Tag: taalgeschiedenis

Verkansie

Door Henk Wolf

Vrijdag schreef columniste Nadia Ezzeroili in de Volkskrant een stukje over het woord verkansie, een variant van vakantie.

De columniste observeert een groeiende populariteit van de geschreven vorm verkansie op de sociale media. Dat kan heel goed een juiste observatie zijn, daar wil ik af blijven, maar de suggestie dat de variant verkansie nieuw zou zijn of een “lelijke verbastering” van vakantie is niet correct. Nadia Ezzeroili neemt aan dat het nu als Standaardnederlands geldende vakantie als model wordt gebruikt om een onvolmaakte kopie (‘een verbastering’) als verkansie te vormen. Die denkfout wordt heel veel gemaakt, maar beide vormen komen al eeuwenlang in het Nederlands voor, naast talloze andere varianten. Op schrift is vakantie de norm geworden, maar in de spreektaal bestaat die vormvariatie nog steeds.

Vakantie en verkansie zijn allebei ‘verbasteringen’

Vakantie en verkansie zijn allebei gevormd naar het voorbeeld van een woord uit een Romaanse taal. Dat is vermoedelijk niet, zoals de columniste schrijft, het Latijnse vacatio. Het is onwaarschijnlijk dat de mensen in Nederland en Vlaanderen het [n]’etje in het woord zelf hebben verzonnen. Volgens de meeste etymologische woordenboeken is het Latijnse vacantia of het Franse vacances de waarschijnlijke inspiratiebron geweest (of allebei). Vernederlandste vormen kwamen in de vijftiende eeuw al in het Nederlands voor, toen nog alleen in de betekenis ‘periode waarin geen recht werd gesproken’.

Lees verder >>

Ws Haita

Door Henk Wolf

Op Facebook zag ik een poosje geleden de hiernaast afgebeelde tekst langskomen. Hij bevat een laat-zestiende-eeuwse Friese versie van het Onze Vader. De tekst lijkt ook voor Friezen erg exotisch, maar wie hem hardop voorleest, merkt dat de verschillen met het Fries van vandaag de dag niet eens zo groot zijn.

Onder de tekst staat ‘Us Heit neffens de âldst oerlevere tekst (1597)’ en dat bleek een verwarrend onderschrift te zijn, want op Facebook dachten verschillende mensen dat deze tekst het oudste overgeleverde Fries was. Dat is natuurlijk niet zo. Er zijn veel oudere Friese teksten en zelfs een paar teksten die zo oud zijn dat het niet meer duidelijk is of ze nu Fries mogen heten of dat ze geschreven zijn een in een oudere Germaanse taalvorm die in een veel groter gebied werd gesproken dan het Fries.
Tot ongeveer 1550 was het Oudfries als schrijftaal in gebruik in wat nu de provincie Friesland is, daarna nam het Nederduits/Nederlands/Hollands (waar toen nog geen duidelijk verschil tussen bestond) die rol over en verviel het Fries tot een spreektaal. Het Onze Vader uit 1597 is dus opgeschreven in de tijd dat er nauwelijks meer Friese woorden op papier werden gezet. Lees verder >>

Pas verschenen: ‘Een mooie mengelmoes. Meertaligheid in de Gouden Eeuw’

Taal was belangrijk in de Gouden Eeuw. Schrijvers, dichters, taalgeleerden en journalisten legden zelfbewust de basis voor wat het Standaardnederlands zou worden, een taal waarop iedereen even trots leek te zijn als op de nieuwe Republiek. Tegelijkertijd openden de Lage Landen zich voor de rest van de wereld, onder andere door de handel en het vroege kolonialisme, maar ook door belangstelling voor de ‘nieuwe’ kunsten uit Italië en Frankrijk. Bovendien kwamen door de grote welvaart heel veel migranten uit binnen- en buitenland naar Amsterdam.

In Een mooie mengelmoes laten Nicoline van der Sijs en Marc van Oostendorp zien dat het ontstaan van het Nederlands alleen kan worden begrepen tegen de achtergrond van al die talen en dialecten die er toen in de Lage Landen werden geschreven.  De auteurs presenteren het eerste onderzoek naar de pas ontsloten schat van zeventiende-eeuwse kranten – Nederlandse drukkers zetten in dit eerste massamedium internationaal de toon – én ze laten zien hoe schrijvers buitenlandse modellen imiteerden, maar dat deden in ‘zuiver’ Nederlands en niet in een ‘mengelmoes’ van leenwoorden zoals die in het dagelijks leven werd gebruikt.

Nicoline van der Sijs en Marc van Oostendorp zijn allebei als senior-onderzoeker verbonden aan het Meertens Instituut; ze zijn ook allebei hoogleraar in Nijmegen.

Marc van Oostendorp en Nicoline van der Sijs. Een mooie mengelmoes. Meertaligheid in de Gouden Eeuw. Amsterdam: AUP, 2018. Bestelinformatie bij de uitgever.

Dutch and Hungarian

Door Christopher Joby

There has been relatively little contact historically between Netherlands and Hungary, which may explain why there are relatively few Dutch loanwords in Hungarian (about 50) and only a handful, if that, of Hungarian loanwords in Dutch. The area where speakers of Hungarian are concentrated, i.e. modern day Hungary and parts of surrounding countries such as Romania, are some distance from the sea and so Hungarian has not incorporated some of the seafaring loanwords that many other languages have adopted. A couple of exceptions are jacht and matróz. Jacht (‘Yacht’) comes from the Dutch jachtboot. Hungarian also has jachtozó for yachtsman. Matróz comes from the Dutch matroos, sailor, possibly via another language. It forms many hybrid words in Hungarian such as matrózdal, a sea shanty (dal is Hungarian for song). Lees verder >>

Code switching in the Dutch East Indies

Door Christopher Joby

Batavia City Hall, now in the Old Town (Kota Tua) of Jakarta.

When speakers of one language encounter those of another, they often insert words of the other language into their own. This is called code switching. They may do this for a number of reasons. One of these is that they lack a word to describe a new thing or idea they encounter or because the new language has more prestige than their own. When the Dutch began trading with people in East Asia, they encountered many new things, such as goods, types of ship, coins and units of measure, to name but a few. The Dutch were prodigious record keepers, noting down almost everything that happened at their trading posts on Java, in Taiwan, on Kyushu, Japan and elsewhere in dagregisters, or factory journals. These facts mean that the Dutch language in these journals is full of code switching. A recent project on the factory journals kept at Batavia, the centre of Dutch trading activities in the East Indies, gives a sense of the number of non-Dutch words inserted into the Dutch texts. Lees verder >>

Gazette van Detroit and Emigrant Dutch

Door Christopher Joby

Printing is an important means by which migrant communities can keep their language alive. In sixteenth-century Norwich, the Brabander Anthonie de Solempne operated a press for several years, printing psalters and liturgical books for use in the Dutch language church.

Printing also played a role in supporting the use of Dutch among the tens of thousands of Dutch and Flemish who emigrated to the United States and Canada in the nineteenth century for religious and economic reasons. Lees verder >>

Negation in Norwich Dutch

Door Christopher Joby

St. Peter Mancroft, Norwich, which houses a wonderful Easter tapestry by Flemish weavers

Last month, I wrote a post about forms of address in Norwich Dutch (Norwichs Nederlands or Norwichs Vlaams). There I concluded we could tentatively talk of a Tu/Vos distinction in early modern Norwichs Nederlands. The dominant subject form of address in the letters written from Norwich to friends and family in Ieper in West Flanders (the Norwich Ieper corpus) was ghij. In this post, I return to those letters and discuss another linguistic feature that occurs quite frequently, namely negation in finite verb phrases.

In Old Dutch there was typically single negation, with the particles ne or en. This form of negation continued to be used in Middle Dutch in certain situations. However, by then negation was typically expressed by what some scholars refer to as ‘bipartite negation’, i.e., a two-part construction consisting of the negative particle ne or en before the finite verb and the negative adverb niet, e.g., ik en zie niet (‘I do not see’). In this construction niet is sometimes replaced by other words connoting the negative such as nooit (‘never’) and the article geen (‘not’/‘no’). Lees verder >>

Jou schelm!

Door Henk Wolf

Wie een ander wil uitschelden, die kan dat doen met alleen een scheldwoord, zoals lummel of rotzak. Hij kan daarvoor ook het voornaamwoord jij zetten. Dan krijg je uitspraken als ‘jij lummel!’ en ‘jij rotzak!’.

In wat ouder Nederlands vind je in plaats van dat jij ook vaak de vorm jou. Zo laat Bredero bijvoorbeeld in De klucht van de koe een boef schelden met ‘jou kinckel’ en ‘jou schelm’. E. du Perron laat in Nutteloos verzet schelden met ‘jou schoelje!’. Zelfs in de moderne tijd duikt die vorm af en toe nog op. Taalkundige Cornelis de Vooys noemt in de jaren vijftig in zijn Nederlandse spraakkunst ‘jou rakker’ nog als dan hedendaags taalgebruik. Wie googelt op ‘jou schoft’, vindt verschillende treffers uit de jaren zeventig. En wie op ‘jou lummel’ googelt, vindt een heleboel voorbeelden uit het Afrikaans van de twintigste eeuw.

Waar dat jou vandaan komt, is al lang onderwerp van discussie. In de jaren twintig opperde de taalkundige Moritz Schönfeld dat de vorm onstaan was in de constructie ‘o jou schelm!’, waarin de uitroep o als een soort voorzetsel werd opgevat. En na voorzetsels krijg je de vorm jou, niet jij. Lees verder >>

A Dutch community in Edinburgh

Door Christopher Joby

St. Giles Cathedral, or the High Kirk in Edinburgh

It is perhaps unsurprising that there was a Dutch/Flemish community in early modern Edinburgh. Lowland Scotland was primarily for the Reformation, with a church similar in theology to the Dutch Reformed church. The city lies on the other side of the North Sea from the Low Countries (well, a little to the north) and there were plenty of trading connections between Scotland and the Low Countries in the Middle Ages. The Dutch/Flemish community in Edinburgh included textile workers. Indentures were made in Dutch between local employers and weavers for the Low Countries. The Dutch artist Adrian Vanson worked at the court of James VI and his wife, Susanna de Colone, traded in Edinburgh on her own account. Lees verder >>