Tag: taalkunde

25 oktober 2019, Leeuwarden: Dag van de Friese taalkunde

Het Taalkundich Wurkferbân van de Fryske Akademy organiseert dit jaar de tiende Dag van de Friese taalkunde. De dag is bedoeld voor iedereen die zich direct of indirect bezig houdt met de taalkunde van het Fries: grammatica, fonetiek/fonologie, naamkunde, lexicologie, sociolinguïstiek, historische taalkunde.

In de lezing wordt over wetenschappelijk onderzoek gerapporteerd, maar presentaties van onderzoeksplannen, van speculaties of van taaldatabanken zijn ook welkom. Lezingen kunnen gehouden worden in alle talen die tot de West-Germaanse taalfamilie behoren. Lees verder >>

Kunnen we het schoolvak Nederlands versterken?

Door Karin Echten

Er wordt wel geklaagd dat het schoolvak Nederlands saai is en de aantrekkelijke kanten van de studie Neerlandistiek niet genoeg toont. Voor een deel van het programma geldt dat zeker. Veel leerlingen en docenten in het VO willen meer vakinhoud: naast de letterkunde – die een redelijk goede plaats heeft in de huidige eindtermen – moet de taalkunde net zo’n positie krijgen. Mijn school, het Sint Bonifatiuscollege te Utrecht, besteedt veel aandacht aan cultuur en bij Nederlands gaat meer dan de helft van de uren naar letterkunde, en dat is mooi, maar dat is niet genoeg. Bij mij op school is het verplicht om het PWS bij Nederlands over een taalwetenschappelijk onderwerp te schrijven (en ook bij Engels is dat een mogelijkheid en daar gebeurt het dus ook): ieder jaar schrijven zo’n vijf tot tien van onze examenleerlingen (van ongeveer 180 vwo-leerlingen en 75 havo-leerlingen) een taalkunde-PWS. Verder laten verschillende collega’s Nederlands de presentaties in 4-vwo, 5-vwo, 5-havo houden over taalkundige onderwerpen. Keer op keer merken we dat de leerlingen na enige onwennigheid erg enthousiast worden. Taalkunde toevoegen aan de eindtermen en dus structureel aan onze lessen zal ons vak interessanter maken.

Lees verder >>

Oproep voor de 10e Dag van de Friese taalkunde (25-10-2019)

10e Dag van de Friese taalkunde / 25-10-2019

Bestand:Friese vlag provincie Friesland.svg
Het Taalkundich Wurkferbân van de Fryske Akademy organiseert dit jaar de tiende Dag van de Friese taalkunde. De dag is bedoeld voor iedereen die zich direct of indirect bezig houdt met de taalkunde van het Fries: grammatica, fonetiek/fonologie, naamkunde, lexicologie, sociolinguïstiek, historische taalkunde, kindertaalverwerving, enz. In de lezing kan over wetenschappelijk onderzoek gerapporteerd worden, maar presentaties van onderzoeksplannen, van speculaties of van taaldatabanken zijn ook welkom. Lezingen kunnen gehouden worden in alle talen die tot de West-Germaanse taalfamilie behoren. Lees verder >>

Doctoraatsbursaal Sociolinguïstiek aan de KU Leuven

Binnen de onderzoeksgroepen ‘Quantitative Lexicology and Variational Linguistics’ (QLVL) en ‘Multimodality, Interaction and Discourse’ (MIDI) van de faculteit Letteren zoeken wij (KU Leuven) een voltijdse junior onderzoeker (4 jaar) voor een nieuw onderzoeksproject gesteund door het FWO (Fonds Wetenschappelijk Onderzoek). De titel van het project is: “Eet je bord leeg en poets uw taal op! Variatie tussen standaardtaal en tussentaal in kindgericht taalgebruik aan de Vlaamse eettafel: een mixed-methods approach”.

Meer informatie op de website: https://www.kuleuven.be/personeel/jobsite/jobs/55090533

Taal en efficiëntie

Door Marc van Oostendorp

Dat taal gebruikt wordt voor communicatie, is voor jullie waarschijnlijk geen nieuws. De vraag is dan vervolgens of je dat ook aan die taal merkt, of er zaken zijn in taal die bepaald zijn door het feit dat het een communicatie-instrument is.

Het is het onderwerp van een nieuw overzichtsartikel van een groep onder aanvoering van de Amerikaanse taalkundige en cognitiewetenschapper Ted Gibson. Ze laten in een betrekkelijk kort bestek een groot aantal eigenschappen van taal – niet van een taal, maar van taal in het algemeen de revue passeren die je kunt begrijpen door taal als een efficiënt communicatiesysteem te zien:  het feit dat de frequentste woorden over het algemeen het kortst zijn, bijvoorbeeld (zodat je niet te veel tijd hoeft te besteden aan woorden als mens of ik, terwijl je voor dehydrateren best wat tijd kunt nemen, omdat dit toch minder vaak aan de orde komt), of het feit dat normaliter (in iedere taal) woorden die betrekking hebben op elkaar bij elkaar staan (‘de mooie man dronk warme koffie’ en niet ‘de dronk koffie man mooie warme’).

In deze video legt Gibson het zelf allemaal in kort bestek uit: Lees verder >>

Een zoektocht van ‘zo maar’ naar zingeving in taalvariatie

Door Lauren Fonteyn

Toen ik net aan mijn studies Nederlands en Engels begonnen was, besliste ik dat ik zo’n ‘kom-voor-de-literatuur-blijf-voor-de-taalkunde’ student was, omdat ik blijkbaar heel goed was in woorden en zinnen ontleden. Maar wat ik nog leuker vond dan de vorm van zinnen ontleden, en wat uiteindelijk ook de echte reden is dat ik ben blijven plakken in de taalkunde, is het ontdekken dat die vorm niet ‘zo maar’ zo is, het onderzoeken wat het precies betekent als we de ene vorm gebruiken en niet de andere, en ook, vragen waarom er zoveel verschillende vormen zijn om schijnbaar hetzelfde idee uit te drukken.

Het is dan ook met plezier dat ik af en toe stukken lees zoals dat van Marc van Oostendorp over West-Vlaamse zinnen zonder en met V2, waarin er ook over het waarom achter de vorm gesproken wordt. Zo schrijft hij: Lees verder >>

Ze vonden haar een eindje verderop liggen

Door Henk Wolf

Ze zag [de dode begraven worden].
We horen [de doofstomme beul haar neus breken],
Iedereen hoorde [het hard waaien].
Ik vind [het hier stinken].
Hij voelde [een vuist vlak langs zijn oor suizen].

De bovenstaande zinnen laten zien dat de werkwoorden zien, horen, vinden en voelen als lijdend voorwerp een beknopte bijzin kunnen nemen. Dat zijn de stukjes tussen vierkante haken. Wie iets van de klassieke talen weet, herkent in deze zinnen de infinitivus cum accusativo (of accusativus cum infinitivo).

Je kunt die beknopte bijzinnen steeds met minimaal betekenisverschil vervangen door een gewone bijzin. Dan krijg je: Lees verder >>

Wereldtalen, moeilijke talen, uit elkaar gevallen talen en toontalen

Door Marc van Oostendorp

Nederland heeft een betrekkelijk groot aantal schrijvers over taal, maar er is maar één echte taaljournalist en dat is Gaston Dorren. Zijn nieuwe boek, Babel, is onlangs verschenen in het Engels en wordt nu volgens Dorrens website in 14 talen vertaald.

In april verschijnt de Nederlandse editie, maar ik kon niet wachten, dus ik las de Engelse.

Dorren schrijft, anders dan de meeste andere schrijvers, niet over een taal, maar over talen. Dat deed hij twintig jaar geleden al in zijn boek Nieuwe tongen, over de talen die in Nederland gesproken worden, en later in Taaltoerisme / Lingo, over de talen van Europa. In Babel is nu eindelijk de hele wereld zijn terrein en behandelt hij de twintig grootste talen, van het Vietnamees (83 miljoen sprekers) tot en met het Engels (anderhalf miljard, als we de sprekers als tweede taal meerekenen).  Lees verder >>

DBNL bestaat 20 jaar

In 2019 bestaat de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren twintig jaar. Dit jubileum zal uiteraard niet onopgemerkt voorbijgaan. Gedurende het hele kalenderjaar zullen via verschillende kanalen de schijnwerpers worden gericht op deze digitale schatkamer, die wereldwijd vrij toegankelijk is voor iedereen. Zo komt in de nieuwsbrief maandelijks een bekende DBNL-fan aan het woord, die vertelt over een schat die hij of zij uit de digitale bibliotheek heeft opgediept.

De stichting Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren werd op 6 juli 1999 opgericht door de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. In een tijd waarin het bezit van een computer met internetaansluiting lang niet zo vanzelfsprekend was als nu, bouwde een groep pioniers aan een digitale bibliotheek over de literatuur en cultuurgeschiedenis van het Nederlandse taalgebied. Al snel zag de overheid het belang van zo’n digitale bibliotheek en stelde via de Nederlandse Taalunie financiën beschikbaar voor de verdere ontwikkeling van de collectie. Inmiddels is de DBNL ondergebracht bij de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag en zijn de Taalunie en de Vlaamse Erfgoedbibliotheek als samenwerkingspartners betrokken bij het beleid, de financiering (Taalunie) en de uitvoering in Vlaanderen (Vlaamse Erfgoedbibliotheek).

De DBNL-collectie omvat op dit moment meer dan 15.000 titels en groeit maandelijks met zo’n 20.000 pagina’s. De DBNL wordt jaarlijks ruim vier miljoen keer gevonden door onderzoekers, docenten, studenten en boekenliefhebbers van over de hele wereld.

Meld je hier aan voor de nieuwsbrief.

Taaladvies over als/dan wordt steeds strenger

Door Marten van der Meulen

Ik schreef een tijd terug al eens over de onderdrukking van variatie, wat gezien wordt als een van de theoretische fundamenten onder prescriptivisme. Ik schreef in dat stuk de volgende zin:

Taaladvies over als/dan lijkt dus strenger te worden.

Heel veel meer vertelde ik niet over mijn onderzoek naar als en dan in 20e-eeuws taaladvies. Inmiddels is er echter een paper van mijn hand verschenen in Linguistics in the Netherlands 2018 (eds. Bert Le Bruyn en Janine Berns). Om jullie mee te laten genieten van state of the art-onderzoek hier een kort overzicht van een deel van dit onderzoek. De conclusie blijft staan: taaladvies over als en dan lijkt in gedrukte bronnen strenger te worden.

Lees verder >>

De landelijke kennistoets Nederlands is een rommeltje

Door Henk Wolf

Tien jaar geleden was het theoretisch gezien mogelijk dat een studie Nederlands aan twee verschillende onderwijsinstellingen een heel verschillende inhoud had. Om de studies vergelijkbaarder te maken en om tegelijkertijd een landelijk minimumniveau vast te stellen zijn hbo-docenten uit heel Nederland toen voor een groot aantal hogeschoolstudies een zogenaamde kennisbasis gaan schrijven – een beschrijving van parate kennis waarover elke afstudeerder moest beschikken. Dat gebeurde onder de vleugels van de toenmalige HBO Raad, waaruit de werkgroep 10 voor de leraar is voortgekomen. Dat samenwerkingsverband van docenten ontwerpt nu elk jaar een aantal toetsen om na te gaan of studenten echt over de vereiste minimale kennis beschikken.

Natuurlijk is er op detailniveau altijd kritiek mogelijk, maar de kennisbases en de bijbehorende landelijke kennistoetsen zijn in mijn ogen een goed idee. Alleen moeten de toetsen uiteraard wel doen waar ze voor gemaakt zijn: achterhalen of de kennis uit de kennisbasis aanwezig is. Omdat de docenten die de toetsvragen ontwerpen die pas na uitgebreide peer feedback goedgekeurd krijgen, nam ik aan dat dat wel goed zat. En dat veel studenten klaagden over de toets, dat weet ik aan toetsstress of externe attributie. Dat was onterecht. Ik heb vandaag de oefentoets voor de bachelor Nederlands gemaakt en ik schrok van de kwaliteit van veel vragen. Die waren ongeschikt om na te gaan of studenten over de kennisbasisstof beschikten. Al met al is de oefentoets een rommeltje. Als de vragen daarin uit dezelfde databank komen als die van de echte toets, dan is dat ernstig.

De vragen bestrijken in principe het hele gebied van de neerlandistiek. Omdat ik taalkunde doceer, laat ik alle vragen die gaan over literatuur en taalbeheersing hier links liggen, al doe ik dat wel met de opmerking dat daar ook uitermate beroerde vragen tussen zitten. Vragen die in mijn ogen in orde zijn, bespreek ik ook niet. Ik bespreek hieronder uitsluitend taalkundevragen waaraan iets mankeert. Dat geeft al genoeg stof om een flink artikel te vullen. Ik doe dat in de hoop dat de makers van de landelijke kennisbasistoets Nederlands schrikken en heel snel iets doen aan de kwaliteit van hun toetsen. Lees verder >>

Poleposition

Door Gudrun Reijnierse

Mensen die mij kennen weten dat ik er als autosportliefhebber een sport van maak om in (bijna) elke collegereeks een verwijzing naar de Formule 1 op te nemen. Tijdens de cursus Interculturele Communicatie laat ik bijvoorbeeld het ‘che fai’-gebaar zien dat Max Verstappen na de Gran Prix van Mexico (2016) richting Sebastian Vettel maakte. In niet elke cultuur heeft dat gebaar namelijk (dezelfde) betekenis, en dat kan tot communicatieproblemen leiden. Tijdens de colleges Wetenschapsjournalistiek leg ik graag de link tussen de veronderstelde effect van het drinken van Red Bull energydrink op rijprestaties en de recente overwinning van (inmiddels voormalig) Red Bull Racingcoureur Daniel Ricciardo op het circuit van Monaco – om daarna vooral in te gaan op de aard van die bevindingen in het licht van mogelijke belangenverstrengeling (zie bijvoorbeeld hier en hier). Zo levert autosport me voorbeelden om droge theoretische stof tijdens colleges concreet te maken voor studenten. Lees verder >>

zoeven

Door Michiel de Vaan

zoeven ww. ‘suizen, snorren’

Mogelijk in oorsprong een klanknabootsende vorm *sūf of *sōf, vgl. ook suizen uit klanknabootsend *sūs. De overlevering laat een opvallende verdeling zien: het woord komt eenmaal voor in het Middelnederlands, als gesoef ‘gehuil’ in 1360 (tgesoef van den heere ‘het gehuil van het leger’). Daarna pas weer in de 19e eeuw, als zoeven vanaf 1855 en als zn. zoef ‘deuntje’ in Vlaamse bronnen, vanaf het einde van de 19e eeuw ook bij auteurs van elders. Het tussenwerpsel zoef! vind ik het eerst vanaf 1879 (en zoef daar ging het, den schoorsteen door; François Haverschmidt, Op Reis [ed. dbnl]). Er moet wel bij gezegd worden dat een zoektocht naar oudere attestaties bemoeilijkt wordt door de vele foutlezingen van de OCR die een zoektocht naar ‘zoef’ bijvoorbeeld in www.delpher.nl oplevert.

Lees verder >>

Vijf romans over taal voor de zomer

Door Marten van der Meulen

Een paar dagen geleden schreef Marc van Oostendorp deze enthousiaste post over een nieuwe Italiaanse roman, waarin taal, taalwetenschap en taalwetenschappers een hoofdrol spelen. Ook ik las recent drie waanzinnige boeken waarin taal een belangrijke rol speelde, en met twee werken erbij die ik wat langer geleden las (je moet tenslotte een top vijf maken) krijg je zo volgens mij een mooie set aanraders voor de zomer. Maak je borst maar nat, want in de komende tekst is de hoeveelheid superlatieven aanzienlijk. Ik kan het niet helpen: het zijn allemaal heerlijke boeken. Lees verder >>

Taalkundig onderzoek in de bovenbouw havo

Door Roland de Bonth

Lange tijd is het vak Nederlands op middelbare scholen gedomineerd door literatuur – boeken lezen, gedichten analyseren – en taalvaardigheidonderwijs – lezen, schrijven en samenvatten, voordrachten houden, debatten voeren. Het derde onderdeel van ons vak – taalkunde – is jarenlang stiefmoederlijk behandeld. Wordt er in de onderbouw naast zinsontleding en woordbenoeming doorgaans nog wel enige aandacht geschonken aan taal en taalkundige verschijnselen – dialecten, jongerentaal, spreekwoorden – in de bovenbouw is daar  amper sprake meer van.

Met het verschijnen van Taalkunde voor de tweede fase van het VWO in 2006 van Hans Hulshof, Maaike Rietmeijer en Arie Verhagen kregen docenten Nederlands een instrument in handen om hier verandering in aan te brengen. In het boek werd duidelijk gemaakt dat taalkunde ‘’maatschappelijk en cultureel relevante kennis’’ is. Een van de redenen om dit boek te schrijven was om het vak Nederlands van een imagoprobleem af te laten komen. Leerlingen vonden Nederlands saai en bovendien niet erg uitdagend. De kennis die je nodig hebt om het centraal schriftelijk eindexamen Nederlands te maken, kun je in een paar weken tijd gemakkelijk leren. De uitdaging zit vooral in het toepassen van die kennis op in moeilijkheidsgraad opklimmende teksten. Leer je in de brugklas al wat de hoofdgedachte van een tekst is en hoe je die moet vinden, in het eindexamen is de vraag naar de hoofdgedachte nog altijd vaste prik. Lees verder >>

Dus dat.

Door Maartje Lindhout

De laatste tijd hoor ik het veel, soms zijn de twee woorden omgedraaid, maar meestal niet: dus dat. Het lijkt een soort stopwoordje (of stopwoordjes?) die je te pas en te onpas kunt toevoegen aan je uitspraak. Het liefst aan het eind. Maar waarom zeggen mensen “dus dat” eigenlijk! Betekent het wel iets?

Dus

Het woordje “dus” is een signaalwoord. Het geeft de lezer of luisteraar een signaal. In dit geval is dat: klingel! Er komt een conclusie aan! Een conclusie is eigenlijk de slotsom van alle dingen die je ervoor hebt verteld. Nou, daar komt -ie, hoor! Tromgeroffel… dat!

Dat

De hele conclusie wordt geuit met het kleine, korte woordje “dat”. Maar wat zegt dat nou? Niets toch? Nou ja, niet helemaal. Het woordje “dat” verwijst naar iets anders. Vaak is datgene al genoemd. Even een voorbeeld:

Lees verder >>

18 oktober 2017: installatie nieuwe leden KANTL en uitreiking Prijs voor Taalkunde

De openbare bijeenkomst van de KANTL op 18 oktober 2017 wordt een feestelijke aangelegenheid. Er worden twee nieuwe leden ‘geïnstalleerd’ en er is ook de uitreiking van de vierjaarlijkse prijs voor taalkunde.

Terwijl auteur Annelies Verbeke en letterkundige Marc Van Vaeck op 18 oktober officieel worden ‘geïnstalleerd’ als nieuwe leden van de Academie, ontvangen zowel Eline Zenner (KULeuven) als Anne-Sophie Ghyselen (UGent) de KANTL-prijs voor taalkunde.

Al in 2016 werd bekend dat er dit jaar vier nieuwe leden tot de Academie zouden toetreden. Twee van hen werden nog niet officieel in de KANTL ‘geïnstalleerd’. Op 18 oktober valt die eer tijdens de operbare bijeenkomst van de KANTL te beurt aan Annelies Verbeke en Marc van Vaeck. Lees verder >>

Sneeuw en ijs: snijs

Door Marc van Oostendorp

Het artikel stamt al uit 2016, maar op Facebook hadden we er onlangs ineens een discussie over: een studie naar woorden voor sneeuw en ijs in allerlei talen. Sommige talen, zoals het Nederlands, hebben daar twee verschillende woorden, voor, maar andere hebben er maar één, laten we zeggen snijs, voor alle bevroren water dat uit de hemel komt. Het artikel laat nu zien dat talen in warmere gebieden op de wereld – niet in de allerwarmste, waar het nooit koud is, want daar hebben ze vaak helemaal geen woorden voor sneeuw of ijs, maar in gebieden waar er af en toe iets uit de hemel komt vallen dat het benoemen waard is – vaker het woord snijs hebben.

Nou ja, zou je kunnen zeggen. Het zou raarder zijn als het andersom was. Maar de vraag is hoe we die intuïtie preciezer kunnen maken, wetenschappelijker. Wat verklaart zo’n effect precies? Volgens de auteurs is dat het feit dat er in taal altijd gestreefd wordt naar ‘efficiënte communicatie’. Lees verder >>

Waarom zeggen mensen ‘hun hebben’?

Door Marten van der Meulen

Hun als onderwerp is waarschijnlijk voor veel mensen één van de ergste taalfouten. Het is ook één van de bekendste taalfouten: zo figureert hun in de titels van twee boeken over taalnormen (Hun hebben de taal verkwanseld van Jan Stroop uit 2011, en Hun hebben gelijk van Peter Burger uit 2004). En toch kom je geregeld zinnen tegen als “Hun hebben een heerlijke nacht gehad en uitstekende bedden.” of “Ook al heb ik het moeilijk, ik kan wel anderen steunen, hun doen dat ook bij mij“. In spreektaal is hun zelfs vrij gebruikelijk. Waarom gebruiken mensen hun eigenlijk als onderwerp? Daar zijn verschillende oorzaken voor geopperd.

Efficiëntie

De eerste mogelijke oorzaak is dat mensen op zoek gaan naar efficiëntie in hun taalgebruik. Je ziet die efficiëntie op verschillende manieren terug. Zo spreken mensen langere woorden vaak verkort uit. Luister maar eens: als iemand in een gewoon gesprek zegt ‘Ik kom eigenlijk voor je zus’, dan zal diegene het woord eigenlijk waarschijnlijk uitspreken als eik. Sneller, en dus efficiënter. Een andere manier van efficiënter met taal omgaan is om één woord meerdere functies te geven. Je zou kunnen denken dat je dan begripsproblemen krijgt: hoe weet je nou welke functie wordt bedoeld? Toch gaat dat vaak goed. We hebben zelfs al persoonlijke voornaamwoorden die in de functies onderwerp, lijdend voorwerp en meewerkend voorwerp kunnen voorkomen. En die bovendien als bezittelijk voornaamwoord kunnen worden gebruikt. Kijk maar naar deze zinnen: Lees verder >>

Taalcanon lanceert tweede animatiefilmpje: Hoe sprak de oermens?

Vandaag lanceert het taalcanonteam een animatiefilmpje over de taal van de oermens. Het is het tweede filmpje in een reeks, bedoeld voor het voortgezet onderwijs. De filmpjes geven een korte introductie op een onderwerp uit de taalcanon, en kunnen gebruikt worden als opstapje voor een les over taal in de klas.

Grumpf. Grunt. Burp. Zo praten oermensen in strips en tekenfilms. Dat lijken eerder geluiden van een aap dan van een mens. Maar klopt dat met de werkelijkheid? Hoe klonk de oermens eigenlijk? Deze vraag staat centraal in het tweede filmpje dat de taalcanon lanceert in een reeks filmpjes voor het onderwijs. Tekenaar en animator Frank Landsbergen maakte de filmpjes in opdracht van de taalcanon.

De filmpjes geven een korte introductie (van 3 tot 5 minuten) op een onderwerp uit de taalcanon, zoals kindertaal, de taal van de oermens of het ontstaan van het Nederlands. Deze filmpjes kunnen docenten in de klas laten zien, of als huiswerk meegeven alvorens een onderwerp klassikaal te bespreken. Vervolgens lezen leerlingen de bijbehorende artikelen op de website of gaan docenten aan de slag met een van de lesbrieven op de site. Lees verder >>

Was ik nog maar 17!

Door Marc van Oostendorp

 

Als kind vond ik naslagwerken al het fijnst. Nooit ben ik gelukkiger geweest – nooit, in al die jaren niet, terwijl ik daarin toch af en toe ook heus gelukkig was – dan toen ik zomaar ineens voor mijn verjaardag een driedelige encyclopedie kreeg, helemaal voor mij alleen: al die kennis! Al die afbeeldingen! Allemaal op mijn boekenplank! Maar ook de Bosatlas koesterde ik, en het woordenboek.

Toen ik de Atlas van de Nederlandse taal in handen had, voelde ik me ineens weer kind. Wat werd ik jaloers – nog niet eens op het sterrenteam van auteurs, Mathilde Jansen, Fieke van der Gucht, Nicoline van der Sijs en Johan De Caluwé –  als wel op de mensen die nog niet zo veel van onze taal weten en dit in handen krijgen. Lees verder >>

Batavistik

Von Philipp Krämer

Die Verschwörung der Bataver. (Rembrandt, PD)

Vor einigen Wochen auf der „Germanic Sandwich“-Konferenz in Münster konnte man etwas beobachten, das ich bislang eher aus der Romanistik kannte: Vorträge in verschiedenen Sprachen der Sprachfamilie, und fast alle verstanden einigermaßen, worum es ging. Egal ob der Vortrag auf Deutsch, Englisch oder Niederländisch war. Skandinavische Sprachen waren als Untersuchungsgegenstand vertreten, aber nicht als Vortragssprache – das wäre vielleicht auch schwieriger geworden. In der Romanistik ist man weniger realistisch. Dort wird gelegentlich erwartet, dass man ohne mit der Wimper zu zucken Portugiesisch versteht, wenn man mal Italienisch gelernt hat.

Nun hat die Romanistik auch eine längere Tradition, sich als fachliche Einheit zu verstehen, jedenfalls in der deutschsprachigen akademischen Welt und ein wenig auch in der internationalen Fachgemeinschaft (z.B. bei den Tagungen der Société de Linguistique Romane). Gäbe es einen ähnlichen Zusammenhalt bei der Forschung zu germanischen Sprachen – und der Erfolg des Germanic Sandwich scheint das nahezulegen –, wie sollte dann diese Fachrichtung heißen? Lees verder >>

Dag van de Friese taalkunde 2017

Het Taalkundich Wurkferbân van de Fryske Akademy organiseert dit jaar de negende Dag van de Friese taalkunde. De dag is bedoeld voor iedereen die zich direct of indirect bezig houdt met de taalkunde van het Fries: grammatica, fonetiek/fonologie, naamkunde, lexicologie, sociolinguïstiek, historische taalkunde, kindertaalverwerving, enz. In de lezing kan over wetenschappelijk onderzoek gerapporteerd worden, maar presentaties van onderzoeksplannen, van speculaties of van taaldatabanken zijn ook welkom. Lezingen kunnen gehouden worden in alle talen die tot de West-Germaanse taalfamilie behoren.

Wanneer:       vrijdag 27 oktober 2017
Waar:              Fryske Akademy, Doelestrjitte 8, Leeuwarden

De lezingen duren 30 minuten (20 minuten lezing plus 10 minuten discussie).

Wij roepen iedereen op, zich aan te melden voor een lezing. Stuur – graag zo spoedig mogelijk, maar voor 1 augustus – een abstract van een halve A4 met naam en adres naar Eric Hoekstra (secretaris van het Wurkferbân): ehoekstra@fryske-akademy.nl