Tag: taalgeschiedenis

Wereldgeschiedenis is de geschiedenis van metaforen

Door Marc van Oostendorp

Als de Amerikanen Sapir en Whorf gelijk hadden, zou er een goede wereldgeschiedenis te schrijven zijn aan de hand van de taalgeschiedenis. Volgens de zogeheten Sapir-Whorf-hypothese bepaalt de taal het denken. En als we aannemen dat de manier waarop de mensen denken de loop van de geschiedenis bepaalt, zijn taalveranderingen dus belangrijk bij het begrijpen van de veranderingen in de wereld.

De Amerikaanse schrijver Jeremy Lent heeft geprobeerd precies zo’n boek te schrijven: een dat de grote lijnen van de wereldgeschiedenis beschrijft in termen van veranderingen in de taal.

Zijn voornaamste uitgangspunt daarbij is de tak van de taalkunde die de laatste decennia sowieso de sterkste invloed heeft gehad in andere geesteswetenschappen: de cognitieve taalwetenschap, met name de theorieën over  het belang van metaforen voor het denken van George Lakoff (Lucas schreef er onlangs over op Neerlandistiek; en gisteren had De Correspondent er een aardig overzichtsartikel over).

Volgens die theorie kan de mens over abstracte dingen alleen in beeldspraak denken. We hebben misschien ons lichaam dat we kunnen voelen en waarover we rechtstreeks denken, net als over sommige zaken die we min of meer rechtstreeks waarnemen. Maar alles dat een beetje complexer is dan dat, kunnen we alleen begrijpen in metaforische termen.

Lakoff en zijn medewerkers hebben laten zien dat (cultureel bepaalde) metaforen ons hele denken doordesemen. In veel culturen staat boven bijvoorbeeld voor goed en beneden voor slecht (hij zit in de put, het gaat bergafwaarts). Uiteindelijk zijn misschien wel alle categorieën waarin we denken te zien als metaforen en bouwen we uiteindelijk weer nieuwe metaforen bovenop oude.  Lees verder >>

Pas verschenen: Die storie van Afrikaans (deel 1)

Door Wannie Carstens

Daar het sedert 2000 ʼn opvallende oplewing gekom in studies oor die geskiedenis van Afrikaans. Van hierdie publikasies was gefokus op die toekoms van Afrikaans eerder as die verlede, maar dit het nietemin aangedui mense wil meer weet as die gewone storie. Boeke soos Giliomee & Schlemmer (reds.) se KruispadDie toekoms van Afrikaans as openbare taal (2001), F.I.J. van Rensburg (red.) se Afrikaans, lewende taal van miljoene (2004), Giliomee & Schlemmer se ʼn Vaste plek vir Afrikaans. Taaluitdagings op kampus (2006), Christo van Rensburg se So kry ons Afrikaans (2012), Hein Grebe se Op die keper beskou. Oor die ontstaan van Afrikaans (2012) en ook Jaap Steyn se bekroonde ‘Ons gaan ʼn taal maak’: Afrikaans sedert die Patriot-jare (2014) is tekenend hiervan en dui ook op ʼn lewendige belangstelling in die herkoms én toekoms van Afrikaans. Dit is ook goed so dat die Afrikaanse gemeenskap belang stel in hulle taal.

Die bogenoemde boeke betrek wel slegs besondere aspekte van die studie van Afrikaans – die toekoms, die invloed van die Khoi op die ontwikkeling van Afrikaans, die tydperk 1870-2010, teorieë oor die herkoms van Afrikaans, en so meer.  Lees verder >>

Een Duits-Nederlands feestbundelfeestje

Door Miet Ooms

SONY DSC
SONY DSC

Op 29 juni 2016 kreeg Luk Draye tijdens een mini-symposium de feestbundel overhandigd die was samengesteld naar aanleiding van zijn emeritaat vorig jaar. De bundel kreeg de titel Sprache in Raum und Geschichte, System und Kultur. Festschrift für Luk Draye. Ze vormt tevens de nummers 99 en 100 van het tijdschrift Leuvense Bijdragen, waarvan de gevierde al sinds 1995  redactiesecretaris is.

Hoewel Draye zelf, naast zijn uitgebreide administratieve functies als departementsvoorzitter en decaan, vooral actief was als professor Duitse taalkunde, is zijn invloed op de neerlandistiek niet te onderschatten. Lees verder >>

Als vlugge sylph in ’t stralend zonlicht zweven

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (73)
Het Nederlandse sonnet bestaat 451 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

160508184400146k
Illustratie: Susanne van der Kleij

Jan Jacob Lodewijk ten Kate heeft lang een fascinatie gehad voor een sonnet. In de tijd waarin hij leefde was het allesbehalve een populair genre en de afgelopen weken besprak ik sonnetten uit de jaren veertig waarin hij de vorm bespotte. Maar hij had ook genuanceerdere ideeën; uit dezelfde tijd stamt namelijk ook nog dit bijna Perkiaans gedicht:

Op luchte wiek nauw merkbaar opgeheven,
Rondfladderend langs ’t geurend bloemenbed,
Zien wij u meest, o dartelend Sonnet!
Als vlugge sylph in ’t stralend zonlicht zweven.
Maar schoon u dan de lachjens meest omgeven,
Toch volgt ook vaak de mijmerende Ernst uw tred,
Die ’t myrthegroen u van de lokken zet,
En in uw oog een stillen traan doét beven.

O ja, uw stem, uw zoete fluistertaal,
Verkwikt, vertroost, verrukt ons menigmaal,
Als wij vergeefs uw schooner Zusters wachten ! ….
Zóo laaft, wanneer de lenteregen faalt,
De malsche dauw, bij drupplen neêrgedaald,
De rozenknop, van hitte en dorst aan ’t smachten.

Lees verder >>

Fast auß dem Holländischen

Door Marc van Oostendorp

Dat wij hier vanuit Leiden en Amsterdam een weblog maken in het Nederlands en niet in het Duits, dat had je tweeduizend jaar geleden toch ook niet kunnen zien aankomen. Er was in die tijd weinig reden om aan te nemen dat wij zouden vinden dat we een andere taal spreken dan de Dusseldorpers, terwijl de laatsten op hun beurt dan wél weer dezelfde taal spreken als de mensen in München en Berlijn. Er werden overal in onze contreien allerlei – overwegend – Germaanse dialecten gesproken, die op allerlei manieren door elkaar liepen. En pas in de afgelopen pakweg vijfhonderd jaar zijn wij een andere taal.

Onder meer dat verhaal wordt verteld in Jelle Stegemans Handbuch Niederländisch. Sprache und Sprachkultur von den Anfängen bis 1800. Het is een boek dat vermoedelijk geschreven is met Duitse studenten in het achterhoofd, al valt het denk ik ook goed te lezen door wat wel ‘de geïnteresseerde leek’ genoemd wordt – degene die misschien geen officiële taalkundige training ambieert, maar bereid is om iets te leren.

Lees verder >>

Call for Papers: The Effects of Prescriptivism in Language History

Leiden University Centre for Linguistics
21-22 January 2016

Invited speakers
Lieselotte Anderwald (Kiel)
Stephan Elspaß (Salzburg)
Shana Poplack (Ottawa)
Ingrid Tieken-Boon van Ostade (Leiden)
Rik Vosters (Brussels)

Language norms and prescriptivism play an important role in many histories of European languages. Standardization is often the central topic in chapters about the post-medieval period. But what were the effects of norms and prescriptions on variation and change in actual language use? With the advent of historical sociolinguistics and the compilation of large corpora of usage data we can reassess the importance of norms and prescriptions, and gain a deeper understanding of their relation to usage patterns.

Lees verder >>

Frühkost und Entbiss

Tropisches Frühstück. (J. Wilkins, CC-BY-SA 3.0)

In den letzten Tagen saß ich einen Artikel über Neg… über Cariolisch zu schreiben. In der Forschung ist längst etabliert, dass diese niederländisch-basierte Kreolsprache nur sehr, sehr wenige dänische Elemente in ihren Wortschatz aufgenommen hat, obwohl sie in einer praktisch durchgehend dänisch verwalteten Kolonie gesprochen wurde.

Eines der wenigen Beispiele für ein auf den ersten Blick dänisches Wort findet man in einem kleinen Artikel des Dänen Erik Pontoppidan aus dem Jahr 1887. In dem Text heißt es:

Wat ju sal jeet fo frukost van dag?
(Was wirst du heute zum Frühstück essen?)

Lees verder >>

Hoe zeggen we ‘suiker’?

door Jan Stroop
(Dit is de uitwerking van de presentatie die ik op 15 december 2013 te Roosendaal gehouden heb, in ’t kader van de expositie ‘Suikergoed’.)

Van ’t woord suiker bestaan in de  Nederlandse dialecten minstens negen verschillende uitspraken:  suiker, suker, sökker, soiker, seuker, soeker, soker, sokker en sukker. En ze gaan allemaal terug op één oervorm.

De herkomst van ’t woord suiker is bekend. De oudste vorm is sakkharâ. Dat woord is uit India, waar ’t eerst riet verbouwd werd dat suiker opleverde. Vanuit India zijn de rietsuikercultuur en de benaming voor ‘suiker’ overgenomen door andere gebieden in ’t Midden-Oosten. Rond 600 leerden de Perzen die techniek van suiker winnen; de benaming kreeg een Perzische gedaante: šakar. Daarna maakten de Arabieren er kennis mee. Zij verbreidden de kunst van het telen van suikerriet naar Egypte, in de 8e eeuw naar Andalusië en vervolgens naar Sicilië.

In ’t Arabisch heette suiker eerst sukkar, dat later sugarwerd. In ’t Siciliaans werd dat zúccaru, dat als zucchero in ’t Italiaans terecht kwam. ’t Frans heeft zijn benaming aan het Italiaans ontleend, waarbij de Italiaanse oe-uitspraak volgens een algemene Franse klanktendens een uu werd: sucre. Aan dat Frans heeft ’t Nederlands zijn naam ontleend: suker. De verspreiding van de suiker en zijn naam is dus via de Middellandse zee gegaan, ’t werk van Arabieren. Later namen handelsreizigers uit Venetië en Genua de verbreiding van hen over.

De oudste attestatie in de Nederlanden is van 1253: gespeld suker. Volgens deskundigen betekent dat dat onze contreien pas rond die tijd de suiker hebben leren kennen. Daarvoor gebruikte men vooral honing om ’t eten zoet te maken. Vanaf de dertiende eeuw nam de handel van West-Europa met ’t Oosten toe en daarmee ook de import van suiker. Opmerkelijk is dat Jacob van Maerlant (ca. 1235 – ca. 1300) al wist waar en hoe suiker gewonnen werd, bijvoorbeeld in de buurt van Tripoli (Libië):  Buten sloughen si haer ghetelt ende vonden sukers vele ant velt  (Spiegel Historiael IV,3, 19, 59): ‘buiten [de stad] sloegen ze hun kamp op en ze vonden veel rietsuiker(s) op ’t land.’

Omdat ’t Nederlands ’t woord suker ontleend heeft voordat ’t diftongeringsproces ontstond, kon de klinker van suker daaraan meedoen en die werdeen ui, zoals dat met alle uu’s gebeurde, dat wil zeggen in de gebieden waar die diftongering begon dan wel overgenomen werd. Op dit gekleurde kaartje van G.G. Kloeke, dat de situatie in 1927, weergeeft is dat ’t witte gebied *). Dat is dus ’t gebied waar huis, uit, bruin, muis, enzovoorts, gezegd wordt.

Op ’t andere kaartje toon ik verspreiding van de uitspraakvarianten van ’t woord suiker. Daarvoor heb ik ’t materiaal gebruikt van vragenlijst 22 (1952) van ’t Meertens Instituut en van de Woordenboeken van de Brabantse en Limburgse dialecten. Jacques van Keymeulen heeft me geïnformeerd over Vlaanderen.

(kaartje, getekend met programma CARTO van Jan van Bakel; om te vergroten: klik)

De antwoorden suiker en enkele (diftongische) varianten die daar weer uit ontstaan zijn, bijvoorbeeld soiker, heb ik weergegeven met horizontale streepjes. Monoftongische varianten die uit suikerontstaan zijn, sökker en seuker, kregen een horizontaal  ‘hamertje’.

De oorspronkelijke uitspraak suker is in gebruik in de plaatsen die ik met ’n stip aangegeven heb. Het gebied met de stippen op mijn kaartje komt grotendeels overeen met ’t rode gebied op ’t Kloeke-kaartje. Maar er zijn interessante verschillen.

Zo’n verschil is te zien in een aantal plaatsen in West-Brabant, Bergen op Zoom en een aantal plaatsen eromheen. Daar is de uitspraak suker, terwijl daar in alle andere gevallen (huis, uit, bruin, muis, enzovoorts) een uigesproken wordt. Die ui-uitspraak heeft ’t West-Brabants in de loop van de  16e en 17e eeuw overgenomen uit Antwerpen. Er zijn een paar gevallen van ui-woorden waarin die ui-spraak niet overgenomen is. Ruken  bijv. Dat dit woord  in West-Brabant zijn uu behouden heeft en er geen diftong voor in de plaats gekregen heeft, komt doordat ruken in deze vorm in Antwerpen niet voorkomt.  Het woord luidt daar rieken. De gediftongeerde uitspraak van ruken, te weten ruiken bestond en bestaat niet in ’t Antwerps en kon dus door het West-Brabants niet overgenomen worden.  ’t Bleef daar dus ruken.

Maar suiker is een ander geval, want ’t Antwerps heeft wel degelijk de gediftongeerde vorm suiker. Toch komt die vorm in dat gebied rond Bergen op Zoom nu juist niet voor. Of misschien beter, komt niet meer voor, want ’t is meer dan waarschijnlijk dat men ook daar ooit suikergezegd heeft. In Bergen op Zoom en omgeving is de diftongering vanuit Antwerpen immers in alle gevallen overgenomen, dus waarom zou dat niet bij suiker gebeurd zijn. Ik kan niets bedenken.

Maar hoe komen Bergen op Zoom en zijn omgeving dan aan die uitspraak suker? Ik vermoed dat dat verband houdt met een economische ontwikkeling van ongeveer twee eeuwen geleden. Tot dan was suiker ’t product van suikerriet. Die moest geïmporteerd worden. Dat kon niet meer sinds Napoleon in 1806 het Continentaal Stelsel ingevoerd had, waardoor het Europese vasteland werd afgesloten voor handel met Engeland, zodat er ook geen suiker ingevoerd kon worden. Napoleon begreep dat er een alternatief nodig was, want ook toen kon men al niet buiten suiker, en hij verplichtte de boeren om suikerbieten te telen. Dat die bieten suiker bevatten was omstreeks 1750 al ontdekt. Na de val van Napoleon nam de rietsuiker overigens meteen weer zijn oude plaats in en was het gedaan met de suikerbietenbouw. Tot omstreeks 1860. Toen begon de teelt van suikerbieten goed op gang te komen, ook al omdat de suikerbiet door veredeling als producent van suiker rendabel geworden was.

De suikerbiet gedijt niet op alle soorten grond. De klei is daar bij uitstek wel geschikt voor. Vandaar dat er in Zeeland op grote schaal suikerbieten geteeld werden en nog steeds. Voor de verwerking van de suikerbiet werden grote aantallen suikerfabrieken opgericht, maar vreemd genoeg maar twee in heel in Zeeland. De Zeeuwse suikerbieten werden voornamelijk en op grote schaal getransporteerd naar West-Brabant. Daar stonden in het begin van de 20e eeuw meer dan twintig suikerfabrieken, o.a. in Dinteloord, Roosendaal en Bergen op Zoom, die allemaal hun sukerpeejenuit Zeeland kregen. Niet voor niets was er een fabriek in Bergen op Zoom die ‘De Zeeland’ heette.

Deze uitzonderlijke relatie bracht mij op de uitzonderlijke gedachte dat de Zeeuwen tegelijk met hun suikerbieten ook de benaming sukerpeejen naar West-Brabant hebben overgebracht. En van dat sukerpeej werd dan weer suker gemaakt. Dat is zo klaar als een klontje.

Er zijn nog meer opmerkelijke uitspraakvormen van suiker. Zo zeggen de Friezen soeker. Dat lijkt op ’t eerste gezicht normaal, want ’t Fries en de Friese dialecten hebben voor de Nederlandse ui altijd een oe: hoes, moes. Zie ’t blauwe (-groene?) gebied op ’t kaartje. Maar dat laat tegelijk zien dat dat niet overal ’t geval is. In Gaasterland (in ’t zuid-westen van Friesland) bijvoorbeeld is de oe altijd uu geworden: huus, tuun en dergelijke. Behalve in soeker. Aan de uitspraakvarianten van suiker die we tot nu toe bekeken hebben, ligt ’t Franse sucre met een uu ten grondslag. Nu kan er veel in een taal, k’s worden h’s, ie’s worden ei’s,  maar een uudie oe wordt, dat bestaat niet. Dus moet er iets anders aan de hand zijn.

Ook in het oostelijk deel van ons taalgebied komen uitspraakvormen voor die niet teruggaan op ’t Franse sucre. Het zijn soker, sokker en sukker, die ik op mijn kaartje weergegeven heb met een vierkantje. Ze komen voor in een strook die loopt van Oost-Groningen naar Zuid-Limburg. In Zuid-Limburg komen we ook de vorm soeker weer tegen, alsook de variant tsoeker. Dat brengt ons gemakkelijk op ’t goede spoor: al die oostelijke vormen zijn ontleningen uit ’t Duits, van de vorm Zucker, fonetisch genoteerd: [tsukәr]. ’t Duits heeft die vorm uit ’t Italiaans, dat de oorspronkelijke oe [u] bewaard heeft.  De kaart laat zien dat wij de suiker en zijn benaming dus langs twee trajecten ontvangen hebben, een Frans en een Duits.

Dat er in Groningen, Drente, Twente en de Achterhoek, net als in Limburg uit dat soeker varianten als sokker en sukker ontstaan zijn, is niet vreemd, want deze klinkerverandering komt daar meer voor. Dat soeker in ’t aan de periferie gelegen Friesland bewaard is, is niet vreemd. Maar wel vreemd is dat in die oostelijke gebieden tussen sukker en sokker, de vierkantjes,ook sukers, stippen, opduiken. Nog merkwaardiger is dat die sukers daar van recente datum zijn. Dat blijkt uit opmerkingen op enkele enquêteformulieren als: tegenwoordig (1952) zeggen we suker, maar vroeger was ’t sukker of sokker.

Nu is ’t een feit dat dialecten volop veranderen en voortdurend vormen uit ’t ABN nemen ter vervanging van een dialectwoord, maar dat dialecten in de 20e eeuw ’t ene dialectwoord vervangen door een ander dialectwoord is toch zeldzaam, misschien zelfs uniek. Dat vervangen is niet alleen gebeurd in plaatsen waarvoor dat expliciet gemeld is, maar blijkens ’t kaartje in alle plaatsen op het kaartje waar suker-vormen verschijnen in een gebied waar men oorspronkelijk alleen sukker of sokker zei. Niet zonder belang is dat er een sokker-sukker-gebied ligt tussen ’t grote centrale suker-gebied en de suker-gevallen in Oost-Groningen en Drente, waardoor een ontlening in taalgeografische zin, gewoon over grondgebied, niet waarschijnlijk is.

Er zou voor ’t opmerkelijke verschijnen van suker in dat Noord-Oosten een externe oorzaak kunnen zijn. Een nieuw soort suiker? Nooit van gehoord. Een campagne van een dialectvereniging om suker te promoten: haalt nooit iets uit. De enige verandering in verband met suiker die ik in dit gebied kan ontdekken is een heel andere, een landbouwkundige.

Tot voor 1900 werden er in Groningen weinig suikerbieten verbouwd. Dat veranderde in ’t begin van de 20e eeuw. Door de komst van de meststof chilisalpeter steeg de opbrengst van de suikerbietenteelt enorm. Gevolg was dat er een suikerfabriek moest komen. Om de plannen uit te voeren werd J.J. van Doormaal aangetrokken, die voordien directeur was van de suikerfabriek van Standaardbuiten (West-Brabant).  In 1914 was de fabriek gereed.

“Toen de  eerste campagne van start ging draaide ‘de Friesch-Groningsche’ voor een belangrijk deel met Brabantse ‘gastarbeiders’. Directeur, J.J. van Doormaal had namelijk van zijn vorige fabriek personeel meegenomen. Een deel van hen werkte alleen in de campagne. Maar ook veel vaste banen werden bezet door de Brabanders. De groep, die zich verspreid over de stad vestigde, bestond inclusief gezinsleden uit ruim boven de honderd personen…   ” (Het verhaal van Groningen) . Bij ’t 40-jarig jubileum, in 1954, was meer dan de helft van de jubilarissen afkomstig uit Noord-Brabant.

Maar let wel, als hier over ‘Brabanders’ gesproken wordt dan worden daar West-Brabanders mee bedoeld, suker-zeggers dus. Ik vraag me nu voorzichtig af of we hier misschien te maken hebben met een bescheiden West-Brabantse expansie, die zich weerspiegelt in ’t dialect? Dus zo: de inheemse bevolking zegt sokker, dus ook de boeren. Maar die brengen hun suikerbieten naar de fabriek, waar ze de leidinggevenden uit West-Brabant suker horen zeggen en dat nemen ze vervolgens over. Zou ’t toeval zijn dat die suker-vormen juist voorkomen in ’t gedeelte van Groningen en Drente waar de suikerbiet geteeld wordt?

’t Is te mooi om waar te zijn en er is een belangrijk obstakel, de sukers in Twente en de Achterhoek. Daar wordt geen suikerbiet verbouwd en daar heb ik voor ’t recente verschijnen van suker geen verklaring, dus staat ook mijn expansieconstructie op losse schroeven.

Waardevolle opmerkingen kreeg ik van Henk Bloemhoff en Michiel de Vaan.

Zie ook:
Michiel de Vaan, ‘Suiker’ in de Limburgse dialecten en de ontwikkeling van Wgm. *u in gesloten syllabe’

*)  Dit kaartje ‘huis’ is uit G.G. Kloeke, Herkomst en groei van het Afrikaans, Leiden 1950. ’t Is een vereenvoudigde weergave van de beroemde Huis-Muis-kaart uit  zijn De Hollandsche expansie in de zestiende en zeventiende eeuw en haar weerspiegeling in de hedendaagsche Nederlandsche dialecten, ‘s-Gravenhage 1927.

18 maart, Rotterdam: Het einde van het Nederlands

Het onderwijs en het bedrijfsleven luiden – gesteund door taalliefhebbers – de noodklok: de Nederlandse taal verloedert. Jongeren lezen geen boeken meer en sollicitanten krijgen geen zin meer fatsoenlijk op papier. Althans, zo luidt de klacht. Maar waarom is dat eigenlijk erg?

Hoogleraar Joop van der Horst schreef Het einde van de standaardtaal, waarin hij de ontwikkeling van de taal beschrijft vanaf de Middeleeuwen tot de sms-taal op mobiele telefoons. Volgens Van der Horst is er geen sprake van een verloedering van het Nederlands, maar verdwijnt het standaard Nederlands om plaats te maken voor verschillende talen. Dit is een ontwikkeling die al lang aan de gang is maar pas vanaf de jaren zeventig van de vorige eeuw aan de oppervlakte is gekomen. Wat heeft dat voor gevolgen? Moet het ABN overboord? Spreken we over vijftig jaar allemaal straattaal? En in hoeverre is taal een machtsmiddel dat bepaalde groepen buitensluit van het onderwijs of de arbeidsmarkt?

Joop van der Horst is hoogleraar Nederlandse Taalkunde aan de Universiteit van Leuven. Hij schreef een lange reeks boeken en artikelen over de geschiedenis van de taal en was jarenlang medewerker aan het radioprogramma Wat is Taal.

woensdag 18 maart 20:00 – 22:00
meer informatie / vooraanmelding: Arminius, Rotterdam

Het Denkcafé is maandelijkse samenwerking van Arminius en SG Erasmus. Het Denkcafé is ook thuis via de livestream te volgen op de homepage.

Ik had het verstand zo grof

Een geschiedenis van het Nederlands aan de hand van 196 sonnetten (4)

Door Marc van Oostendorp


Laten we eerlijk zijn: zestiende-eeuwers schreven soms behoorlijke onzin in hun sonnetten. De Vlaamse dichter en politicus August Vermeylen mag dan hebben gevonden dat het volgende gedicht van Jan van der Noot een bewijs was “hoe dat persoonlijk leven reeds bepaald genoeg was om een sonnet tot een volkomen geheel te maken, het gans te dragen, bijna zonder stoplappen“, maar mij lijkt het vooral te getuigen van gebrek aan de meest elementaire mensenkennis. En kom me niet aanzetten met dat Van der Noot en Vermeylen in zo’n andere tijd leefden! Ze hadden beter moeten weten en daarmee uit:
Lees verder >>

Hoezo de liefde?

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (2)

Het eerste Nederlandse sonnet bestaat dit jaar 450 jaar. Hoe is het de taal sindsdien vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Toegegeven, als het bij het allereerste sonnet was gebleven, was er weinig vreugde in de moderne tijd geweest. Maar Lucas de Heere was gelukkig niet de enige dichter die rond het midden van de zestiende eeuw sonnetten begon te schrijven. Beroemd werd vooral zijn kennis Jan van der Noot (1539-1595).
Het is wonderlijk hoe zo snel meesters in een genre opstaan. De mooiste films werden aan het begin van de twintigste eeuw gemaakt, de mooiste tv-programma’s in de jaren zestig, de mooiste computerspellen ooit worden ongetwijfeld nu gemaakt. En zo kon Van der Noot zonder Nederlandse voorbeelden – zij het met veel dank aan Franse en Italiaanse dichters – ineens het Nederlands gebruiken om dingen te schrijven als:
Lees verder >>

450 jaar naarvolging

Een geschiedenis van het Nederlands aan de hand van 196 sonnetten (1)

Door Marc van Oostendorp


Het Nederlandse sonnet viert dit jaar zijn 450e verjaardag! Het is daarmee ongeveer even oud als de taal zelf. Althans, wanneer we met het Nederlands de moderne standaardtaal bedoelen, kunnen we het begin ergens in het midden van de zestiende eeuw plaatsen. Dat was ook de tijd dat Nederlandse dichters sonnetten begonnen te schrijven. Dit jaar precies 450 jaar geleden verschenen de eerste.

Neder-L publiceert de komende jaren een geschiedenis van het Nederlands aan de hand van 196 sonnetten uit de afgelopen viereneenhalve eeuw. Nieuwe afleveringen zullen vrijwel iedere zaterdag verschijnen gedurende de komende vier jaar. Ik denk niet dat ik heel erg systematisch te werk ga, en ook niet per se strikt chronologisch. Ik houd me het recht voor om uitstapjes naar voor en achter in de tijd te maken.
Lees verder >>

Vroeger spraken wij Latijn voor in de mond

Door Marc van Oostendorp

In de vroege middeleeuwen moet een grote groep mensen in het westen van ons taalgebied een (verbasterde) vorm van Latijn hebben gesproken. Dat beweert in ieder geval de Utrechtse hoogleraar Peter Schrijver in een nieuw boek. Pas toen daar in de loop van de tijd de stam van de Franken steeds machtiger werd, schakelden die mensen over op de taal van de machthebbers – en legden zo, omdat de westelijke dialecten heel belangrijk werden, de basis van het Nederlands. Met enige overdrijving kun je dus zeggen: het Nederlands is Germaans in Latijnse mond.

Schrijvers argumentatie is gebaseerd op een nauwkeurige vergelijking van de Nederlandse dialecten en hun Waalse tegenhangers net over de taalgrens. Die lijken volgens Schrijver meer op elkaar dan toevallig kan zijn. De talen moeten elkaar over en weer beïnvloed hebben – en dat diepgaander dan dat men aan weerszijden van de taalgrens eens wat van elkaar heeft overgenomen. De aanwijzingen zijn dat mensen hier vanuit hun Romaanse moedertaal dingen hebben meegenomen naar het Nederlands dialecten.

Een belangrijke stap in de argumentatie spelen woorden als step, zeug en vul.
Lees verder >>

Wat er rond 1864 verdween

Door Marc van Oostendorp

Zodadelijk vertrek ik naar Antwerpen, waar vanmiddag de conferentie Woorden in beweging plaatsvindt, ter gelegenheid van het feit dat Van Dale 150 jaar bestaat.

Die eerste Van Dale werd samengesteld door Calisch en Calisch in 1864. Dat waren roerige tijden voor de Nederlandse taal: vooraanstaande wetenschappers en schrijvers begonnen haar ineens op een heel andere manier te behandelen en te beschouwen. Zelf schreven de samenstellers dat de taal “niet ten onregte bij een gebouw [wordt] vergeleken, waaraan het volk sedert zijne wording arbeidt”, maar dat begon in die tijd net een achterhaalde opinie te worden.
Lees verder >>

Een laatste restje ‘sch’

Door Marc van Oostendorp

Sommige taalkundigen beweren wel dat ze zich niet met spelling bezighouden, maar een collega van me had de afgelopen week wel degelijk ruzie gehad met zijn vrouw over de juiste schrijfwijze van het woord ‘Chinezen’. Zij wilde het zo, maar hij beweerde bij hoog en laag dat het ‘Chinese’ moest zijn. Tot ze erachter kwamen dat zij het zelfstandig en hij het bijvoeglijk naamwoord bedoelde.

Hij kwam zijn echtelijke sores met me delen, en we praatten er nog even over door. Het geldt voor meer woordparen: je hebt ook Friese Friezen en Balinese Balinezen. Het is bovendien natuurlijk niet strikt genomen een spellingkwestie, of in ieder geval niet alléén maar, want sommige sprekers maken ook verschil in uitspraak tussen de [s] en de [z].

Ik dacht dat ik een leuke regel had gevonden, een lekker ingewikkelde, maar die ging niet op.

Lees verder >>

De opmars der genitieven

Door Marc van Oostendorp


Een dik en groen boek over de genetivus in het Nederlands en het Duits – ja, ik weet wel waarop ik mij een zaterdagmiddag trakteer, terwijl ik net doe alsof het helemaal niet heel guur is op een terras.

De ‘tweede naamval’ heeft in het Nederlands een vreemde geschiedenis gehad. Net als andere naamvallen begon hij in de veertiende eeuw of daaromtrent langzaamaan weg te slijten, zoals dat bijvoorbeeld ook in het Engels en de Scandinavische talen gebeurde. Maar anders dan in die andere talen, gebeurde er iets waardoor we nu nog steeds met de iPod der iPods zitten opgescheept.
Lees verder >>

De doorbraak van niks

Door Marc van Oostendorp


Ik schrok even op toen ik vanochtend het nieuwe nummer van Nederlandse Taalkunde las. Temidden van een interessante discussie over de vraag of zullen nu wel of niet een hulpwerkwoord van toekomstige tijd is, schrijft Ronny Boogaart ineens plompverloren:

Maar V&B; doen iets anders. Voor hen heeft de toekomstlezing van zinnen met zullen helemaal niks met de betekenis van zullen te maken.

Ik schrok daar ondanks mezelf even van, en dacht terug aan de middelbare school. Daar ben ik een keer door een leraar toegesproken omdat ik in de schoolkrant niks geschreven had. Foei! En nog geen vijfendertig jaar later schrijft een zeergeleerde neerlandicus, die niet veel jonger is dan ik, het zomaar in een geleerde discussie: de alinea waar dit uitkomt bevat verder woorden als modaal, temporeel, lokaliseren en oppositie.

Lees verder >>

Zuiver Fries heeft nooit bestaan

(Net zo min als zuiver Nederlands)

Door Marc van Oostendorp

De geschiedenis van het Fries begint met het Latijn. Dat was in ieder geval de eerste geschreven taal waarvan we weten dat hij in onze streken gebruikt werd. Daarnaast werden er pakweg tweeduizend jaar geleden in onze streken ook allerlei Germaanse dialecten gesproken, waar we weinig vanaf weten, maar die mogelijk nog niet zoveel van elkaar verschilden als later het geval was. En die bovendien allerlei woorden aan het Latijn ontleenden, zoals het Friese finster (venster) en kers van het Latijnse fenestra en ceresia.

De recente geschiedenis van het Fries is er een van kompjûter, update en trener – van uit het Engels geleende leenwoorden, en van toenadering van het Nederlands, die tegelijk eigenlijk ook al zo’n beetje van alle tijden is.
Lees verder >>

Pas verschenen: Joop van der Horst, Taal op drift.

Joop van der Horst, Taalopdrift;lange-termijnontwikkelingenintaalensamenleving, uitg. Meulenhoff Amsterdam, 542 blzz.; ISBN 978-90-290-8886-2. (ook verkrijgbaar als e-boek).
Meer dan honderd jaar geleden werd al vastgesteld dat een aantal Europese talen lange-termijnontwikkelingen te zien geven. Edward Sapir, en eigenlijk ook al Otto Jespersen, hebben al gewezen op verlies van naamvallen, verlies van werkwoordelijke flexie en een toenemend belang van woordvolgorde. Na hen worden vaak ook andere verschijnselen tot Sapirs driftgerekend, zoals de opkomst van lidwoorden, een sterke uitbreiding van het gebruik van voorzetsels en grammaticalisatie van hulpwerkwoorden.
Taalopdriftknoopt aan bij deze vaststellingen. Maar in het boek wordt meteen ook geconstateerd dat deze ontwikkelingen de jongste eeuwen vaart lijken te verliezen of zelfs helemaal uitgewerkt zijn.
Lees verder >>

Een taal die nooit geboren is en nooit sterft

Engelstalige ‘biografie’ van het Nederlands

Door Marc van Oostendorp

Weinig talen zijn beter in het Engels beschreven dan het Nederlands. Je kunt enorm veel gedetailleerd te weten komen over onze taal, zonder haar ooit te leren. Er verschenen de afgelopen vijftien jaar boeken over de klankleer, de vormleer en de zinsbouw, en online wordt gewerkt aan een grootschalig taalportaal waarin al die onderwerpen nog veel uitvoeriger aan de orde komen.
Nu is er ook een boek over de (externe) taalgeschiedenis van het Nederlands: Dutch. Biography of a language, geschreven door de vooraanstaande Vlaamse sociolinguïst Roland Willemyns.
Het woord biografie suggereert een geboorte en een dood. 

Lees verder >>

Een andere naam voor (zuidelijk) Nederlands?

Begin dit jaar riep Anne Provoost in Taalschrift op voor een andere naam voor het Nederlands, en zeker het Nederlands in België (http://taalschrift.org/editie/94/gezocht-andere-naam-voor-nederlands). Haar voornaamste reden: zij, als Belgische/Vlaamse, wordt in het buitenland als Nederlands auteur aanzien en omschreven, omdat ze in het ‘Nederlands’ schrijft. Daar lijkt in eerste instantie veel voor te zeggen, maar er zitten toch wat haken en ogen aan.
Lees verder >>

Pas verschenen: Hoorcollege over het Nederlands

Bij uitgeverij Home Academy verscheen deze week voor het eerst een cd-box over taal: 4cd’s met een college van Marc van Oostendorp over het Nederlands.

Behalve de standaardtaal worden er in Nederland nog duizenden andere soorten Nederlands gesproken: de oude dialecten, de nieuwe straattaal, chat-taal en veel meer. Hoe komt het dat onze taal voortdurend aan het veranderen is? Is het niet onhandig voor de communicatie dat iedereen net een beetje anders praat? Moeten we ons zorgen maken over taalverloedering of ons juist verheugen in de vitaliteit van onze taal? Marc van Oostendorp behandelt in zijn college duizend jaar geschiedenis van het Nederlands.

De colleges kunnen worden besteld op cd of gedownloaded als mp3. Meer (bestel)informatie is te vinden op de website van de uitgever.