Tag: syntaxis

‘De man’ als voornaamwoord

Door Henk Wolf

Voor sommige sprekers van het Nederlands heeft de woordgroep ‘de man’ een functie die hij voor anderen niet heeft. Dat zie je aan het volgende fragment:

  • Mijn vader kon op geen enkele manier een gesprek voeren. De man sprak geen woord Engels.

In dat fragment kan ‘de man’ worden geïnterpreteerd als een willekeurige mannelijke gesprekspartner van de vader. In die interpretatie spreekt de vader vermoedelijk wel Engels, maar zijn gewenste gesprekspartner zeker niet. Die gesprekspartner is dan óf al bekend, óf er is sprake van een vertelling die in medias res begint. Die interpretatie is voor dit stukje verder niet zo interessant.

Daarnaast zijn er sprekers van het Nederlands voor wie ‘de man’ juist de vader van de spreker is. De gedachtegang van de spreker loopt dan door van de eerste zin naar de tweede en ‘de man’ wordt gebruikt om te verwijzen naar de persoon over wie in de eerste zin al iets werd medegedeeld. ‘De man’ heeft dan dezelfde functie als het persoonlijk voornaamwoord hij. De woordgroep ‘de man’ lijkt hier dus zelf een beetje op een voornaamwoord. Voor mijn gevoel is er wel een verschil in gebruikswaarde: ‘de man’ klinkt informeler dan hij. Lees verder >>

Doorsneden met dammen

Door Henk Wolf

Een tijdje terug kwam ik in een boek de volgende zin tegen:

  • Het voormalige kanaal werd doorsneden met dammen.

Die zin fascineerde me – niet alleen omdat ie tegen m’n taalgevoel inging, maar ook omdat ik hem eerst niet kon ontleden. Ondertussen denk ik dat me dat wel gelukt is, maar m’n benoeming is wat onorthodox. Wie het beter weet, moet het zeggen.

Bij de ontleding heb ik als volgt geredeneerd:

– We hebben te maken met de lijdende vorm van een werkwoordelijk gezegde. Het alternatief zou zijn dat doorsneden een bijvoeglijk naamwoord zou zijn dat diende als naamwoordelijk deel van het gezegde. Dat is niet zo plausibel, onder andere omdat bijvoeglijk gebruik van doorsneden (‘uitermate doorsneden’) vreemd is en omdat werd hier geen verandering van staat aangeeft: de zin drukt niet uit dat het kanaal eerst nog niet doorsneden was en toen wel. Zou werd een koppelwerkwoord zijn, dan had het dat betekenisaspect in de zin gebracht. Blijft over dat werd een hulpwerkwoord van de lijdende vorm moet zijn. Lees verder >>

Hulke

Door Henk Wolf

Gisteren had ik het erover dat het Nederlands geen voornaamwoord heeft om generieke onbepaalde zelfstandige naamwoorden te vervangen. Vandaag wil ik wijzen op een ander gaatje in het Nederlands.

De meeste aanwijzende voornaamwoorden hebben in het Nederlands een vragende tegenhanger. Een paar voorbeeldjes:

  • Die man is boos – Welke man is boos?
  • Dat huis is wit – Welk huis is wit?
  • Zo’n auto wil ze ook – Wat voor auto wil ze ook?
  • Zulke stekkers zijn aan te raden – Wat voor stekkers zijn aan te raden?

Van die vier vraagzinnen kun je in de eerste twee zonder probleem het zelfstandig naamwoord weglaten:

Lees verder >>

Keurig netjes (2): Een corpusstudie

Ton van der Wouden

Het Nederlands is een van de best beschreven talen van de wereld. Het is ook moeilijk om niet onder de indruk te raken van alle kennis en informatie die er over onze taal te vinden is in het Taalportaal, de (digitale) Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS) en de grote woordenboeken van het INT. Toch zijn er ook allerlei aspecten van het Nederlands waar we nog veel te weinig van afweten, maar die kennelijk deel uitmaken van de taalkennis van de moedertaalspreker. In de vorige aflevering demonstreerde ik dat aan de hand van de vaste verbinding keurig netjes: dat is een vaste verbinding die in Nederland veel vaker gebruikt wordt dan in België. Het zoeken naar dat soort combinaties in Van Dale en in de grote wetenschappelijke woordenboeken bleek evenwel niet altijd resultaat op te leveren, en in de grammatica’s of taalcursussen vind je die informatie ook al niet. Arme tweede-taalleerders van het Nederlands. Lees verder >>

Wat is de onbepaalde tegenhanger van ‘die’?

Door Henk Wolf

Als ik Nederlands schrijf, mis ik vaak een categorie voornaamwoorden. Die zouden dan moeten staan op de plaats van de woorden tussen vierkante haken in de onderstaande zinnen:

  • Taalveranderingen van het eerste type zijn minder makkelijk te herkennen dan [taalveranderingen] van het tweede type.
  • Volgens mij zijn vliegende vogels typischer dan [vogels] die alleen maar lopen en zwemmen.

In het Fries kun je taalveranderingen en vogels in beide zinnen vervangen door sokke(n). In het Duits kun je welche gebruiken. In het Nederlands is zo’n mooi voor de hand liggend woord er niet.

Natuurlijk kun je in het Nederlands soms wel ad-hocoplossingen vinden. Je kunt in de eerste voorbeeldzin bijvoorbeeld sommige of veel gebruiken, maar daarmee moet je al informatie toevoegen. Zo suggereert (voor mij) sommige een kleine deelverzameling en veel een grote, terwijl sokke en welche op de hele categorie slaan. Of je kunt die gebruiken, maar daarmee verandert de betekenis van generiek in specifiek en dat past ook niet altijd. Lees verder >>

It tsjerke

Door Henk Wolf

Wanneer er in het Fries iets verandert, dan is het resultaat meestal dat die taal ietsjes meer op het Nederlands is gaan lijken, óf dat de verschillen tussen de twee talen wat regelmatiger zijn geworden. Een opvallende uitzondering daarop is de geslachtsverandering van het woord tsjerke (‘kerk’). Dat is vanouds net als in het Nederlands een de-woord, maar een groeiend deel van de jongeren gebruikt het met het lidwoord it (‘het’).

Dat ‘de tsjerke’ ‘it tsjerke’ werd, viel me begin 2013 voor het eerst op in een tentamen van een eerstejaarsstudente. Ik dacht dat het een slordigheidje was en besteedde er geen aandacht aan, maar kort daarna kwam ik het nog een paar keer tegen. Toen schreef ik er een stukje over.

Nou zat de geslachtswisseling van tsjerke die ik in 2013 tegenkwam nog maar in een voorfase. Dat moet ik even uitleggen. In het Fries krijgt een klein aantal de-woorden na een voorzetsel namelijk soms het lidwoord ‘t. Zo zeggen Friezen wel ‘de winter is kâld’, maar ook ‘fan ’t winter is it kâld’. En het Fries heeft ‘de soad’ (‘de kook’), maar ook ‘by ’t soad’ (‘in grote hoeveelheid’, letterlijk ‘bij de kook’). Het woord tsjerke hoort vanouds niet bij die groep woorden met zo’n lidwoordverandering, maar ging er nu wel aan meedoen. Yn 2013 zeiden een paar studenten dus wel ‘de tsjerke is moai’, maar ook ‘yn ’t tsjerke is it kâld’. Lees verder >>

Nog wat over de z’n-constructie d’r benoeming als genitief

Door Henk Wolf

Een paar dagen geleden stond hier een stukje van mij waarin ik beargumenteerde dat we in woordgroepen als ‘Jan z’n fiets’ het stukje ‘Jan z’n’ als één woord moeten beschouwen en dat dat woord in de tweede naamval staat, de genitief. (Het stukje is hier te lezen.)

Niet iedereen was overtuigd. Ik kreeg een aantal reacties en daarin zaten in elk geval twee gerechtvaardige kritiekpunten, die allebei een reactie verdienen. Het ene kritiekpunt is dat het gek is om elementen zoals z’n als naamvalsuitgang te beschouwen, omdat ze ook achter woordgroepen kunnen staan. Het andere kritiekpunt is dat je Jan in ‘Jan z’n fiets’ ook als bepaling bij het bezittelijk voornaamwoord z’n kunt beschouwen.

Punt 1: naamvalsuitgangen op woordgroepen

In m’n stukje schreef ik al dat de uitgang -s, die we traditioneel als genitiefuitgang benoemen, ook achter woordgroepen kan staan. Zo zijn er Nederlandstaligen die woordgroepen kunnen gebruiken als:

Lees verder >>

Jou schelm!

Door Henk Wolf

Wie een ander wil uitschelden, die kan dat doen met alleen een scheldwoord, zoals lummel of rotzak. Hij kan daarvoor ook het voornaamwoord jij zetten. Dan krijg je uitspraken als ‘jij lummel!’ en ‘jij rotzak!’.

In wat ouder Nederlands vind je in plaats van dat jij ook vaak de vorm jou. Zo laat Bredero bijvoorbeeld in De klucht van de koe een boef schelden met ‘jou kinckel’ en ‘jou schelm’. E. du Perron laat in Nutteloos verzet schelden met ‘jou schoelje!’. Zelfs in de moderne tijd duikt die vorm af en toe nog op. Taalkundige Cornelis de Vooys noemt in de jaren vijftig in zijn Nederlandse spraakkunst ‘jou rakker’ nog als dan hedendaags taalgebruik. Wie googelt op ‘jou schoft’, vindt verschillende treffers uit de jaren zeventig. En wie op ‘jou lummel’ googelt, vindt een heleboel voorbeelden uit het Afrikaans van de twintigste eeuw.

Waar dat jou vandaan komt, is al lang onderwerp van discussie. In de jaren twintig opperde de taalkundige Moritz Schönfeld dat de vorm onstaan was in de constructie ‘o jou schelm!’, waarin de uitroep o als een soort voorzetsel werd opgevat. En na voorzetsels krijg je de vorm jou, niet jij. Lees verder >>

De nieuwe genitief is de oude genitief z’n concurrent

Door Henk Wolf

In plaats van ‘de buurmans auto’ en ‘Afkes hond’ kun je ook ‘de buurman z’n auto’ en ‘Afke d’r hond’ zeggen. Dat is best een gekke constructie, vooral omdat je niet zo snel ziet in welke naamval ‘de buurman’ en ‘Afke’ staan’.

”In de datief, natuurlijk!’ roepen nu een paar lezers die verstand van naamvallen hebben. En ze houden op met lezen, want ze denken dat ze dit verhaal al kennen. Een aantal van die lezers herinnert zich ook nog dat ik een paar jaar geleden ergens heb gezegd dat het een genitief zou zijn en dat vonden ze onzin. Daarom wil ik uitleggen waarom zij en ik allebei gelijk hebben. En ik een beetje meer. Lees verder >>

Hij heeft de foto’s zien gelaten

Door Henk Wolf

Een collega van me schrijft ‘sjenlitten’ altijd aan elkaar, alsof de Friese woorden sjen (‘zien’) en litten (‘gelaten’) samen één woord vormen. Dat is ook niet zo gek, want het is in het Fries niet meteen duidelijk of je nu met één of met twee werkwoorden te maken hebt.

Ik kan me best voorstellen dat ‘laten zien’ als betekeniseenheid wordt opgevat. Immers, die twee woorden samen betekenen vrijwel hetzelfde als het ene werkwoord ‘tonen’. Dan is het niet zo gek om ze als één werkwoord te gaan zien. De schrijfwijze van mijn collega verraadt dat zij in het Fries vermoedelijk zo denkt. Ik heb het voor de zekerheid nog even nagevraagd en inderdaad ervaart ze de twee als één woord.

Het voltooid deelwoord als lakmoesproef

In het Nederlands kun je veel makkelijker nagaan of je met één werkwoord te maken hebt of met twee. Anders dan in het Fries heeft het aantal werkwoorden namelijk invloed op de vorm van de voltooide tijd. Heb je in het Nederlands één werkwoord dat je in de voltooide tijd zet, dan krijgt dat de vorm van het voltooid deelwoord. Heb je twee werkwoorden, dan hebben ze allebei de vorm van de infinitief (het ‘hele werkwoord’). Zie het volgende voorbeeld: Lees verder >>

Ik boei me niet voor de poppetjes

Door Henk Wolf

In een reactie op geenstijl.nl van een paar maanden geleden schrijft iemand ‘ik boei me niet voor de poppetjes’. Dan volgt er wat onsmakelijk geweldpraat, maar het gaat me hier ook niet om de inhoud. ‘Ik boei me voor’ is namelijk een constructie waarvan ik het ontstaan verwacht had. Af en toe googelde ik erop, afgelopen woensdag voor het laatst. En de verwachting is nu dus uitgekomen.

Waarom verwachtte ik die constructie? Wel, dat zou passen in een trend die al eeuwen bezig is: de Germaanse talen maken een ontwikkeling door waarbij personen het onderwerp van de zin worden. Lees verder >>

Morgen een week zijn je schoenen klaar

Door Henk Wolf

In het Nederlands kun je zeggen dat er ‘over een week’ iets staat te gebeuren. In het Fries kan dat net zo goed: ‘Oer in wike is it klear’. Je kunt ook het woord vandaag of hjoed toevoegen om aan te geven dat die week begint op de dag dat je de zin uitspreekt. Je krijgt dan zinnen zoals de volgende:

Vandaag over een week zijn je schoenen klaar.
Hjoed oer in wike binne dyn skuon klear.

Je kunt de week ook op een ander tijdstip laten beginnen. Als je morgen of moarn toevoegt, dan vindt je gebeurtenis acht dagen na het uitspreken plaats: Lees verder >>

Wij bin / wij binne

Door Henk Wolf

De meervoudsvorm van Friese werkwoorden in de tegenwoordige tijd krijgt als regel een van de uitgangen -e of -je. Zo staat dat in alle boekjes, zo is het in de schrijftaal, zo doen de nieuwslezers van Omrop Fryslân het.

Alleen in de dagelijkse praktijk is het nog weleens anders. Er is namelijk een groep werkwoorden waarbij de meervoudsuitgang -e kan worden weggelaten. De uitgang -je wordt nooit weggelaten. Zo hoor je bijvoorbeeld:

Wij gean moarn fuortl (schrijftaal: geane)
De minsken sil der (of: sidder) wol wat op betocht ha. (schrijftaal: sille)
We bin der al. (schrijftaal: binne)

Lang niet alle werkwoorden hebben zo’n korte meervoudsvorm. Zo kom je nooit tegen: Lees verder >>

Heel erg nerd: woorden die bijvoeglijknaamwoordje spelen

Door Henk Wolf

Met de volgende zinnen is iets vreemds aan de hand:

A.

  • Meneer Jansen is een enorme wegwerker.
  • Mevrouw Pietersen is een dikke matrone.

B.

  • Meneer Jansen is een enorme geldwolf.
  • Mevrouw Pietersen is een dikke schat.

In de A-zinnen heeft het onderstreepte woord z’n woordenboekbetekenis: meneer Jansen is een wegwerker die enorm is, mevrouw pietersen is een matrone die dik is. In de B-zinnen is die woordenboekbetekenis ook mogelijk, maar die ligt daar niet meer zo voor de hand. Vermoedelijk lezen weinig mensen de B-zinnen alsof meneer Jansen een geldwolf is die enorm is, of alsof mevrouw Jansen een schat is die dik is. Het is in de B-zinnen zelfs heel goed mogelijk dat meneer Jansen een klein kereltje is, en mevrouw Pietersen zo mager als een lat. Lees verder >>

Transgender is helemaal geen bijvoeglijk naamwoord

Door Henk Wolf

Via een linkje in Taalpost van het Genootschap Onze Taal belandde ik laatst bij een artikeltje met de titel ‘Transvrouwen bestaan niet, trans vrouwen wel‘. Het ging over de spelling van ‘transvrouwen’, met of zonder spatie. De schrijfster van het artikel, Olave Nduwanje, gebruikt wel een spatie. Ze pleit daarbij niet voor spellingrebellie, maar motiveert haar keuze met een taalkundige analyse. Ze schrijft: ‘Transgender (oftewel trans) is namelijk […] een bijvoeglijk naamwoord’.

Als dat waar zou zijn, dan had ze natuurlijk gelijk: dan was in de officiële Nederlandse spelling de correcte schrijfwijze ‘trans vrouwen’ geweest, zoals we ook ‘dikke vrouwen’ en ‘slimme vrouwen’ met een spatie erin schrijven.

Alleen deugt de analyse niet. Transgender en trans zijn geen bijvoeglijke naamwoorden. Dat kun je vrij makkelijk laten zien. Lees verder >>

De kleuter en de peuter – nog meer afstandelijkheid in relaties

Door Sterre Leufkens

Hartverwarmend en veelvuldig, dat waren de reacties op dit stukje over een taaltrend: het spreken over je partner als ‘de vriend(in) ‘ en ‘de vrouw/man’. Jullie doen en zien dit ook voortdurend. En het verschijnsel staat niet op zichzelf, want er is nog een andere geliefde, die regelmatig met de benoemd wordt: de peuter dan wel kleuter.

Eerst een paar cases in point.

Lees verder >>

Tot aan het einde aan toe

 Door Marc van Oostendorp

Er zijn talen met voorzetsels, er zijn talen met achterzetsels, en het Nederlands heeft ze wonderlijk genoeg allebei:

  • Ik loop het huis in.
  • Ik loop in het huis.

Soms, zoals in het geval van inop en over, hebben voor- en achterzetsel dezelfde vorm. Soms, zoals in het geval van tot/toemet/mee en van/af zijn die vormen verschillend. Nu kun je met die voor- en achtervoegsels hele kathedralen van constructies bouwen. Over een van die bouwwerken gaat een nieuw artikel van Hans Broekhuis en Marcel den Dikken:

  • tot aan het einde aan toe

Lees verder >>

Dan zij het maar zo

Door Marc van Oostendorp

Ik weet niet wat jullie denken, maar ik denk dat deze man gelijk heeft, en ik heb eigenlijk geen idee waarom:

Het klinkt inderdaad een beetje vreemd. Waar ligt dat aan? Als taalkundige ben je dan gewend om het soort simpele huis-thuis-en-keuken-toetsjes te doen waarbij je een eigen setje voorbeelden maakt en dan gaat kijken hoe je taalgevoel erop reageert. Mijn taalgevoel vindt de volgende zinnen allemaal beter: Lees verder >>

Diens

Door Marc van Oostendorp

In de nieuwe Onze Taal schrijft de humorist Kees van Kooten onder zijn nom de plume dr. E.I. Kipping (‘sneerlandicus’) over een advertentie van een bedrijf dat ‘levensverhalen van dierbaren’ optekent:

Van Kooten maakt grapjes over de derde regel, en inderdaad lijkt de enig juiste interpretatie van die zin dat de dierbare in kwestie over het leven van de schrijver spreekt. Lees verder >>

Methaan schetende koeien

Door Marc van Oostendorp

Een belangwekkende kwestie weer, onlangs op Meldpunt Taal. Iemand meldde:

In de Groene Amsterdammer van deze week werd ‘scheten’ als transitief werkwoord gebruikt. De precieze zin weet ik niet meer, maar er stond zoiets als ‘methaan schetende koeien’.

(Het bedoelde stuk staat hier; het gaat inderdaad precies over “methaan schetende koeien”) En iemand reageerde daar binnen een paar uur op:

Volgens mij is ‘scheten’ ook intransitief geen bestaand werkwoord. Het is alleen het meervoud van scheet.

Eerst over dat laatste. Wat leven mensen toch in een wonderlijke wereld dat ze een woord voor zich kunnen zien – het staat afgedrukt in een respectabel tijdschrift, en iemand op internet heeft het erover – en dan doodleuk kunnen beweren dat het ‘niet bestaat’. Als het niet bestaat, hoe kan het daar dan staan? Lees verder >>

Beter is er licht!

Door Astrid van Alem

Eind mei was ik in Berlijn bij een interessante workshop over niet-canonieke imperatieven. Eén van de praatjes werd gegeven door Erlinde Meertens en Sven Lauer van de Universiteit van Konstanz, over wat zij “melioratieven” noemen: zinnen met een imperatief-achtige betekenis waarin het woordje “beter” (of “besser”, of “better”) voorkomt.

  • Beter ga je naar huis.
  • Du gehst besser nach Hause.
  • You’d better go home.

Meertens en Lauer laten zien dat hoewel deze melioratieven enigszins op imperatieven lijken, ze over het algemeen een beperktere functie hebben dan imperatieven. Ze kunnen bijvoorbeeld niet gebruikt worden als aanbod:

  • Ga zitten.
  • Beter ga je zitten. [ongebruikelijk]

Lees verder >>

Zijn band is plat

Door Marc van Oostendorp

Dingen kunnen niets bezitten. Een mens kan wel een boek hebben, maar een boekenkast kan dat niet. Je ziet dat verschil tussen mensen (en dieren) enerzijds en dingen anderzijds ook terug in de grammatica: je kunt wel zeggen:

  • De professor en zijn boeken

maar niet:

  • De boekenkast en zijn boeken

Het gaat nog verder: je vindt het verschil ook als het helemaal niet gaat om eigenschappen zoals kleur en smaak. De Amsterdamse taalkundige Suzanne Aalberse kwam onlangs met dit voorbeeld van een website over honing:

Kwalitatief, gezond, maar bovendien ook lekker. Zijn smaak is nadrukkelijk aanwezig en heeft een hint van hout en een duidelijk dennenaroma. Sommigen vinden ‘m ook een beetje smaken naar karamel, maar dat is waarschijnlijk voornamelijk door zijn zoete smaaksensatie.

Dat zijn smaak klinkt hier gek. Je zou hier liever zeggen de smaak ervan of nog liever de smaak. ‘Zijn smaak’ kun je aan de andere kant wel over mensen zeggen (al ligt dan, toegegeven, een andere interpretatie van smaak voor de hand: niet hoe hij smaakt, maar wat hij mooi vindt.)

Lees verder >>

De sturende kracht van zinsstructuren

Door Luck van Leeuwen en Julia Naaborg

Het traditionele rede- en taalkundig ontleden verkeert al decennia nagenoeg in een impasse: nieuwe inzichten binnen het wetenschapsgebied dat onderzoek doet naar zinsstructuren, syntantix, vinden nauwelijks hun weg naar het middelbaar onderwijs. Basisboek syntaxis van Henk Wolf, dat vorige week is verschenen, wil die leemte opvullen.

Wolf heeft het boek voor een brede doelgroep geschreven, zowel voor studenten en docenten, alsook voor leerlingen uit de hoogste klassen van de havo en het vwo. Daarmee is de doelstelling tweeledig: enerzijds wil het een methode zijn dat geschikt is om leerlingen kennis te laten maken met syntaxis, anderzijds beoogt het een boek te zijn dat goed leesbaar is voor studenten en docenten wiens kennis van ontleden ‘stoffig’ is geworden. In hoeverre slaagt dit werk erin deze driedubbele doelgroep te bereiken? Lees verder >>

U allen bent het die mij lief zijn

Door Marc van Oostendorp

Iemand wilde aan allen schrijven die hem lief waren, maar op zeker moment haperde zijn pen:

  • U allen bent het die mij lief …

Ja, wat moest daar komen te staan? Moest dat niet zijn worden, het ging immers om meerdere mensen? En je zegt ook ‘Jullie zijn het die mij lief zijn’.

Dat mag zo wezen maar in bovenstaande zin klinkt zijn gek. Toch is ook het enkelvoud heel raar:

  • U allen bent het die mij lief is.

Beter, hoewel misschien toch nog een tikje ongemakkelijk is het volgende:

Lees verder >>

Onpersoonlijke bevelen

Door Marc van Oostendorp

De Algemene Nederlandse Spraakkunst, de grootste Nederlandstalige grammatica die we hebben, heeft in de afgelopen decennia in menig huisgezin grote verwarring gezaaid door de mededeling die ze doet over vormen zoals ‘Niet doen!’, waarin een onbepaalde wijs (doen) wordt gebruikt in plaats van een gebiedende wijs (Doe niet!). De ANS zegt daarover namelijk:

Dit gebruik komt vooral veel voor in opschriften, wanneer de aanspreking niet tot een bepaalde persoon gericht is. (…) Voorbeelden:

(12) Doorlopen!
(13) A.u.b. geen fietsen tegen het raam plaatsen.
(14) Niets buiten steken.
(15) Niet roken.
(16) (Op een deur: ) Duwen /Trekken.
(17) Voor gebruik schudden.

De grootste Engelstalige grammatica van het Nederlands, het Taalportaal, neemt dat idee over en zegt dat dit misschien te maken heeft met het feit dat deze vormen wat beleefder zijn dan gewone gebiedende wijzen (‘Doorlopen!’ is beleefder dan ‘Loop door!’). Waarom je vooral op aanplakbiljetten beleefd zou zijn, vermeldt het Taalportaal niet.

Lees verder >>