Tag: taalfilosofie

Denken we in taal?

Door Marc van Oostendorp

Is er een verschil tussen zinnen en gedachten? Een heleboel zinnen lijken gedachten uit te drukken, en als je bij jezelf naar binnen probeert te kijken als je denkt, kun je daar soms zinnen zien ronddartelen.

Maar denken wij ook in taal? In ieder geval lijkt taal in een opzicht op denken: de creativiteit, die er vooral uit bestaat dat we eindeloos steeds weer nieuwe woorden – in taal – of dingen – in het denken – met elkaar kunnen combineren. Een nieuwe zin is een nieuwe combinatie van bestaande woorden, en zo zou je kunnen zeggen dat een nieuwe gedachte een nieuwe combinatie is van bestaande concepten. Zoals je zinnen kunt maken door twee zinnen met elkaar te combineren (‘Ik ben Job en ik heb een sticker op mijn kop’), zo kun je uit twee gedachten weer een nieuw idee kleien.

Lees verder >>

De aangeboren weerzin tegen het idee dat weerzin aangeboren kan zijn

Door Marc van Oostendorp

– Iris Berent, Foto: Matthew Modoono/Northeastern University

Sommige kennis is mogelijk aangeboren. Er bestaat op dit punt bijvoorbeeld al een lang lopende discussie over taal. Nu is dat een nogal wonderlijke discussie als je kijkt naar wat er wetenschappelijk bekend is: bijvoorbeeld dat baby’s van een paar uur oud al verschil horen tussen hun moedertaal en een vreemde taal. Dat betekent dat ze zich al aspecten van de klankvorm van hun moedertaal hebben eigengemaakt in de moederschoot, zonder dat iemand ze verteld heeft dat zoiets van belang zou zijn, dat uitgerekend die klanken iets zijn om heel precies op te letten.

Op zijn minst de motivatie om taal te leren, en het idee dat er in de omgeving zoiets bestaat als ‘taal’ dat de moeite waard is om te leren, lijkt me aangeboren. Heel slimme dieren komen nooit op dat idee.

Lees verder >>

Boeken zijn als getallen

Door Marc van Oostendorp

De kleine Johannes, Mari Andriessen. Frederickspark, Haarlem.
(Bron: WIkipedia)

Wat zijn boeken voor dingen? Over die vraag gaat een artikel dat de beroemde Amerikaanse taalkundige Paul Postal onlangs op internet plaatste.

Dat boeken vreemde dingen zijn, was al meer mensen opgevallen. Ze zijn abstract en lijken in die zin op bijvoorbeeld getallen. De kleine Johannes bevindt zich net zo min als het getal 26 op een bepaalde plaats in de fysieke werkelijkheid. Er zijn natuurlijk allerlei tastbare objecten waarop de letters De kleine Johannes staan en die binnenin eveneens reeksen letters hebben in telkens dezelfde volgorde – het verhaal van de kleine Johannes. Maar geen van die voorwerpen ís De kleine Johannes.

Tegelijkertijd beschouwen we boeken als dingen die op een zeker moment geschreven zijn door een concreet persoon. Als Frederik van Eeden nooit had geleefd, hadden we ook geen Kleine Johannes gehad. Voor ons gevoel heeft Van Eeden die letters in een bepaalde volgorde gezet. Hij heeft op een goed moment de Kleine Johannes gemaakt, en dat boek bestaat dus wel in een bepaalde tijdsspanne: voor 1884 bestond het nog niet.

Lees verder >>

De grondwet als literatuur

Door F.G. Droste

Koningin Máxima. Bron: Wikipedia

In een interview met de Leidse hoogleraar staatsrecht Wim Voermans komt de essentie van zijn recente boek Het Verhaal van de Grondwet helder naar voren. Maar dat gebeurt ook al in de (dubbele) titel van dit verslag: “Een grondwet is literatuur” en “het is ook een verbeelde wereld”. Even, zij het in het voorbijgaan, roept dit de voordracht op van Koningin Máxima (of was het Mevrouw van Oranje?), die met “De Nederlander bestaat niet” in het jaar 2010 een storm in een glas water veroorzaakte. Bij die storm werd vergeten dat we hier te doen hebben met een paradox, die dicht aanleunt bij de onoplosbare tegenspraak binnen “Alle Kretenzers liegen altijd, zei de Kretenzer”. De spreker komt hier met zichzelf in tegenspraak en dat overkomt Máxima ook. Om de eigenschap “bestaat niet” toe te kennen aan “de Nederlander”, moet die wel bestaan, anders kun je niks zinnigs over hem zeggen. Al heel lang geleden heeft dat probleem een discussie losgemaakt tusen de filosofen Strawson en Russell, waarbij Strawson zeker aan het langste eind trok, door te stellen dat je voor het toekennen van een eigenschap wel een object nodig hebt. 

Lees verder >>

Communicatie en cognitie in het taalgebruik

Door Flip G. Droste

Communicatie & Cognitie, hier tot een eenheid samengevoegd door het &-symbool, zijn als lichaam en brein: alleen in samenspel komen ze tot leven. Dat geldt zeker voor de natuurlijke menselijke taal: buitenkant-binnenkant, vorm-functie. Dat het in het taalgebruik om tekens en tekengeving gaat lijkt evident. Het taalteken in de theorie van De Saussure, schijnt echter aan de gedwongen samenhang te ontglippen. Voor hem is het taalteken een abstractie: “Le signe linguistique unit non une chose et un nom, mais un concept et une image acoustique”. Daarbij wordt echter uit het oog verloren dat dat ‘signe’, dat taalteken, alleen functioneert dankzij de lichamelijke realisatie. Het teken voltooit zich op de adem, zodat er volgens het Oude Testament pas licht is als de schepper licht zegt: longen, luchtpijp, mondholte.

Lees verder >>

Zit denken in ons hoofd of in de wereld om ons heen?

Door Marc van Oostendorp

Het is natuurlijk altijd fijn als iemand dingen schrijft als ‘daar hebben Marc en Chomsky natuurlijk volledig gelijk in’, zoals Lucas Seuren gisteren deed. Het is dan wel een beetje jammer als dat gelijk blijkt te bestaan uit een bewering die ik niet geloof: ‘taal zit in ons hoofd’.

In zijn stukje beschrijft Lucas welsprekend hoe je taal kunt zien als enerzijds iets mentaals, iets om mee te denken, en anderzijds als iets dat zich tussen mensen afspeelt, een instrument voor interactie. Welk van de twee is waar? “Op dit moment weten we gewoon nog te weinig van taal om definitief één richting in te kunnen slaan” zegt hij.

Ik denk ook dat het niet per se nodig is, dat beide benaderingen eigenlijk iets over het hoofd zien: dat mensen zelden in hun eentje denken. We maken voortdurend gebruik van elkaars gedachten. Een gesprek is doorgaans niet: we denken allebei voor onszelf en delen elkaar het resultaat van die gedachten mee. Nee, mensen zijn als diersoort nu juist uniek doordat we samen kunnen denken.

En dat kunnen we vanwege de taal.

Lees verder >>

Amsterdam uitbreiden met mooie woorden

Door Marc van Oostendorp

De drie grote planologische uitbreidingen van Amsterdam in de 20e eeuw

Gisteren verdedigde MaartenJan Hoekstra in Delft zijn proefschrift. Dat was niet zomaar een proefschrift, maar een dubbelpromotie in één persoon – zijn boek Stedebouwkundig(e) ontwerpen in woorden gaat zowel over bouwkunde als over taalkunde. Er waren dan ook twee promotoren: Han Meyer uit Delft, en ik. De bekende etymologe Marlies Philippa was wat je op andere universiteiten copromotor zou noemen, maar daar doen ze in Delft geloof ik niet aan. (In Delft duurt de oppositie ook een heel uur in plaats van 45 minuten en tekenen de promotoren de bul in een apart kamertje, zonder de rest van de commissie, heel eigenaardig.)

Jullie kunnen MaartenJans proefschrift hier downloaden en als ik jullie was en ik zou een leuk weekeinde willen, zou ik dat zeker doen: het is een rijk, dik boek, dat heel goed geschreven is en heel fraai geïllustreerd. Lees verder >>

Betekenis is gebruik

Door Lucas Seuren

Momenteel vermaak (verveel?) ik samen met een paar collega’s een flinke groep studenten Communicatie en Nederlands met Pragmatiek; een vak waarin we ingaan op hoe mensen taal gebruiken om betekenis over te dragen, of anders gezegd, hoe mensen betekenis geven aan taal. Daarbij komen veel, en veelal inmiddels overleden, filosofen aan bod: van Betrand Russell tot (de onlangs in ongenade geraakte) John Searle. Een van de theorieën die we daarbij ter discussie stellen is het idee van Ludwig Wittgenstein dat taal geen inherente betekenis heeft: “meaning is use.” Net zoals de exacte betekenis van God grotendeels afhankelijk is van de context—hebben we het over de God als handelend “persoon”, of een entiteit wiens aanwezigheid we simpelweg kunnen ervaren, of iets anders?—zo kunnen we tegen allerlei aspecten van taal kijken. Lees verder >>

Taal is niet alleen om mee te denken

Door Marc van Oostendorp

Onlangs besprak ik een artikel waarin met alle geweld moest worden aangetoond dat je alle eigenschappen van taal kunt begrijpen vanuit één functie: om te communiceren. De korte samenvatting: dat is heel onwaarschijnlijk, want dan zou taal niet de hele tijd variëren en veranderen en zorgen voor allerlei verwarring.

In een ander recent artikel in het wetenschappelijk tijdschrift Glossa voegt de Australische taalkundige en filosoof Eran Asoulin daar nog een voorbeeld aan toe: structurele dubbelzinnigheid. In het Engels kun je zinnen hebben als John said Bill left yesterday, dat zowel kan betekenen dat Jan gisteren zei dat Bill weg was gegaan, of dat Jan op een niet nader gespecificeerd moment in het verleden zei dat Bill gisteren wegging. Taal zit vol met zulke ambiguïteiten, zegt Asoulin, volgens mij terecht. Waarom zou een communicatiemiddel dat toestaan?

Dieren

Jammer is dan weer dat Asoulin in plaats daarvan terug wil grijpen op één andere unieke functie voor taal: dat we erin kunnen denken. En dat hij dan juist die functie weer cruciaal wil verklaren. Lees verder >>

Wat betekent een belofte van een dichter?

Door Marc van Oostendorp

Er gaapt, zeggen ze, een diepe kloof tussen de filosofie en de dichtkunst. Dat is allemaal bij Plato begonnen, die vond dat dichters geen plaats hadden in de ideale staat, omdat dichters op hun best een schijnbeeld gaven van de schijnwereld waarin wij leven.

Ook de Angelsaskische (‘analytische’) taalfilosofen van de twintigste en eenentwintigste eeuw moeten over het algemeen weinig van poëzie weten. Zij bestuderen ‘gewone’ taal, en dit met een wiskundige precisie: wat bedoelt iemand precies wanneer hij zegt dat de koning van Frankrijk kaal is? Poëzie beschouwen ze vervolgens als een abnormaal soort taalgebruik – nauwelijks de moeite waard.

Zoals de beroemde Engelse taalfilosoof J.L. Austin (1911-1960), die een bijzondere fascinatie had voor zogenoemde taalhandelingen: zinnen die niet waar of onwaar zijn, maar die zichzelf waarmaken doordat ze worden uitgesproken. Lees verder >>

Is water hetzelfde als H2O?

Door Marc van Oostendorp

Als ik jong was geweest – ik ben nu heel oud, maar ook ik had ooit een bos krullen en puisten – had ik Als dan dus daarom van Sjoerd van der Niet verslonden. Sterker nog, als ik het lees, voel ik het weer kriebelen op mijn kruin én op mijn wangen. De opwinding van het wonder van de menselijke taal, zoals het beleefd wordt in de taalfilosofie is weer helemaal terug!

Is water bijvoorbeeld hetzelfde als H2O? Geeft de wetenschappelijke definitie de ultieme betekenis van een woord voor het dagelijks gebruik? Maar in een glas water zitten doorgaans allerlei moleculen die niet H2O zijn, en H2O in vaste toestand noemen we geen water maar ijs. Hoeveel vervuiling kunnen we aan om nog steeds van water te blijven spreken?

En betekent ‘mijn hond rent door het park’ hetzelfde als ‘Pluto loopt door het park’, als ik Sjoerd ben en Sjoerd zijn hond Pluto heet? En hoe herkennen we eigenlijk een hond als ‘hond’? Zijn er essentiële eigenschappen die een hond heeft? Is de staart zo’n eigenschap? En wat gebeurt er als we die staart afhakken? Lees verder >>

Het getal vijftig overtreft het getal veertig

Het aantal bekoringen van de semantiek is eindeloos

Door Marc van Oostendorp

attachment-1-45Een van de onbetwistbare wetenschappelijke helden van de twintigste eeuw is Gottlob Frege (1848-1925), de vader van de semantiek van menselijke taal én van de grondslagen van de wiskunde. Een man die toen hij op het punt stond een doorwrochte studie te publiceren een brief kreeg van een of andere blaag die hem erop wees dat hij een ernstige denkfout had gemaakt, en die de blaag niet negeerde maar in het nawoord van zijn boek schreef: “Een wetenschappelijke schrijver kan nauwelijks iets naarders overkomen als dat hem na voltooiïng van een werk een van de grondslagen van het bouwwerk wordt weggeslagen. In deze omstandigheid werd ik gestort door een brief van de heer Bertrand Russell, toen dit boek bijna van de drukkerij kwam.”

(Menselijkerwijs was Frege veel minder een held, maar een vreselijke antisemiet.)

En nu heeft de Duitse semanticus Friederike Moltmann een foutje bij Frege ontdekt. Het foutje is niet zo vreselijk ingrijpend, en Moltmann is geen blaag, maar ze zet wel een interessante redenering op, waar het gaat om de betekenis van uitdrukkingen als het aantal planeten. Frege dacht op basis van zinnen zoals de volgende dat de betekenis van zo’n uitdrukking een getal was: Lees verder >>

Gebaren als de bron van taal

Door Marc van Oostendorp

unnamedTaal is een paraplu. De boodschap komt meestal als een ingevouwen staaf van klanken op je trommelvliezen bonzen, maar zodra hij binnen in je hersenpan is, wordt hij uitgevouwen tot een meerdimensionaal object.

De Amerikaanse taalkundige Charles Hockett introduceerde eind jaren vijftig een begrip dat soms dubbele articulatie (double articulation) wordt genoemd en soms dubbelheid van patroonvorming (duality of patterning). Het komt erop neer dat taal uit twee lagen bestaat: een laag van op zich volkomen betekenisloze klanken, (een d, een a, een s) die samen woorden vormen, en een laag waarin de aldus verkregen vormen wél betekenis hebben en in groter (zins)verband bij elkaar staan (‘dat is een lekker warme das’). Lees verder >>

Het gebouw is morgen

Door Marc van Oostendorp

attachment-1-24Een van de vele, vele dingen die je met taal kunt doen: uitdrukken hoe de werkelijkheid in diepste wezen in elkaar zit. Neem de volgende zin:

  • Socrates is wijs.

Die zin zegt iets over Socrates (een mens), namelijk dat hij wijs is. Hij zegt daarmee ook iets algemeners dat mensen eigenschappen kunnen hebben, zoals wijsheid.

Dat klinkt heel flauw, maar is het ook zo? Taal – in ieder geval het Nederlands, maar heel veel andere talen ook – heeft bijvoeglijk naamwoorden. Die drukken eigenschappen uit. Dat werkt alleen in een wereldbeeld waarin dingen ‘eigenschappen’ hebben.  Lees verder >>

Een taal kennen of een taal spreken

Door Marc van Oostendorp

attachment-1-26Veel taalwetenschappers vragen zich over taalfilosofie af wat andere mensen zich over taalwetenschap afvragen: waar is het allemaal voor nodig?

Het antwoord is in allebei de gevallen natuurlijk hetzelfde: als je op zijn minst wilt begrijpen hoe ingewikkeld alles in het mensenleven is, moet je beginnen te begrijpen wat iets wonderlijks de taal is die zo’n belangrijk deel vormt van ons leven, ons denken, ons samenzijn.

We weten er zo weinig van. Deze week raakte ik bijvoorbeeld aan de praat met een postdoc hier op het instituut over de vraag: wat betekent het als je zegt dat we een taal kennen, zoals de Engelse omschrijving luidt (to know a language) of spreken, zoals wij doorgaans zeggen?

Lees verder >>

Karakters, agenten en causale verbanden

Door Marc van Oostendorp

9780199282609Hebben jullie er boodschap aan dat ik hier vroeg in de ochtend in mijn pyjama’tje zit te tiepen? Dat vroeg ik me af terwijl ik het boek Narratives and Narrators. A Philosophy of Stories van de Britse filosoof Gregory Currie aan het lezen was.

Currie raakt in dat boek aan allerlei intrigerende kwesties die te maken hebben met het verschijnsel verhaal. Wanneer beginnen we een opsomming van gebeurtenissen een verhaal te noemen? Wat heeft het vertellen van een verhaal met imitatie te maken? En wat is eigenlijk een ironische manier van vertellen? Wat is ‘karakter’ en als het karakter van de personages zo’n belangrijke structurerende en drijvende kracht is achter heel veel verhalen, hebben we dan eigenlijk wel wat aan verhalen als de wetenschap meer en meer lijkt aan te tonen dat het hele begrip ‘karakter’ misschien wel een illusie is?

Lees verder >>

Hoe het is om mens te zijn

Door Marc van Oostendorp

Charles Taylor: The Language AnimalWat is de relatie tussen de mens en zijn taal? Er zijn, zegt de Canadese wijsgeer Charles Taylor in zijn onlangs verschenen boek The Language Animal,  twee manieren waarop je dat kunt zien. Volgens de ene school, die waarschijnlijk dominant is onder taalwetenschappers, is de taal een eigenschap van de mens. Ergens in de mens zit het taalvermogen; zou je het wegnemen, dan zou de mens allicht minder goed functioneren, maar verder zou hij niet erg veranderen. Zijn wereld zou er min of meer hetzelfde uitzien, ook al zou hij er natuurlijk niet over kunnen praten.

Volgens de andere school, waartoe Taylor zich bekent, is de relatie tussen taal en mens veel omvattender. De mens bestaat als mens alleen dankzij de taal. Onze gevoelens, onze moraal, ons idee over onszelf, dat alles bestaat niet zonder de taal. Het taalvermogen maakt ons niet alleen wie we zijn, maar het bepaalt voor een zeer belangrijk deel ook onze wereld – niet alleen hoe we de wereld praten, en zelfs niet alleen hoe we de wereld zien, maar die wereld zelf. Lees verder >>

Als talen niet bestaan, hoef je ook geen boek over taalstrijd te lezen

Door Marc van Oostendorp


Het is natuurlijk wat provocerend om een boek over taalstrijd te beginnen met de een inleiding waarvan de ondertitel luidt Talen bestaan niet, zoals de Antwerpse anglist Frank van Splunder doet. Waarom zou je vechten over dingen die toch niet bestaan?

Het is natuurlijk in zekere zin waar dat talen niet bestaan. Het Nederlands is geen duidelijk afgebakende grootheid. Welke woorden horen tot de taal? Dat zijn er in ieder geval meer dan in Van Dale staan – al is het maar omdat er steeds nieuwe woorden bijkomen. Welke mensen spreken er Nederlands? Dat hangt er onder andere van af hoe lang iemand op cursus moet voor we hem of haar in onze gelederen accepteren. Het hangt ervan af welke geografische gebiede we precies als Nederlandstalig rekenen.

Talen zijn daarmee strikt genomen geen discrete, telbare eenheden. Ik geloof dat het Noam Chomsky was die eens zei dat het net zo min zin heeft om te spreken over bijvoorbeeld ‘de Franse taal’ als over ‘de Franse lever’. Mogelijk lijken de levers van Fransen na langdurige consumptie van wijn en foie gras iets meer op elkaar dan op die van Nederlanders  of Amerikanen, maar dat betekent nog niet dat je van iedere willekeurige lever kunt zeggen of hij Frans is.

Lees verder >>

Romans schrijven en computers programmeren

Door Marc van Oostendorp

We should never forget that programmers live in a world of artefacts, a fact that distinguishes them from most other scientists. The programmer should not ask how applicable the techniques of sound programming are, he should create a world in which they are applicable; it is his only way of delivering a high-quality design.” (E.W.Dijkstra)

Dit weekeinde heb ik De chauffeur verveelt zich van Gerrit Krol weer eens herlezen, en meteen erachteraan dan maar het magistrale proefschrift van Ad Zuiderent over dat boek, die sinds enige tijd online staat: Een dartele geest. Je kunt die roman waarschijnlijk uit wel duizend perspectieven lezen, en Zuiderent kiest een paar aannemelijke uit. Doordat hij bovendien een groot aantal recensies van het boek bespreekt, komen er nog meer mogelijke manieren van kijken aan bod.

Maar er zijn er altijd nóg meer. Wat volgens mij in ieder geval nog ontbreekt in de Krol-studie is het perspectief van de programmeur. Dat pleegt men te mijden: te ver weg van dat van de alfa-onderzoeker.

Maar de schrijver Gerrit Krol heeft gewerkt als programmeur net als zijn hoofdpersoon in De chauffeur verveelt zich, Gerrit Krol, dus je kunt er eigenlijk niet omheen. Wat zijn de verschillen tussen het schrijven van een roman en het schrijven van een computerprogramma? Dat is een onderwerp waar in de roman een aantal keer aan geraakt wordt, maar waar Zuiderent en andere Krolianen tot nu toe helaas met een boogje omheen lopen.

Geraakt

Er zijn minstens twee dimensies aan de verschillen tussen programmeren en romans schrijven, tussen computertaal en natuurlijke taal.
Lees verder >>

De Dikke Van Dale als filosofisch traktaat

Door Marc van Oostendorp


Wat is taal? Zijn het de klanken die we uitstoten? De woorden die ergens opgeslagen zijn in onze hersenen? De structuur van de zinnen in de archieven van NRC Handelsblad? Ik ben nu al bijna twintig jaar taalkundige, maar ik mag nog altijd graag luisteren naar mensen die het uitleggen, want ik ben er nog steeds niet uit.

Het voorwoord van Van Dale is dan fijn studiemateriaal: ongeveer iedere tien jaar formuleert weer een hoofdredacteur van dat eerbiedwaardige naslagwerk zijn visie op taal en taalverandering. (Hierboven staat een prezi van een praatje dat ik deze zomer hield bij het congres van de internationale vereniging voor neerlandistiek waarin ik onder andere op die voorwoorden inging).

En nu is er dus weer een nieuwe!

De eerste zin is al een heel opmerkelijke.
Lees verder >>

Taal is solidariteit

Door Marc van Oostendorp


Op 19 oktober 1983 schreef Frans Kellendonk een brief aan de criticus Jaap Goedegebuure waarin hij zijn visie op taal uiteenzette. Twee dagen later schreef hij een brief over vrijwel hetzelfde onderwerp aan zijn vriend de schrijver Oek de Jong. Die overlap was niet toevallig: het was kennelijk een onderwerp dat hem bezighield.

Goedegebuure had geschreven dat er voor Kellendonk “buiten de taal niets is”, en dat stak Kellendonk kennelijk: “Als er buiten taal niets was, zou de taal niets uitdrukken en zou elke communicatie van woorden verwisselbaar zijn voor een anderen,” schreef hij. Er was dus wel degelijk een verband tussen de taal en de werkelijkheid, al was dat een heel ingewikkelde – een zin ‘verwijst’ niet zomaar naar de werkelijkheid, en er bestaat geen “simpele correspondentie tussen woorden en fenomenen”, hooguit “is er een overeenkomst tussen de totaliteit van de taal en de totaliteit van de wereld”.

Lees verder >>

Taal is een sociaal contract

Door Marc van Oostendorp

In een speciale la in mijn archiefkast heb ik een map met filosofische artikelen over de vraag wat taal eigenlijk is. Een communicatiemiddel? Een instrument om te denken? Een middel waarmee je je van anderen kunt onderscheiden doordat je veel correcter, gezelliger of stoerder spreekt dan zij?

Deze week wees iemand me op internet op een nieuwe aanwinst voor mijn verzameling: een artikel van de bekende Amerikaanse taalfilosoof John Searle met de pakkende titel Wat is taal?

Jullie moeten dat artikel vooral ook zelf lezen, het is zorgvuldig opgebouwd en helemaal niet te lang of duister voor zo’n fundamentele kwestie. En het bevat een antwoord dat nieuw is, hoewel het wel voortbouwt op Searles eerdere werk: taal is een manier om de wereld te veranderen en de basis van iedere menselijke samenleving.

Man en vrouw

Dat taal voor Searle een manier is om de wereld te veranderen, wisten we al.
Lees verder >>

Wat betekent ‘nee’?

Door Marc van Oostendorp

Als een rechercheur nee zegt, wat bedoelt ze dan? Neem het geval van Dikke Tony, een maffiabaas die het handig leek om te doen alsof hij vermoord was. Her en der heeft hij rond de scheepswerven ‘aanwijzingen’ voor die moord verstopt. Die aanwijzingen worden gevonden en onderzocht door forensische wetenschapper Smit, die een voorzichtige conclusie trekt:

  • Misschien is Dikke Tony omgebracht.

Nu trekt rechercheur Betsie erop uit en ontdekt dat Dikke Tony levend en wel ondergedoken zit in een rustiek boerderijtje. Ze zegt dan tegen Smit:

  • Nee, Dikke Tony leeft nog!

Dat dialoogje blijkt allerlei filosofen en taalwetenschappers in de problemen te brengen. Want wat bedoelt Betsie met dat nee? Wat betekent nee eigenlijk?
Lees verder >>

De taal zit in de tijd

Door Marc van Oostendorp


Wanneer je iets bestudeert, is het prettig om te weten waar zich datgene precies bevindt. Ik ben taalkundige, en dus zou men mij de vraag kunnen stellen waar de taal precies is. En dan zou ik moeten antwoorden: ik weet het niet precies. Staat ze in boeken? Maar ik kan ook morgen een nieuw boek schrijven in het Nederlands, en dat Nederlands staat nu nog niet in een boek. Zit ze in mijn hoofd? Maar ze zit voor een deel ook in jouw hoofd. Bevindt ze zich tussen ons in, als een sociale code in de samenleving? Maar waar is die sociale code dan precies.

Voor wie dit soort fundamentele vragen interessant vindt is er nu een aardig boekje van de bekende taalkundige Nick Enfield van het Nijmeegse Max Planck Instituut: Natural causes of language. (Dat boekje is gratis; het wordt uitgegeven door de prachtige nieuwe uitgever Language Science Press die zich ten doel stelt hoogwaardige taalwetenschap voor niets onder de mensen te verspreiden via het internet.)

Lees verder >>

Wat betekent het woord ding volgens Noam Chomsky?

Door Marc van Oostendorp


Het zijn grote vragen, die Noam Chomsky stelt in drie nieuwe artikelen in het Journal of Philosophy: Wat is taal? Wat kunnen we begrijpen? En wat is het gemeenschappelijk belang? De artikelen zijn kort en heel duidelijk geschreven; samen vormen ze denk ik de beste inleiding op zijn eigen (‘late’) werk die Chomsky schreef.

In het eerste artikel staat Chomsky’s begrip van taal als instrument van het denken centraal; ik schreef daar hier vorig jaar een reeksje over. In het derde artikel gaat het over de filosofische achtergronden van zijn politieke activisme. Het tweede artikel gaat over een minder bekend aspect van Chomsky’s denken – dat over de vraag wat nu precies de relatie is tussen ons denken en de werkelijkeheid.

Voor Chomsky gaapt de kloof tussen die twee bijna onmetelijk diep – wat natuurlijk opvallend is voor zo’n succesvol wetenschapper.
Lees verder >>