken naar studenten die corpsleden zijn. Minerva is het oudste en meest elitaire studentencorps, telt 1600 leden en is voor iedere student toegankelijk. Dat was vroeger nogal anders omdat de kosten van lidmaatschap voor velen te hoog waren. Minerva staat bekend als een ontmoetingsplaats voor adel en patriciaat omdat leden van het koningshuis – Beatrix en Willem-Alexander – corpslid waren. In 2015 blijkt uit een onderzoek van NRC Handelsbladonder 189 Nederlandse topbestuurders dat nagenoeg een derde van hen lid is geweest van een studentencorps, waaronder velen van Minerva.

Lees verder >>