Tag: taalgeschiedenis

A recently-discovered translation from Dutch to Siraya

Door Christopher Joby

It’s not often in one’s career that one comes across a book or manuscript that has lain ‘hidden’ for several hundred years, but by chance this happened to me recently. In Amsterdam in 1661, the Dutch missionary Daniël Gravius published a volume comprising his translations of the Gospels of St. Matthew and St. John in the Formosan language, Siraya, a member of the broader Austronesian family of languages. Until recently, it was thought that only the translation of the Gospel of St. Matthew had survived. However, I recently identified a copy of the 1661 publication which contains both Gospel translations. The Gospel of St. John differs from that of St. Matthew in several respects and will therefore allow scholars in this field to increase their knowledge of this language, which became extinct in the nineteenth century. Hopefully, it will also add to our knowledge of the history of Austronesian or Formosan languages in Taiwan and Austronesian languages more generally.

Lees verder >>

‘Het hoeft niet meer per se.’

De geschiedenis van hoeven

Door Marc van Oostendorp

Alles moet altijd veranderen en dus ontkomt ook het werkwoord hoeven daar niet aan. Het is een opmerkelijk werkwoord, bijvoorbeeld omdat het in het moderne Nederlands eigenlijk alleen kan voorkomen in zinnen waar een ontkenning voorkomt: je kunt wel zeggen ‘je hoeft dat niet te doen’, of ‘je hoeft niets te doen’ of ‘niemand hoeft dat te doen’, maar niet ‘je hoeft dat te doen’.

In een nieuw artikel zetten de Antwerpse hoogleraar Nederlandse taalkunde Jan Nuyts en twee van zijn promovendi (Henri-Joseph Goelen en Wim Caers) de geschiedenis van het werkwoord op een rijtje, van het Oud-Nederlands tot gesproken werd tot pakweg 1150 tot en met het hedendaagse Nederlands. De manier waarop het woord ontstond uit behoeven. De buitelingen in de betekenisgeschiedenis. Maar vooral ook: de almaar veranderende woordsoort.

Het woord begon vermoedelijk ooit als hoofdwerkwoord, later werd het een hulpwerkwoord, en inmiddels kan het, zij het in anderssoortige constructies, weer als hoofdwerkwoord worden gebruikt:

Lees verder >>

Verkansie

Door Henk Wolf

Vrijdag schreef columniste Nadia Ezzeroili in de Volkskrant een stukje over het woord verkansie, een variant van vakantie.

De columniste observeert een groeiende populariteit van de geschreven vorm verkansie op de sociale media. Dat kan heel goed een juiste observatie zijn, daar wil ik af blijven, maar de suggestie dat de variant verkansie nieuw zou zijn of een “lelijke verbastering” van vakantie is niet correct. Nadia Ezzeroili neemt aan dat het nu als Standaardnederlands geldende vakantie als model wordt gebruikt om een onvolmaakte kopie (‘een verbastering’) als verkansie te vormen. Die denkfout wordt heel veel gemaakt, maar beide vormen komen al eeuwenlang in het Nederlands voor, naast talloze andere varianten. Op schrift is vakantie de norm geworden, maar in de spreektaal bestaat die vormvariatie nog steeds.

Vakantie en verkansie zijn allebei ‘verbasteringen’

Vakantie en verkansie zijn allebei gevormd naar het voorbeeld van een woord uit een Romaanse taal. Dat is vermoedelijk niet, zoals de columniste schrijft, het Latijnse vacatio. Het is onwaarschijnlijk dat de mensen in Nederland en Vlaanderen het [n]’etje in het woord zelf hebben verzonnen. Volgens de meeste etymologische woordenboeken is het Latijnse vacantia of het Franse vacances de waarschijnlijke inspiratiebron geweest (of allebei). Vernederlandste vormen kwamen in de vijftiende eeuw al in het Nederlands voor, toen nog alleen in de betekenis ‘periode waarin geen recht werd gesproken’.

Lees verder >>

Ws Haita

Door Henk Wolf

Op Facebook zag ik een poosje geleden de hiernaast afgebeelde tekst langskomen. Hij bevat een laat-zestiende-eeuwse Friese versie van het Onze Vader. De tekst lijkt ook voor Friezen erg exotisch, maar wie hem hardop voorleest, merkt dat de verschillen met het Fries van vandaag de dag niet eens zo groot zijn.

Onder de tekst staat ‘Us Heit neffens de âldst oerlevere tekst (1597)’ en dat bleek een verwarrend onderschrift te zijn, want op Facebook dachten verschillende mensen dat deze tekst het oudste overgeleverde Fries was. Dat is natuurlijk niet zo. Er zijn veel oudere Friese teksten en zelfs een paar teksten die zo oud zijn dat het niet meer duidelijk is of ze nu Fries mogen heten of dat ze geschreven zijn een in een oudere Germaanse taalvorm die in een veel groter gebied werd gesproken dan het Fries.
Tot ongeveer 1550 was het Oudfries als schrijftaal in gebruik in wat nu de provincie Friesland is, daarna nam het Nederduits/Nederlands/Hollands (waar toen nog geen duidelijk verschil tussen bestond) die rol over en verviel het Fries tot een spreektaal. Het Onze Vader uit 1597 is dus opgeschreven in de tijd dat er nauwelijks meer Friese woorden op papier werden gezet. Lees verder >>

Pas verschenen: ‘Een mooie mengelmoes. Meertaligheid in de Gouden Eeuw’

Taal was belangrijk in de Gouden Eeuw. Schrijvers, dichters, taalgeleerden en journalisten legden zelfbewust de basis voor wat het Standaardnederlands zou worden, een taal waarop iedereen even trots leek te zijn als op de nieuwe Republiek. Tegelijkertijd openden de Lage Landen zich voor de rest van de wereld, onder andere door de handel en het vroege kolonialisme, maar ook door belangstelling voor de ‘nieuwe’ kunsten uit Italië en Frankrijk. Bovendien kwamen door de grote welvaart heel veel migranten uit binnen- en buitenland naar Amsterdam.

In Een mooie mengelmoes laten Nicoline van der Sijs en Marc van Oostendorp zien dat het ontstaan van het Nederlands alleen kan worden begrepen tegen de achtergrond van al die talen en dialecten die er toen in de Lage Landen werden geschreven.  De auteurs presenteren het eerste onderzoek naar de pas ontsloten schat van zeventiende-eeuwse kranten – Nederlandse drukkers zetten in dit eerste massamedium internationaal de toon – én ze laten zien hoe schrijvers buitenlandse modellen imiteerden, maar dat deden in ‘zuiver’ Nederlands en niet in een ‘mengelmoes’ van leenwoorden zoals die in het dagelijks leven werd gebruikt.

Nicoline van der Sijs en Marc van Oostendorp zijn allebei als senior-onderzoeker verbonden aan het Meertens Instituut; ze zijn ook allebei hoogleraar in Nijmegen.

Marc van Oostendorp en Nicoline van der Sijs. Een mooie mengelmoes. Meertaligheid in de Gouden Eeuw. Amsterdam: AUP, 2018. Bestelinformatie bij de uitgever.

Dutch and Hungarian

Door Christopher Joby

There has been relatively little contact historically between Netherlands and Hungary, which may explain why there are relatively few Dutch loanwords in Hungarian (about 50) and only a handful, if that, of Hungarian loanwords in Dutch. The area where speakers of Hungarian are concentrated, i.e. modern day Hungary and parts of surrounding countries such as Romania, are some distance from the sea and so Hungarian has not incorporated some of the seafaring loanwords that many other languages have adopted. A couple of exceptions are jacht and matróz. Jacht (‘Yacht’) comes from the Dutch jachtboot. Hungarian also has jachtozó for yachtsman. Matróz comes from the Dutch matroos, sailor, possibly via another language. It forms many hybrid words in Hungarian such as matrózdal, a sea shanty (dal is Hungarian for song). Lees verder >>

Code switching in the Dutch East Indies

Door Christopher Joby

Batavia City Hall, now in the Old Town (Kota Tua) of Jakarta.

When speakers of one language encounter those of another, they often insert words of the other language into their own. This is called code switching. They may do this for a number of reasons. One of these is that they lack a word to describe a new thing or idea they encounter or because the new language has more prestige than their own. When the Dutch began trading with people in East Asia, they encountered many new things, such as goods, types of ship, coins and units of measure, to name but a few. The Dutch were prodigious record keepers, noting down almost everything that happened at their trading posts on Java, in Taiwan, on Kyushu, Japan and elsewhere in dagregisters, or factory journals. These facts mean that the Dutch language in these journals is full of code switching. A recent project on the factory journals kept at Batavia, the centre of Dutch trading activities in the East Indies, gives a sense of the number of non-Dutch words inserted into the Dutch texts. Lees verder >>

Gazette van Detroit and Emigrant Dutch

Door Christopher Joby

Printing is an important means by which migrant communities can keep their language alive. In sixteenth-century Norwich, the Brabander Anthonie de Solempne operated a press for several years, printing psalters and liturgical books for use in the Dutch language church.

Printing also played a role in supporting the use of Dutch among the tens of thousands of Dutch and Flemish who emigrated to the United States and Canada in the nineteenth century for religious and economic reasons. Lees verder >>

Negation in Norwich Dutch

Door Christopher Joby

St. Peter Mancroft, Norwich, which houses a wonderful Easter tapestry by Flemish weavers

Last month, I wrote a post about forms of address in Norwich Dutch (Norwichs Nederlands or Norwichs Vlaams). There I concluded we could tentatively talk of a Tu/Vos distinction in early modern Norwichs Nederlands. The dominant subject form of address in the letters written from Norwich to friends and family in Ieper in West Flanders (the Norwich Ieper corpus) was ghij. In this post, I return to those letters and discuss another linguistic feature that occurs quite frequently, namely negation in finite verb phrases.

In Old Dutch there was typically single negation, with the particles ne or en. This form of negation continued to be used in Middle Dutch in certain situations. However, by then negation was typically expressed by what some scholars refer to as ‘bipartite negation’, i.e., a two-part construction consisting of the negative particle ne or en before the finite verb and the negative adverb niet, e.g., ik en zie niet (‘I do not see’). In this construction niet is sometimes replaced by other words connoting the negative such as nooit (‘never’) and the article geen (‘not’/‘no’). Lees verder >>

Jou schelm!

Door Henk Wolf

Wie een ander wil uitschelden, die kan dat doen met alleen een scheldwoord, zoals lummel of rotzak. Hij kan daarvoor ook het voornaamwoord jij zetten. Dan krijg je uitspraken als ‘jij lummel!’ en ‘jij rotzak!’.

In wat ouder Nederlands vind je in plaats van dat jij ook vaak de vorm jou. Zo laat Bredero bijvoorbeeld in De klucht van de koe een boef schelden met ‘jou kinckel’ en ‘jou schelm’. E. du Perron laat in Nutteloos verzet schelden met ‘jou schoelje!’. Zelfs in de moderne tijd duikt die vorm af en toe nog op. Taalkundige Cornelis de Vooys noemt in de jaren vijftig in zijn Nederlandse spraakkunst ‘jou rakker’ nog als dan hedendaags taalgebruik. Wie googelt op ‘jou schoft’, vindt verschillende treffers uit de jaren zeventig. En wie op ‘jou lummel’ googelt, vindt een heleboel voorbeelden uit het Afrikaans van de twintigste eeuw.

Waar dat jou vandaan komt, is al lang onderwerp van discussie. In de jaren twintig opperde de taalkundige Moritz Schönfeld dat de vorm onstaan was in de constructie ‘o jou schelm!’, waarin de uitroep o als een soort voorzetsel werd opgevat. En na voorzetsels krijg je de vorm jou, niet jij. Lees verder >>

A Dutch community in Edinburgh

Door Christopher Joby

St. Giles Cathedral, or the High Kirk in Edinburgh

It is perhaps unsurprising that there was a Dutch/Flemish community in early modern Edinburgh. Lowland Scotland was primarily for the Reformation, with a church similar in theology to the Dutch Reformed church. The city lies on the other side of the North Sea from the Low Countries (well, a little to the north) and there were plenty of trading connections between Scotland and the Low Countries in the Middle Ages. The Dutch/Flemish community in Edinburgh included textile workers. Indentures were made in Dutch between local employers and weavers for the Low Countries. The Dutch artist Adrian Vanson worked at the court of James VI and his wife, Susanna de Colone, traded in Edinburgh on her own account. Lees verder >>

Dutch in the Spice Islands

Door Christopher Joby

The Indonesian archipelago has a rich diversity of languages. Several varieties of Malay are spoken in the area including the official language of Indonesia, Bahasa Indonesia, and Manado Malay, spoken in Northern Sulawesi. Another variety is Ambon Malay, a Malay creole spoken on Ambon and surrounding islands collectively known as Maluku (the Moluccas) or the Spice Islands. Arab traders and Muslim missionaries brought Malay to the islands in the fourteenth century.

In the early sixteenth century, the Portuguese arrived bringing their language and Catholic religion with them. By the time that the Dutch arrived at the turn of the seventeenth century, there were two languages of wider communication in the islands, Malay and Portuguese. After ejecting the Portuguese in 1605 the Dutch East India Company (VOC) established a base at Ambon. They made two attempts to introduce their language to the local people. In 1607 they established a school and taught in Malay and Dutch. Lees verder >>

Ik boei me niet voor de poppetjes

Door Henk Wolf

In een reactie op geenstijl.nl van een paar maanden geleden schrijft iemand ‘ik boei me niet voor de poppetjes’. Dan volgt er wat onsmakelijk geweldpraat, maar het gaat me hier ook niet om de inhoud. ‘Ik boei me voor’ is namelijk een constructie waarvan ik het ontstaan verwacht had. Af en toe googelde ik erop, afgelopen woensdag voor het laatst. En de verwachting is nu dus uitgekomen.

Waarom verwachtte ik die constructie? Wel, dat zou passen in een trend die al eeuwen bezig is: de Germaanse talen maken een ontwikkeling door waarbij personen het onderwerp van de zin worden. Lees verder >>

Dutch words in Portuguese creoles

Door Christopher Joby

It is well known that Dutch and Portuguese battled it out for domination and the right to trade in several parts of the world in the seventeenth century. In some cases, such as Japan, the Dutch gained the upper hand, while in Brazil, initial Dutch gains were eventually overturned by the Portuguese. It is no surprise that the frequent coming together of the Dutch and Portuguese had consequences for language. In Japan, Portuguese was the dominant European language from c. 1550 to 1650. Dutch gradually gained ground, but Japanese were still using the Portuguese language long after the Portuguese themselves had been banished in 1639. Lists survive containing words in Dutch, Portuguese and Latin. No distinction is made between them suggesting Japanese may have switched between the languages in the process of shifting from Portuguese to Dutch. Lees verder >>

Krijg nou de vallende fleuris!

Door Laura Bruno en Peter Alexander Kerkhof

Zoals algemeen bekend, grossiert het Nederlands in verwensingen en krachttermen die met oude ziekten van doen hebben. Interessant genoeg zou in de geschiedenis van het Nederlands ook de uitroep “krijg nou de vallende fleuris” bestaan kunnen hebben. In de Middeleeuwen verwees de ‘fleuris’ naar een beroerte en “tfallende fledercijn” naar een epileptische aanval. De Middelnederlandse woorden ‘fleuris’ en ‘fledercijn’ zijn bijvormen van ‘pleuris’ en ‘pleurisie’, een ziektenaam die oorspronkelijk naar borstvliesontsteking verwees. Maar waarom bestonden die varianten eigenlijk? En hoe kon de betekenis van borstvliesontsteking naar epilepsie veranderen? In dit artikeltje willen wij de Middelnederlandse woorden fleuris en fledercijn voor het voetlicht brengen en ingaan op hun etymologie, waarachter een interessant stukje Middeleeuwse cultuur- en taalgeschiedenis schuilgaat.

Laten we beginnen met de Middelnederlandse varianten. Het Middelnederlands kent de vormen fledercijn, fledersijn, flerecijn en fleuris in de betekenissen ‘jicht, beroerte en epilepsie’ (zie MNW s.v. fledercijn, fleuris). De wisseling tussen <c> en <s> in de Middelnederlandse woorden valt te verklaren uit het feit dat de <c> uitgesproken werd op zijn Laat Oudfrans, namelijk als s-klank. Al deze woorden gaan uiteindelijk terug op het Latijnse woord pleurisis, een Middeleeuws neologisme dat gebouwd is op Latijn pleura ‘borstvlies’. Dit Latijnse woord werd voortgezet in het Middeleeuws Franse pleurisie. Veel etymologen gaan ervan uit dat de Middelnederlandse woorden direct uit het Oudfranse pleurisie zijn ontleend (MNW s.v. fledercijn, zie ook Van der Sijs 2005: 181). Dit laat echter onverklaard waarom deze Nederlandse woorden zo afwijken van de Franse donor-vorm. Lees verder >>

Hooggekurkt

Een achttiende-eeuwse aanvulling op het WNT

Door Roland de Bonth

Kurkentrekkers leiden steeds vaker een kwijnend bestaan in de keukenla. Wijnproducenten stappen over op schroefdoppen of – in mindere mate – op kunststofkurken. Toch levert dat geen rust op voor de kurkeiken in Zuid-Europa en Noord-Afrika want bij de productie van schoenen is kurk – na de plateauzolen uit de jaren zeventig – sinds enkele jaren weer bijzonder geliefd. Vooral bij zomerschoenen komen we kurken zolen tegen. Denk aan sleehakken en sandalen als Birkenstocks.

Verwonderlijk is dat niet. Kurk is een natuurlijk materiaal: de schors van de kurkeik wordt voor 100% gebruikt voor de productie van kurk. Bovendien is kurk volledig recyclebaar. Schoenen met kurken zolen zijn comfortabel om te dragen. De structuur van kurk zorgt er namelijk voor dat deze zolen veerkrachtig en schokabsorberend zijn. Een bijkomende gunstige eigenschap van kurk is dat het tegen een stootje kan en slijtvast is. Lees verder >>

Dutch in Ceylon

Door Christopher Joby

One of the areas of Asia in which the Dutch East India Company (VOC) was active was Ceylon. Today we can see a vestige of this in the fort at Galle which the VOC significantly strengthened. In the sixteenth century the Portuguese were the dominant European power on the island, which was rich in spices, particularly cinnamon. However, in the seventeenth century the VOC began to challenge the Portuguese and by 1656 much of the island was under its control. Ceylon remained under VOC control until 1796 when the British took it in the Napoleonic Wars. It would stay under British control until it became independent in 1948. During the 140 years of Dutch control, they pursued an active policy of trying to make Dutch the principal language on the island. This included setting up schools to teach Dutch to local people, although these often suffered from a lack of qualified teachers. However, the Dutch language policy by and large failed. One reason for this was that Portuguese had already become a language of wider communication (LWC) in Ceylon prior to 1656. Nevertheless, there are many Dutch loanwords in the two official languages of Ceylon, Sinhala and Tamil. Nicoline van der Sijs reckons that there are some 230 Dutch loanwords in Sinhala. Many of these are in the fields of warfare, trade and agriculture. For example, the Sinhala word for ‘potato’ , අර්තාපල් pronounced artapal comes from the Dutch aardappel. In Tamil, also spoken in Southern India, there are reckoned to be about 50 Dutch loanwords.

Further reading: Nicoline van der Sijs, Nederlandse woorden wereldwijd. The Hague: SDU, 2010, pp. 116-117, 125.
Kees Groeneboer, Gateway to the West. Amsterdam: AUP, 1998, pp. 51-58.

Dit stukje verscheen eerder op Christopher Joby’s blog History of Dutch.

Dutch in the Land of our Fathers

Door Christopher Joby

The Principality of Wales in Great Britain is not the first place one would look for traces of varieties of Dutch being spoken in history, but there are several reports which suggest that Flemish was spoken in the West of Wales from the twelfth century to the sixteenth century.

The sixteenth-century English historian, William Camden (1551-1623), wrote that King Henry I (1100-1135) had allowed Flemings to settle in Pembrokeshire. Some of them were probably related to Flemish mercenaries who had helped William the Conqueror to win the Battle of Hastings in 1066. Lees verder >>

Wereldgeschiedenis is de geschiedenis van metaforen

Door Marc van Oostendorp

Als de Amerikanen Sapir en Whorf gelijk hadden, zou er een goede wereldgeschiedenis te schrijven zijn aan de hand van de taalgeschiedenis. Volgens de zogeheten Sapir-Whorf-hypothese bepaalt de taal het denken. En als we aannemen dat de manier waarop de mensen denken de loop van de geschiedenis bepaalt, zijn taalveranderingen dus belangrijk bij het begrijpen van de veranderingen in de wereld.

De Amerikaanse schrijver Jeremy Lent heeft geprobeerd precies zo’n boek te schrijven: een dat de grote lijnen van de wereldgeschiedenis beschrijft in termen van veranderingen in de taal.

Zijn voornaamste uitgangspunt daarbij is de tak van de taalkunde die de laatste decennia sowieso de sterkste invloed heeft gehad in andere geesteswetenschappen: de cognitieve taalwetenschap, met name de theorieën over  het belang van metaforen voor het denken van George Lakoff (Lucas schreef er onlangs over op Neerlandistiek; en gisteren had De Correspondent er een aardig overzichtsartikel over).

Volgens die theorie kan de mens over abstracte dingen alleen in beeldspraak denken. We hebben misschien ons lichaam dat we kunnen voelen en waarover we rechtstreeks denken, net als over sommige zaken die we min of meer rechtstreeks waarnemen. Maar alles dat een beetje complexer is dan dat, kunnen we alleen begrijpen in metaforische termen.

Lakoff en zijn medewerkers hebben laten zien dat (cultureel bepaalde) metaforen ons hele denken doordesemen. In veel culturen staat boven bijvoorbeeld voor goed en beneden voor slecht (hij zit in de put, het gaat bergafwaarts). Uiteindelijk zijn misschien wel alle categorieën waarin we denken te zien als metaforen en bouwen we uiteindelijk weer nieuwe metaforen bovenop oude.  Lees verder >>

Pas verschenen: Die storie van Afrikaans (deel 1)

Door Wannie Carstens

Daar het sedert 2000 ʼn opvallende oplewing gekom in studies oor die geskiedenis van Afrikaans. Van hierdie publikasies was gefokus op die toekoms van Afrikaans eerder as die verlede, maar dit het nietemin aangedui mense wil meer weet as die gewone storie. Boeke soos Giliomee & Schlemmer (reds.) se KruispadDie toekoms van Afrikaans as openbare taal (2001), F.I.J. van Rensburg (red.) se Afrikaans, lewende taal van miljoene (2004), Giliomee & Schlemmer se ʼn Vaste plek vir Afrikaans. Taaluitdagings op kampus (2006), Christo van Rensburg se So kry ons Afrikaans (2012), Hein Grebe se Op die keper beskou. Oor die ontstaan van Afrikaans (2012) en ook Jaap Steyn se bekroonde ‘Ons gaan ʼn taal maak’: Afrikaans sedert die Patriot-jare (2014) is tekenend hiervan en dui ook op ʼn lewendige belangstelling in die herkoms én toekoms van Afrikaans. Dit is ook goed so dat die Afrikaanse gemeenskap belang stel in hulle taal.

Die bogenoemde boeke betrek wel slegs besondere aspekte van die studie van Afrikaans – die toekoms, die invloed van die Khoi op die ontwikkeling van Afrikaans, die tydperk 1870-2010, teorieë oor die herkoms van Afrikaans, en so meer.  Lees verder >>